Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1994-1995 | 23675 nr. 2 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1994-1995 | 23675 nr. 2 |
Vastgesteld 30 maart 1995
De vaste commissies voor Financiën1, voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen2 en voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport3 hebben op 21 februari 1995 overleg gevoerd met staatssecretaris Vermeend van Financiën en staatssecretaris Nuis van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen over BTW inzake culturele prestaties en budgetsubsidies (23 675, nr. 1, en twee brieven van de staatssecretaris van Financiën (zie bijlagen)).
Van het gevoerde overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissies
De heer Reitsma (CDA) memoreerde dat zijn fractie kan instemmen met de algemene lijn van het eindrapport van de werkgroep die zich bezig heeft gehouden met de BTW-heffing met betrekking tot budgetsubsidies. 1
Toch had zij er nog behoefte aan nader in te gaan op enkele specifieke aspecten.
Het eerste betreft de vraag of culturele prestaties in het hoge of het lage BTW-tarief zouden moeten worden ondergebracht. Het vorige kabinet is deze vraag ook al voorgelegd, maar dat wilde eerst de budgettaire consequenties ervan op een rijtje zetten, zie 23 675, nr. 1, blz. 6. Als alle daar genoemde activiteiten zouden worden ondergebracht in het lage BTW-tarief – waarvoor volgens de heer Reitsma toch kamerbreed wel enkele sympathie bestond – zijn de budgettaire consequenties aanzienlijk en daarom is wel enige bescheidenheid op zijn plaats. Stimulering van culturele activiteiten bleef voor zijn fractie van belang. Volgens Europese regelgeving staat het de lidstaten vrij om bepaalde culturele activiteiten over te hevelen naar het lage BTW-tarief. Zij vroeg de staatssecretaris de mogelijkheid te bezien om van de categorie met een cultuurbestemming musea/tentoonstellingen, bioscopen, schouwburgen/gezelschappen/zelfstandige kunstenaars/concerten – de meest culturele en vaak zwaarst gesubsidieerde activiteiten te eniger tijd geheel of gedeeltelijk over te brengen naar het lage BTW-tarief, al realiseerde zij zich dat de definitie van «meest culturele» erg moeilijk is en dat een directe overheveling een budgettair probleem oplevert.
De heer Reitsma memoreerde de discussie over het lage BTW-tarief voor arbeidsintensieve sectoren, hetgeen de Europese regelgeving volgens de vorige staatssecretaris niet toestond, hoewel hij daar op zichzelf wel sympathiek tegenover stond. Materieel gezien sluiten de zoëven genoemde activiteiten wel bij het criterium arbeidsintensief aan, maar formeel gesproken vallen zij er niet onder. Gelet op de vrij brede steun in de Kamer om arbeidsintensieve sectoren en activiteiten met een cultuurbestemming in het lage BTW-tarief onder te brengen zou dit wellicht een handvat voor de regering kunnen zijn om een en ander in Brussel te realiseren.
Voor het onderbrengen van de tweede categorie – die met een vrije-tijdskarakter, zoals attractieparken – in het lage BTW-tarief waren volgens hem minder argumenten aan te voeren. Over het algemeen zijn die activiteiten meer commercieel gericht en over het algemeen worden die bezocht door mensen die het wel kunnen betalen. Uiteraard zou ook de CDA-fractie het liefste zien dat beide categorieën onder het lage BTW-tarief werden gebracht, maar als er vanwege budgettaire gevolgen een keuze moet worden gemaakt, gaf zij toch de voorkeur aan een laag BTW-tarief voor de eerste categorie.
Het tweede aspect betreft de subsidie op sociaal-culturele prestaties. Alles afwegende was de CDA-fractie tevreden met de verschillende stappen. Allereerst is de subsidie door particulieren vrijgesteld. Daarna is nog eens naar de subsidiëring door belaste ondernemers gekeken. Inderdaad moet ergens de grens worden getrokken en zij kon zich wel vinden in de door de staatssecretaris gekozen benadering, waarmee haars inziens ook de motie-Vliegenthart/Esselink (23 400-XVI, nr. 44) is uitgevoerd. Wel vernam zij nog graag of het overleg ter zake met het VOG inmiddels heeft plaatsgevonden.
In de derde plaats memoreerde de heer Reitsma het mondeling overleg d.d. 16 maart 1994 waarin hij met het toenmalige kamerlid Vermeend een oplossing heeft bepleit voor de BTW-problemen bij sportverenigingen en sociaal-culturele activiteiten. Voor de nu aangedragen oplossing had hij grote waardering. Ook is toen gevraagd de vrijstellingsgrenzen op te trekken van 25 000 voor diensten en 45 000/125 000 voor leveringen tot resp. 50 000 en 70 000/150 000. De toenmalige staatssecretaris wekte toen in ieder geval de indruk dat hij de argumentatie daarvoor zo redelijk vond dat men erop kon rekenen dat de grenzen zouden worden verhoogd. Wat is de stand van zaken? Indien deze staatssecretaris van plan is met een voorstel te komen, is het dan niet het overwegen waard daarin de een of andere vorm van indexering op te nemen?
