Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal1997-199823706 nr. 17

23 706
Wettelijke regeling van het notarisambt, mede ter vervanging van de Wet van 9 juli 1842, Stb. 20, op het Notarisambt en de Wet van 31 maart 1847, Stb. 12, houdende vaststelling van het tarief betreffende het honorarium der notarissen en verschotten (Wet op het notarisambt)

nr. 17
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 9 oktober 1997

Naar aanleiding van mijn brief van 24 september 1997 (23 706, nr. 16) deelde de voorzitter van de vaste commissie voor Justitie mij namens de commissie mee dat de beantwoording van de vragen, gesteld in het nader verslag van 20 december 1996, nog niet volledig is. Namens de commissie verzocht hij mij na te gaan welke vragen onbeantwoord zijn gebleven.

Een nauwkeurig nalopen van de antwoorden op de door de leden van de commissie gestelde vragen leidt mij tot de conclusie dat alle vragen zijn beantwoord.

Het is mogelijk dat door de in het Algemeen deel van de nota naar aanleiding van het verslag gehanteerde volgorde van beantwoording van de vragen van de commissieleden onduidelijkheid is ontstaan. In de nota is de in de voorgaande Kamerstukken aangegeven hoofdstuk-indeling gevolgd. Echter de beantwoording spoort niet overal met de volgorde van de vragen in het nader verslag. Waar antwoorden naar mijn mening beter pasten in de context van een ander hoofdstuk is de volgorde van de vragen verlaten.

Ter verduidelijking geef ik in de bijlage bij deze brief een overzicht van de vragen in het nader verslag en van de vindplaatsen van de daarop betrekking hebbende antwoorden in het Algemeen deel van de nota naar aanleiding van het nader verslag.

Ook is het mogelijk dat de leden van de commissie reacties missen op passages in het nader verslag waarin geen vragen zijn gesteld.

Waar ik ertoe aanleiding vond heb ik in de Inleiding van het Algemeen deel van de nota (p. 1) en in het hoofdstuk «De keuze voor vrije tarieven» (p. 10) mede willen reageren op de standpunten van de leden van de PvdA-fractie, zoals verwoord in de Inleiding van het nader verslag en in het hoofdstuk «De voorgeschiedenis van de tarievenparagraaf». Ook op het standpunt van de leden van de PvdA-fractie ten aanzien van de vrijere vestiging heb ik (op p. 2 van de nota) gereageerd.

Niet – althans niet nadrukkelijk op die plaats – is ingegaan op enkele standpunten van de leden van de PvdA-fractie, verwoord in de «Voorgeschiedenis van de tarievenparagraaf» met betrekking tot uitkomsten van het onderzoek van KPMG (nader verslag p. 5). Ook is niet ingegaan op de beschouwing van de leden van de PvdA-fractie ten aanzien van het hoofdstuk «Rechtsvergelijking en de resolutie van het Europees Parlement».

Voor zover hier reacties worden gemist wil ik deze gaarne alsnog geven.

Voorgeschiedenis tarievenparagraaf

De leden van de PvdA-fractie hadden zich goed kunnen voorstellen dat de uitkomsten van het KPMG-onderzoek een nuttig handvat hadden kunnen bieden bij het vaststellen van de tarieven van de ambtshandelingen van de notaris (nader verslag p. 5, 2e al.).

Zoals ik op p. 3 van de nota naar aanleiding van het nader verslag aangaf is het onderzoek naar de kosten en opbrengsten van het notariaat uitgevoerd om een antwoord te kunnen geven op de vraag naar de noodzaak van handhaving van het bestaande tarievenstelsel. De vraag van kruissubsidiëring (en derhalve de toegang tot de familiepraktijk) stond centraal. Hoewel dit onderzoek veel inzicht heeft verschaft in de kostenstructuur van notariële diensten heeft het kabinet niet overwogen de onderzoeksresultaten te gebruiken voor een ander doel dan waartoe het is uitgevoerd. Vertrekpunt van het kabinet was (en is) immers de vraag of er redenen zijn om aan marktwerking in de sfeer van de tarieven beperkingen te stellen.

De leden van de PvdA-fractie kunnen de gevolgtrekking die de regering aan het KPMG-rapport verbindt niet onderschrijven. Zij zijn van mening dat bij een beoordeling of alle notariële tarieven zouden moeten worden vrijgelaten naast vrije vestiging en de effecten daarvan ook het inschatten van het risico van het onder druk komen te staan van onafhankelijkheid en onpartijdigheid, maar ook van rechtszekerheid en derdenbescherming, de betrouwbaarheid en de toegankelijkheid van het notariaat dienen te worden betrokken worden. Ook van deze beoordeling hadden deze leden een gedegen verantwoording verwacht (nader verslag, p. 5, 4e al.).

Dat aan het rapport van KMPG de gevolgtrekking is verbonden om de tarieven voor het notariaat vrij te laten wil ik bestrijden. Op p. 3 van de nota naar aanleiding van het nader verslag gaf ik aan dat uitgangspunt van de bezinning en de verantwoording in de nota naar aanleiding van het verslag is geweest de wens om – met behoud van de bijzondere positie van de notaris – de economische mededinging te bevorderen. Aan de bijzondere positie van de notaris is daarbij noch door het vorige kabinet noch door dit kabinet voorbij gegaan. Voor mijn standpunt ten aanzien van de borging van de kwaliteit van de notariële diensten wijs ik voorts op mijn reactie op de vraag van de leden van de VVD-fractie naar aanleiding van de inbreng van prof. Moltmaker (nota, p. 5 en p. 6).