Ten slotte herinnerde hij aan het in dat vorige overleg gehouden pleidooi om carnavalsactiviteiten onder te brengen in de categorie sociaal-culturele activiteiten. De door de staatssecretaris gesuggereerde forfaitaire oplossing leek hem niet optimaal. Waarom niet ruimhartig gekozen voor BTW-vrijstelling? Wet- of regelgeving verzet zich daar niet tegen.
Mevrouw Van Zuijlen (PvdA) wilde de discussie over een eventueel laag BTW-tarief voor culturele prestaties of voor prestaties die onder de noemer vrije-tijdsbesteding vallen plaatsen in het kader van het creëren van werkgelegenheid. Daarom heeft haar fractie ook gepleit voor een actief streven naar verlaging van het BTW-tarief op arbeidsintensieve diensten.
Nederland maakt als enige of een van de weinige lidstaten geen gebruik van de mogelijkheid om dat verlaagde tarief voor dergelijke activiteiten toe te passen. Beperkt zich dat in lidstaten die dat wel doen, overigens alleen tot culturele prestaties?
De kunstensector is een economisch vrij zwakke sector, waarvoor het BTW-instrument naast het subsidie-instrument een verlichting kan betekenen. Zijn van een BTW-verlaging ook werkgelegenheidseffecten te verwachten?
In de brief van 30 maart 1994 wordt gesteld dat uit internationale concurrentie-overwegingen de BTW-component van de toegangskaartjes van bijvoorbeeld popfestivals zou kunnen worden verkleind, maar dat speelt toch ook bij verschillende andere vormen van vrije tijdsbesteding, zoals pretparken, sportmanifestaties, circussen, met name in de grensstreken. Bijvoorbeeld voor Euro Disney past Frankrijk al het nul-tarief toe. Kunnen die nadelige concurrentie-effecten worden gekwantificeerd, ook qua werkgelegenheid?
In hoeverre is het overigens mogelijk een mogelijke BTW-verlaging te richten op bepaalde groepen, zoals starters? Is een beperking mogelijk tot bijvoorbeeld Nederlandse nog in leven zijnde kunstenaars? Zo kan worden voorkomen dat de positieve effecten wegvloeien naar Amerikaanse filmproducenten of produkties van Endemol. Op zich hoeft er niets verkeerds te zijn aan verlaging van het BTW-tarief voor bioscoopkaartjes, maar daar zal dan wel meer werkgelegenheid tegenover moeten staan. De sector zou de opbrengst dan moeten investeren in Nederlandse filmprodukties. Als daartoe de bereidheid bestaat, zou daarvoor een convenant kunnen worden gesloten. Zijn dergelijke afspraken ook in het buitenland gemaakt? Zo neen, hoe kan dan worden gecontroleerd of de sector die opbrengst daadwerkelijk zo inzet?
Een vaak genoemde voor de hand liggende dekking is compensatie van verlaging van het BTW-tarief in subsidies aan producenten. Als dat geen bevredigende oplossing is, hebben de bewindslieden dan een andere suggestie?
Ook mevrouw Van Zuijlen onderschreef de aangedragen oplossing voor budgetsubsidies. In verreweg de meeste gevallen kan BTW-heffing achterwege blijven, behoeven er geen compenserende maatregelen te worden genomen, blijven de effectiviteit van de subsidieverstrekking en van de voorziening gehandhaafd en wordt het rondpompen van geld voorkomen.
Er worden drie uitzonderingen genoemd waarin de subsidie toch belast is. Mevrouw Van Zuijlen nam aan dat in die gevallen geen compensatie plaatsvindt en vroeg zich af of met de aangedragen oplossing Überhaupt geen compensatie meer zal plaatsvinden. In sommige gevallen blijft een uitspraak van de belastingdienst noodzakelijk. Wordt daarmee een bepaalde eenheid belast ten einde een zo groot mogelijke eenheid van beleid te bereiken?
Aangezien de omvang van de compensatieproblematiek nog niet voldoende duidelijk is en ook niet in welke mate de uitzonderingsgevallen nog zullen voorkomen, achtte zij het van belang dat de uitvoering van het beleid regelmatig wordt geëvalueerd.
Ten slotte vroeg zij nog of het voorgestane beleid gevolgen kan hebben voor subsidies die door de marktsector aan universiteiten (de zgn. derde geldstroom), sporters of cultuurinstellingen worden gegeven. Zijn ongeclausuleerde subsidies wellicht niet BTW-plichtig en geclausuleerde subsidies wel?
De heer Van Rey (VVD) memoreerde de inbreng van zijn fractievoorzitter bij de algemene beschouwingen waarin deze stelde dat cultuur beschaving brengt en ook een teken van beschaving is. Dat was niet voor het eerst dat de VVD-fractie aandacht aan cultuur besteedde. Vervolgens herinnerde hij aan de motie-Beinema/Niessen/Nuis (22 800-XVI, nr. 79) die ertoe strekte om voor de cultuursector het lage BTW-tarief toe te passen. Vanwege budgettaire consequenties, nadelige effecten voor grensoverschrijdende activiteiten en precedentwerking – redenen waarom de VVD-fractie toen tegen die motie heeft gestemd – is dat niet doorgegaan.
Gaat de voorkeur van de staatssecretaris van OCW uit naar een lager BTW-tarief voor alle activiteiten met een cultuurbestemming – zo ja, waar haalt de staatssecretaris van Financiën de daarvoor benodigde middelen vandaan? – of voor bepaalde activiteiten? Waarom staan de muziekscholen er overigens niet bij? Die zijn nog steeds BTW-plichtig, al heeft het vorige kabinetsperiode gelukkig het muziekonderwijs tot aan het 21e jaar van BTW vrijgesteld. Maar op die leeftijd houdt het belang van deze vorm van onderwijs toch niet op? De VVD-fractie is ervan overtuigd dat een laag BTW-tarief ook de werkgelegenheid ten goede komt, want niet voor niets heeft zij er tijdens de laatste algemene beschouwingen op gewezen dat geld geïnvesteerd in cultuur voor 90% in werkgelegenheid wordt vertaald.
Wat betreft de tweede categorie (activiteiten met een vrijetijdskarakter, zoals attractieparken) bestreed de heer Van Rey dat daar toch mensen komen die het kunnen betalen. Vooral mensen met de kleine beurs gaan naar dergelijke parken en daarom is er in het verleden ook de aandacht voor gevraagd. Ziet de staatssecretaris van Financiën mogelijkheden om ook die categorie onder het lage tarief te brengen? Nederland is nog het enige land ter wereld dat deze activiteiten met het hoge tarief belast!
Op een gegeven moment hebben carnavalsverenigingen de VVD-fractie benaderd met het verzoek te bezien wat er aan het hoge BTW-tarief kon worden gedaan. Zij heeft dat verzoek toen naar het kabinet doorgestuurd en kan zich vinden in de suggestie van de staatssecretaris. Wel was zij van mening dat ook in dezen het gelijkheidsbeginsel moet worden toegepast en dus elke inspectie dezelfde gedragslijn volgt. Voor een gelijkstelling met sportverenigingen voelde zij niet veel, niet alleen omdat zij geen idee heeft van de financiële consequenties daarvan, maar ook al vanwege mogelijke concurrentievervalsing met reguliere activiteiten.
De heer Ybema (D66) zag graag dat culturele manifestaties voor zo ver de budgettaire mogelijkheden dat toelaten onder het lage BTW-tarief werden gebracht. Als er keuzes moeten worden gemaakt, gaf zijn fractie de voorkeur aan de eerste categorie, de activiteiten met een cultuurbestemming. Kan de staatssecretaris van OCW aangeven waar zijn beleidsinhoudelijke prioriteiten liggen? Verwacht de staatssecretaris van Financiën dat hij in deze kabinetsperiode nog met concrete voorstellen ter zake kan komen?
Hij vond het een goede zaak dat de al vijf jaar durende discussie over de budgetsubsidies en de BTW-heffing door de zo breed gedragen suggesties van de werkgroep nu kan worden afgerond en het gevaar van het rondpompen van subsidiegelden effectief is bestreden. In dit kader memoreerde hij nog wel de namens zijn fractie gestelde vragen over het verschil in BTW-heffing tussen gesubsidieerde en niet gesubsidieerde kinderopvang. Naderhand hebben hem berichten bereikt dat dit verschil nog steeds voorkomt bij de thuiszorg, met name bij inschakeling van verpleegkundigen. Is de staatssecretaris bereid de beleidslijn die hij voor de kinderopvang heeft gekozen ook toe te passen op deze vorm van thuiszorg?
Het verheugde de staatssecretaris van Financiën dat de door de werkgroep uitgezette lijn brede instemming ondervindt en sloot zich van harte aan bij de complimenten voor het gedegen werk.
Als er vanwege de budgettaire beperkingen een keuze moet worden gemaakt, gaat de voorkeur van enkele fracties uit naar verlaging van de BTW voor de eerste categorie. De heer Reitsma bepleite daarenboven eventueel daarvoor beschikbare middelen in te zetten voor de meest culturele activiteiten, hetgeen de bewindsman maar vertaalde in de zwaarst gesubsidieerde activiteiten. Dat zouden dan de activiteiten onder de noemer schouwburgen, gezelschappen, zelfstandige kunstenaars en concerten zijn en daarmee zou een bedrag van ca. 8 mln. zijn gemoeid.
Aangezien hij tot op heden niets van het VOG heeft genomen, nam hij aan dat ook daar geen bezwaren tegen de gesuggereerde oplossingen bestaan.
Wat betreft de verhoging van de vrijstellingsgrenzen voor sportverenigingen en sociaal-culturele activiteiten zegde hij toe zo spoedig mogelijk met een concreet voorstel te komen met, indien nodig een adequate dekking voor de budgettaire gevolgen. Deze zal niet worden gezocht in de een of andere meevaller, maar binnen de BTW-sfeer zelf. De suggestie van de heer Reitsma om de grenzen te indexeren, zal daarbij zeker worden betrokken.
Voorts deelde hij mede dat hem na zijn aantreden geen problemen bij sportverenigingen bekend zijn geworden. Hij zal dat evenwel nog eens laten nagaan en de Kamer daarover zo nodig nader informeren.