Rechtsvergelijking en de resolutie van het Europees Parlement

Van de standpunten van de leden van de PvdA-fractie zoals verwoord in het nader verslag (p. 6) heb ik kennis genomen. Uit het commentaar van deze leden ten aanzien van de resolutie van het Europees Parlement van 18 januari 1994 leid ik af dat het misverstand dat in de resolutie een tariefsysteem voor het notariaat zou worden bepleit (zie de nota n.a.v. het verslag, p. 14) in elk geval is weggenomen. Over hetgeen in de overwegingen door het Parlement is gesteld kunnen de interpretaties kennelijk verschillen. Ik lees daarin niet een oordeel van het Parlement over de vanzelfsprekendheid van gereglementeerde tarieven voor het notariaat.

Uit het overige commentaar van de leden van de PvdA-fractie leid ik af dat deze leden en ik het er het in elk geval over eens zijn dat de Europese regelgeving en het mededingingsbeleid de lidstaten de ruimte biedt voor het maken van beleidskeuzes ten aanzien van het notariaat. Ten aanzien van harmonisatie in Europees verband verwijs ik voorts naar mijn antwoord op een vraag van de leden van de VVD-fractie over dit onderwerp (nota, p. 8, 2e al.). Intussen zijn daarover nog nadere vragen gesteld waarop ik zal ingaan in de nota naar aanleiding van het eindverslag.

Tenslotte is het mogelijk dat de commissie een reactie mist op haar aanbeveling met betrekking tot artikel 92, eerste lid van het wetsvoorstel. De commissie beveelt aan om de controle op de toepassing van de tariefregeling specifiek in handen te leggen van het Bureau financieel toezicht (als bedoeld in artikel 104) indien wordt besloten om voor bepaalde notariële werkzaamheden een tariefregeling vast te stellen (p. 28 van de nota).

Naar mijn oordeel behoefde op deze aanbeveling van de commissie niet te worden ingegaan daar geen tariefregeling wordt voorgesteld, doch – voor de familiepraktijk – twee maximumtarieven. Ervan uitgaand dat deze maximumtarieven voldoende bekend worden gemaakt, vindt de facto controle plaats doordat cliënten zich daarop zullen beroepen.

Ik vertrouw erop hiermede aan uw verzoek te hebben voldaan.

De Staatssecretaris van Justitie,

E. M. A. Schmitz

BIJLAGE

Vragen «De tarieven» (nader verslag, p. 3):

Van de leden van de VVD-fractie zijn 18 vragen vermeld, mede naar aanleiding van de hoorzitting van 19 november 1996.

Antwoorden per onderwerp (nota, per pagina, geteld v/a 1e volle alinea):

– inbreng prof. Moltmaker: p. 5, 4e al(inea)

– signalen OM: p. 6, 2e al.

– inbreng de heer Lahuis: p. 6, 3e al.

– inbreng de heer Rieter: p. 10, 1e al.

– inbreng de heer Talpis: p. 3, 4e al.

– overgangsperiode: p. 12, laatste al.

– kostprijsvolgsysteem: p. 6, laatste al.

– Oost-Europa: p. 7, 1e al.

– Ostländer Duitsland: p. 8, 1e al.

– ministerieplicht: p. 8, 2e al.

– harmonisatie in Europa: p. 8, 3e al.

– georganiseerde criminaliteit: p. 8, laatste al.

Vraag «Verhouding Wet Economische Mededinging» (nader verslag, p. 5):

Van de leden van de PvdA-fractie is 1 vraag vermeld.

Antwoord (nota):

– onderbouwen uitspraak m.b.t. strekking Wem: p. 10, 1e al.

– bijzondere positie van de notaris: p. 3, 1e al.

Vraag «De keuze voor vrije tarieven» (nader verslag, p. 6):

Van de leden van de PvdA-fractie is 1 vraag vermeld.

Antwoord (nota):

– heroverweging standpunt t.a.v. wettelijke tariefregeling: p. 10, 3e al.

Vragen «Het KPMG-onderzoek naar de kosten en opbrengsten in het notariaat en het onderzoek van Moret, Ernst & Young» (nader verslag, p. 7):

Van de leden van de RPF-fractie zijn 2 vragen vermeld.

Antwoorden (nota):

– reactie op de uitspraak van de Raad van Tucht voor RA- en AA-accountants inzake KPMG: p. 12, 4e al.

– reactie op persbericht KNB: p. 12, 5e al.

Vragen «De overgangsperiode en evaluatie» (nader verslag, p. 7):

Van de leden van de PvdA-fractie is 1 vraag vermeld. Van de leden van de RPF-fractie zijn 2 vragen vermeld.

Antwoorden (nota):

– voorstel overgangsperiode op basis van kostprijsvolgsysteem: p. 12, 7e al.

– noodzaak overgangsperiode: p. 13, laatste al.

– betekenis KPMG-rapport voor overgangsperiode: p. 13, laatste al.