Inderdaad heeft de VVD-fractie de staatssecretaris al in december benaderd met een aantal problemen van carnavalsverenigingen rondom de BTW. In het overleg van 16 maart 1994 is de vraag gesteld of deze verenigingen wellicht kunnen vallen onder de zgn. culturele vrijstellingen. De vorige staatssecretaris heeft dat afgewezen, mede vanwege de buitengewone diversiteit van de desbetreffende verenigingen. Naar aanleiding van het verzoek van de VVD-fractie was de bewindsman in overleg getreden met de Belastingdienst om binnen de wettelijke mogelijkheden te zoeken naar een oplossing. De gekozen forfaitaire benadering komt in vele opzichten zeker tegemoet aan de problemen. Hij zal nog overleg voeren met de bond van carnavalsverenigingen om te bezien met welke knelpunten deze verenigingen in de praktijk worden geconfronteerd. Op 24 februari a.s. zal in het kader van het gelijkheidsbeginsel met de belastingeenheden worden gesproken. De bewindsman voelde er niet voor om carnavalsverenigingen aan te merken als sociaal-culturele instellingen (o.a. een suggestie van CDA-fractievoorzitter Heerma) en ze van BTW vrij te stellen. Bij carnavalsverenigingen gaat het toch vooral om dranken en spijzen. Als daarvoor een BTW-vrijstelling wordt gegeven, zou dat concurrentievervalsing ten top zijn. De voorgestelde regeling komt zeker meer tegemoet aan de problemen dan het aanmerken als sociaal-culturele instellingen.
Inderdaad hanteren vele andere lidstaten van de Unie een laag BTW-tarief voor vrije-tijdsactiviteiten. Nederland kent voor kermissen, circussen en dierentuinen wel een verlaagd tarief. Het staat vrij om ook voor andere activiteiten een lager tarief te hanteren, maar dat zal altijd moeten worden afgewogen tegen andere prioriteiten en rekening houdend met de budgettaire mogelijkheden.
De werkgelegenheidseffecten van een BTW-verlaging voor Nederlandse kunstenaars kon de bewindsman moeilijk inschatten. Ze zullen er zeker zijn, maar niet eenduidig en overal in dezelfde mate. Een BTW-verlaging kan zich op verschillende manieren vertalen. Degenen die de kaartjes verkopen kan de prijzen verlagen of de BTW-verlaging in eigen zak stoppen of herinvesteren. Afhankelijk van de prijselasticiteit van de vraag kan een prijsverlaging leiden tot een grotere afzet. Uit concurrentie-oogpunt kan BTW-verlaging voor de Efteling voordelig uitpakken qua bezoekersaantal, maar dat is toch met name afhankelijk van de mate waarin de prijs bepaalt welk park men bezoekt: de Efteling of dat park vlak over de Belgische grens? Echter, ook hier bepalen de budgettaire mogelijkheden de prioriteiten.
Een BTW-verlaging kan niet specifiek worden gericht op bijvoorbeeld nog in leven zijnde Nederlandse kunstenaars, omdat dat discriminatie zou zijn.
In feite wordt met de gesuggereerde systematiek ter zake van budgetsubsidies geen compensatie meer geboden. Tegen een regelmatige evaluatie had de bewindsman uiteraard geen bezwaar.
De bewindsman zegde toe de situatie bij de thuiszorg te zullen bezien en na te gaan wat de beleidswijziging inzake de kinderopvang betekent voor die thuiszorgsector en dat hij de Kamer daarover zo spoedig mogelijk schriftelijk zal rapporteren.
Ten slotte merkte hij nog op dat het geen verschil uitmaakt of een subsidie afkomstig is uit de markt- of uit de collectieve sector en dat de vraag of de betrokken sporter ondernemer is, bepalend is voor het al dan niet BTW-plichtig zijn.
De heer Witteveen (directeur-generaal Fiscale Zaken) voegde daar nog aan toe, dat het voor een ondernemer aantrekkelijk is iemand te contracteren die eveneens ondernemer is en dus BTW-plichtig is. Bij de derde geldstroom, die van een onderneming naar een universiteit gaat, zal het bedrijf blij zijn als hij een rekening inclusief BTW krijgt, want die kan hij weer verrekenen. In totaal is dat voordeliger dan wanneer hij een rekening zonder BTW zou krijgen, want dan zouden de universiteiten de BTW die bij het onderzoek verschuldigd zijn voor o.a. de computers, andere apparatuur en gebouwen, ook niet kunnen aftrekken.
De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen memoreerde het schrijven van het vorige kabinet waarin werd gesteld dat een verlaagd BTW-tarief voor culturele prestaties wel mogelijk was, maar dat daarvoor geen middelen konden worden gevonden. Met zijn collega van Financiën was hij bereid die middelen eendrachtig te zoeken en was ook hij ervan overtuigd dat die in ieder geval gedeeltelijk zullen worden gevonden.
Als dat lukt, zou ook hij de voorkeur geven aan verlaging van het BTW-tarief voor de eerste categorie. Daarbij spelen overwegingen inzake de ruimte van het cultuurbudget een belangrijke rol, daarin gesteund door de al gememoreerde opmerkingen van de VVD-fractievoorzitter die ook sprak over «cultuur in de plus» nadat was gebleken dat het cultuurbudget in het regeerakkoord van een min was voorzien.
Zoals de staatssecretaris van Financiën al zei zal met verlaging van de BTW voor dat deel van de eerste categorie – die met de «hoogste cultuurwaarde en subsidiëring» – zo'n 8 mln. zijn gemoeid, hetgeen natuurlijk mooi is meegenomen, maar zeker geen afdoende antwoord is op de bestaande problemen. Inderdaad wordt dan gedacht aan mogelijkheden zoals mevrouw Van Zuijlen schetste. Als aan ook aan het andere deel van de eerste categorie wordt gedacht, zou voor verlaging van de BTW een argument kunnen zijn de bereidheid van de betreffende sector om een deel van de opbrengst aantoonbaar terug te sluizen in investeringen in nieuwe stromingen in de cultuur en de kunst. Hoe dat vorm moet worden gegeven, is nog niet duidelijk, maar wordt thans wel nauwgezet bezien.
Een verlaging van de BTW voor de bioscoopsector vergt per jaar zo'n 18 mln. Dat kan inderdaad ten goede komen aan de bezoekers, waardoor het aantal zal stijgen. Het kan ook ten goede komen aan producenten of distributeurs. Nu is de bioscoopsector in Nederland over het algemeen een niet erg florissante sector die zeer hard investeringen nodig heeft. Het leek de bewindsman dan ook vrij zeker dat de opbrengst van een BTW-verlaging voor een groot deel zal worden besteed aan investeringen in de infrastructuur van de bioscoopsector. Als dan bovendien nog kan worden bewerkstelligd dat de sector de helft van de opbrengst terugsluist naar bijvoorbeeld het Filmfonds, dan worden de vele jonge filmers ook in staat gesteld hun werk te maken.
De heer Reitsma was de bewindslieden erkentelijk voor hun bereidheid om eendrachtig te zoeken naar financiële ruimte om de BTW voor in ieder geval enkele activiteiten met een cultuurbestemming te verlagen en wachtte met belangstelling de resultaten van hun inspanningen af. Hij zag graag dat de staatssecretaris belast met cultuur de commissie voor Cultuur voorstellen voorlegt voor een concrete en effectieve besteding van deze middelen.
Hij dankte vervolgens de staatssecretaris van Financiën voor zijn toezegging om de vrijstellingsgrenzen voor sportverenigingen en sociaal-culturele activiteiten daadwerkelijk te verhogen en om daarbij de mogelijkheid van indexering te bezien.
Hij herhaalde zijn wens om activiteiten van carnavalsverenigingen, zoals entree, contributie, giften, donaties, algemene subsidies, e.d., te bezien als behorende bij bijlage B bij het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting ex art. 11, lid 1, onderdeel f, dus in feite het nul-tarief. Daaronder zijn ook activiteiten van bijvoorbeeld sportverenigingen ondergebracht. Objectief bezien lijken er voldoende redenen te zijn om de reguliere activiteiten van carnavalsverenigingen, die toch sterk sociaal-cultureel van aard zijn, ook daar onder te brengen. Het zijn geen ondernemers en maken geen winst. Als zij hun eventuele vermogen voor datzelfde doel gebruiken en er geen sprake is van concurrentievervalsing het gaat dus niet om spijzen en drank – dan zag hij geen enkele reden om activiteiten van carnavalsverenigingen niet te brengen onder de definitie van sociaal-culturele activiteiten. Net als bij sportverenigingen met hun kantines kan er bij carnavalsverenigingen een onderscheid worden gemaakt tussen de sociaal-culturele activiteiten en hun activiteiten in het kader van de kantines. In dat kader verwees hij nog naar een schrijven dat KPMG in februari 1994 op verzoek van de Bond van carnavalsverenigingen aan de staatssecretaris van Financiën heeft gestuurd. Met de strekking van zijn antwoord kon de heer Reitsma het niet eens zijn.
Mevrouw Van Zuijlen wachtte met belangstelling concrete voorstellen van de staatssecretaris van Cultuur af.
Zij was het eens met de idee om een eventuele dekking van de BTW-verlaging te zoeken in reparatiewetgeving in het kader van oneigenlijk gebruik.
Zij hoopte dat bij de evaluatie blijkt dat de uitgangspunten van de werkgroep, vooral wat betreft de uniformiteit van beleid, nog recht overeind staan.
Ten slotte ondersteunde zij het streven naar een oplossing voor de problemen waarmee carnavalsverenigingen in het kader van de BTW-heffing worden geconfronteerd.
De heer Van Rey stipuleerde dat de grootste bron van inkomsten van carnavalsverenigingen toch die van dranken en inkomsten is en in dat licht gezien vreesde hij met de staatssecretaris van Financiën het risico van concurrentievervalsing. De gekozen forfaitaire benadering zal voor sommige carnavalsverenigingen misschien wat nadelig zijn, maar over het algemeen zullen deze verenigingen er heel goed mee uit de voeten kunnen. Inderdaad is negatief beslist op de brief van KPMG van februari 1994, maar dat was wel de vorige staatssecretaris van Financiën – overigens afkomstig van het CDA – en toen heeft de CDA-fractie er niet op gereageerd.
De suggestie van de heer Reitsma zal in ieder geval nadelig uitwerken voor carnavalsverenigingen die het grootste deel van hun inkomsten uit de verkoop van drank- en spijzen krijgen. Uiteraard zullen er nog wel enkele knelpunten overblijven, maar de heer Van Rey was ervan overtuigd dat die in overleg met de Bond van carnavalsverenigingen best tot een oplossing kunnen worden gebracht.
Hij verwees ten slotte naar de zgn. bijlage H – de lijst van levering van goederen en diensten waarop mogelijk een verlaagd BTW-tarief kan worden toegepast – waarover in het verleden veelvuldig is gesproken. Is daarover al binnen de Ecofin verder gesproken? Zo neen, wanneer zal dat dan gebeuren? Dat is mede van belang voor de arbeidsintensieve diensten.
Ook de heer Ybema waardeerde de inspanningen van beide bewindslieden om door verlaging van het BTW-tarief de cultuur ook inhoudelijk te stimuleren. Hij verwachtte dit jaar nog concrete voorstellen daartoe.
Hij dankte de staatssecretaris van Financiën nog voor zijn toezegging om de thuiszorg nader te bezien en daarover schriftelijk te rapporteren.
De staatssecretaris van Financiën gaf de heer Van Rey toe dat de suggestie van de heer Reitsma voor de carnavalsverenigingen over het algemeen niet voordelig uitwerkt. Aangezien de praktische uitwerking van de forfaitaire benadering blijkbaar niet iedereen helder voor ogen staat, leek het hem zinvol de Kamer binnen enkele dagen op schrift te adstrueren hoe het kabinet denkt de knelpunten op te lossen en wat daarvoor de voor- en nadelen zijn. Die brief kan dan ook dienen voor het voorziene gesprek met de verschillende Belastingeenheden en met de Bond van carnavalsverenigingen.
De bewindsman had gehoopt dat het evaluatierapport van de Europese Commissie een opening bood voor verlaging van het BTW-tarief op arbeidsintensieve diensten, maar de Commissie heeft daar helemaal geen aandacht aan besteed. Hij had al toegezegd deze kwestie opnieuw aan de nieuwe Commissie voor te leggen, maar dat hij niet hoopvol gestemd was, omdat de steun bij andere lidstaten niet groot is en zelfs in enkele opzichten helemaal afwezig is. Hij zal het in ieder geval aankaarten, maar wil zeker geen valse hoop wekken.
De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen voegde er nog aan toe dat hij goede hoop heeft nog dit voorjaar met concrete voorstellen te kunnen komen, in ieder geval met nadere berichten ter zake.
Ten slotte wilde hij nog kwijt dat naarmate dit overleg vorderde hij steeds meer moest denken aan het boek van Menno ter Braak met de titel «Carnaval der burgers». Bij lezing ervan bleek hem ook dat uiteindelijk over kunst te gaan.
De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën,
Ybema
De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
M. M. H. Kamp
De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
Van Nieuwenhoven
De griffier voor dit verslag,
Van Overbeeke
Aan de Voorzitter van de vaste commissie voor Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal
In verband met het voor 16 juni a.s. vastgestelde overleg met uw commissie en de vaste commissie voor Financiën wil ik, mede namens de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, u graag nader informeren inzake de BTW-heffing bij budgetsubsidies.
Zoals u bekend is, werkt een werkgroep al geruime tijd aan een eindrapport inzake de problematiek van BTW-heffing met betrekking tot budgetsubsidies. Deze werkgroep, waarin wordt deelgenomen door het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de Vereniging van Ondernemingen in de Gepremieerden gesubsidieerde sector (VOG), het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, het Ministerie van Binnenlandse Zaken en het Ministerie van Financiën, heeft inmiddels een concept-eindrapport samengesteld.
Bij de bespreking van het concept-eindrapport in de werkgroep hebben de vertegenwoordigers van IPO, VNG, VOG, Binnenlandse Zaken en Financiën te kennen gegeven dat zij zich kunnen verenigen met de inhoud van het concept-eindrapport. De vertegenwoordigers van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur hebben echter aangegeven dat het concept-eindrapport naar hun oordeel nog onvoldoende duidelijkheid biedt voor met name de subsidies die Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur verstrekt aan BTW-ondernemers. In verband hiermee voert Financiën thans bilateraal overleg met Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur teneinde te komen tot een zodanige aanpassing van het concept-eindrapport dat dit ook naar het oordeel van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur voldoende duidelijkheid biedt. Het overleg met Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur bevindt zich thans in zijn laatste fase. Zodra het overleg met Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur is afgesloten, zal de werkgroep plenair bijeenkomen teneinde het eindrapport af te werken en vast te stellen. Aansluitend zal de werkgroep het eindrapport aan de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en mij aanbieden.
Nadat vervolgens het IP, de VNG en de VOG bestuurlijk hun oordeel hebben kunnen geven omtrent het eindrapport zal dit de Tweede Kamer worden aangeboden.
2. Strekking concept-eindrapport
Nu het eindrapport nog niet is afgerond en het IPO, de VNG en de VOG nog niet hun bestuurlijk oordeel hebben kunnen geven omtrent de inhoud van het eindrapport, is het mij niet mogelijk u thans reeds een notitie aan te bieden ter bespreking. Wel kan ik, op basis van de informatie die de werkgroep mij heeft verstrekt, u in algemene zin informeren over de onderwerpelijke aangelegenheid.
De problematiek is naar het oordeel van de werkgroep zeer complex van aard. Deze complexiteit wordt in het bijzonder opgeroepen door de veelheid en verscheidenheid aan subsidies en subsidieregelingen. Daarnaast speelt een rol dat de overheid in verschillende hoedanigheden optreedt. Enerzijds wendt de overheid een deel van de beschikbare middelen aan voor bestedingen ten eigen nutte, anderzijds wendt zij een deel van de beschikbare middelen aan om anderen te stimuleren handelingen te verrichten of achterwege te laten.
De complexiteit van de problematiek is er debet aan dat het niet mogelijk is gebleken een «beslissingstabel» te ontwikkelen aan de hand waarvan in elke concrete situatie op basis van de zich voordoende feiten steeds op eenvoudige wijze een standpunt kan worden geformuleerd. Dat het niet eenvoudig is om criteria te ontwikkelen voor de vraag of een bepaalde subsidie al dan niet aanleiding geeft tot BTW-heffing moge ook blijken uit de ter zake door anderen ingestelde onderzoeken. Ik heb hierbij het oog op het in opdracht van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur uitgevoerde onderzoek van prof. dr. B. J. M. Terra en het onderzoek van het Instituut voor Onderzoek van Overheidsuitgaven (IOO). Beide onderzoeken bevatten de conclusie dat beoordeling van geval tot geval dient plaats te vinden aan de hand van de feiten en omstandigheden.
Aan de hand van een uitvoerige analyse van de jurisprudentie is de werkgroep er echter in geslaagd een aantal uitgangspunten te formuleren. Deze uitgangspunten, welke een waardering inhouden van de feiten en omstandigheden die zich in een concreet geval voordoen, bespreek ik hierna kort in de onderdelen 2.1 tot en met 2.3.
2.1. Subsidiëring particulieren, lagere overheden e.d.
De werkgroep heeft vastgesteld dat BTW-heffing alleen in aanmerking kan komen bij subsidieverstrekking aan BTW-ondernemers. Dit betekent dat verstrekking van subsidies aan particulieren en lagere overheden (Rijk aan provincie of gemeente, provincie aan gemeente) alsook interne subsidiëring (bijvoorbeeld subsidie van een gemeente aan een gemeentelijke bibliotheek) geen aanleiding geeft tot BTW-heffing.
Bij het verstrekken van subsidies aan BTW-ondernemers kan vervolgens een onderscheid worden gemaakt tussen de ondernemers die voor de BTW vrijgestelde prestaties verrichten en ondernemers die met BTW belaste prestaties verrichten.
2.2. Subsidiëring vrijgestelde ondernemers
Met betrekking tot de eerste categorie BTW-ondernemers, degene die vrijgestelde prestaties verrichten, heb ik reeds eerder het standpunt ingenomen dat deze geen BTW zijn verschuldigd over de subsidies welke zij aanwenden ten behoeve van hun vrijgestelde activiteiten. Hierbij kunt u onder andere denken aan budgetsubsidies verstrekt aan instellingen in de gezondheidssector, sportorganisaties, sociaal-culturele instellingen, zoals kruisverenigingen, consultatiebureaus voor alcohol en drugs, dagverblijven voor gehandicapten, instellingen werkzaam op het gebied voor club- en buurthuiswerk en het jeugd- en jongerenwerk, openbare musea, bejaardenoorden en onderwijsinstellingen.
Het verlenen van budgetsubsidies aan deze instellingen ondervindt derhalve geen belemmering op grond van de BTW-regelgeving.
In dit verband merk ik overigens nog op dat er bij Financiën veel verzoeken zijn ingediend door instellingen uit de sociaal-culturele sector om in aanmerking te komen voor opname in de lijst van instellingen die zijn vrijgesteld van BTW-heffing. Op veel van deze verzoeken is al positief beslist. Hiermee is voor deze instellingen duidelijkheid verschaft, subsidiëring zal bij hen geen aanleiding geven tot BTW-heffing.
2.3. Subsidiëring belaste ondernemers
Bij subsidies verstrekt aan ondernemers die voor de BTW belaste prestaties verrichten, betreft de vraag of de subsidie tot BTW-heffing leidt, in het bijzonder de subsidieverstrekking aan bibliotheken, musea voor wat betreft de wisselende collecties (met betrekking tot de vaste collectie geldt een vrijstelling), theater- en bioscoopexploitanten, toneel- en muziekgezelschappen en kunstenaars.
Met betrekking tot het verstrekken van budgetsubsidies aan ondernemers die belaste prestaties verrichten, zoals theaterexploitanten, bibliotheken en orkesten, meent de werkgroep dat subsidies in veel gevallen worden verstrekt uitsluitend met het oog op of alleen invloed hebben op de wijze waarop de gesubsidieerde zijn bedrijfsuitoefening inricht (de zgn. instandhoudings- en stimuleringssubsidies). In dit kader kan worden genoemd het arrest van de Hoge Raad van 22 december 1993, nr. 29 288. Daarin oordeelde dit rechtscollege aan de hand van de feiten en de verhouding tussen partijen dat een subsidie, verstrekt aan de exploitant van een theater, niet met BTW was belast. De werkgroep meent dat de hier bedoelde vorm van budgetsubsidieverlening geen aanleiding behoeft te geven tot BTW-heffing. Daarnaast is de subsidiënt in veel gevallen van budgetsubsidiëring niet rechtstreeks gebaat bij de activiteiten welke met behulp van de subsidie worden verricht. Uit dien hoofde is er geen voor de BTW-heffing noodzakelijke prestatie tegen vergoeding, aldus de werkgroep.
Deze denkrichting van de werkgroep zou gemeenten en andere subsidiënten naar mijn mening mogelijk voldoende soelaas bieden om de dreiging van BTW-heffing over budgetsubsidies af te wenden. Indien immers bij de vormgeving van de subsidiëring de wijze van inrichting van de bedrijfsvoering van de gesubsidieerde beoogd is en de subsidiënt voorts niet zelf rechtstreeks is gebaat bij de gesubsidieerde activiteiten, zal BTW-heffing niet aan de orde komen. Uit dat oogpunt heeft Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur haar subsidieregelingen voorgelegd aan Financiën. De eerste taxatie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en Financiën is dat, gelet op de voorwaarden die door Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur aan subsidieverstrekking worden verbonden, BTW-heffing over deze subsidies in het algemeen niet in de rede ligt. Een definitief standpunt wordt voorbereid ten behoeve van het eindrapport van de werkgroep. Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en Financiën zitten wat de uitgangspunten betreft op één lijn. De (juridische) uitwerking is echter weerbarstig waardoor de afronding de nodige tijd vergt.
Meer in het algemeen is de werkgroep met betrekking tot de budgetsubsidies van oordeel dat BTW-heffing bij budgetsubsidies mogelijk alleen in bijzondere situaties in aanmerking kan komen. In dit verband noem ik het arrest van de Hoge Raad van 23 juni 1993, nr. 28 613, inzake de bouw van een parkeergarage. Deze beslissing betrof een situatie waarin een gemeente een subsidie verstrekte ten behoeve van de bouw van een parkeergarage. Het Hof en de Hoge Raad oordeelden dat met het realiseren van de parkeergarage een prestatie jegens de betrokken gemeente was verricht. Bij een besteding/inkoop door de overheid, waarvan hier naar het oordeel van de Hoge Raad sprake was, vindt terecht BTW-heffing plaats.
3. Motie Vliegenthart/Esselink
Tijdens de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur voor 1994 hebben mevrouw Vliegenthart en de heer Esselink een motie ingediend inzake BTW-heffing op budgetsubsidies. In die motie wordt de regering verzocht ter zake af te zien van BTW-heffing dan wel compensatie te bieden voor eventuele BTW-heffing. Deze motie is op 22 december 1993 door de Tweede Kamer aangenomen.
Van de zijde van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur is te kennen gegeven dat de inzet van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur is het handhaven van de budgettaire neutraliteit, hetgeen betekent dat er geen aantasting van het voorzieningenniveau mag plaatsvinden. Dit kan worden gerealiseerd door subsidies van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur niet met BTW te belasten dan wel door budgettaire compensatie. Dit standpunt heeft de Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur ook aan de Tweede Kamer bekend gemaakt in haar reactie op de motie-Vliegenthart/Esselink.
Wat betreft de eventuele compensatie bij BTW-heffing wil ik eerst het eindrapport van de werkgroep afwachten. Gelijk ik hiervoor reeds als benadering van de werkgroep heb weergegeven, ligt het immers in het algemeen in de rede dat budgetsubsidies geen aanleiding geven tot BTW-heffing. Nadat bestuurlijk overleg met het IPO, de VNG en de VOG heeft plaatsgevonden, zal dit aspect in overleg met de andere betrokken bewindsmensen nader worden bezien.
4. Informeren vaste commissie voor Financiën
De Voorzitter van de vaste commissie voor Financiën heb ik overeenkomstig het vorenstaande geïnformeerd.
De Staatssecretaris van Financiën,
M. J. J. van Amelsvoort
Aan de Voorzitter van de vaste commissie voor Financiën uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Hierbij doe ik u toekomen de notitie inzake BTW-heffing en subsidieverstrekking.
Deze notitie is geschreven door een werkgroep waarin werd deelgenomen door het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de Vereniging van Ondernemingen in de Gepremieerde en gesubsidieerde sector (VOG), het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, het Ministerie van Binnenlandse Zaken en het Ministerie van Financiën.
De conclusies en aanbevelingen van de werkgroep onderschrijf ik volledig. In de gesprekken die ik ter zake heb gevoerd met de bewindspersonen van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en Binnenlandse Zaken hebben deze mij te kennen gegeven dat zij eveneens instemmen met de conclusies en aanbevelingen van de werkgroep. Naar hun oordeel geven deze conclusies en aanbevelingen, tezamen met de in de notitie aangegeven uitgangspunten, goed hanteerbare richtlijnen voor de praktijk als gevolg waarvan veel twijfels zijn weggenomen, met name voor wat betreft de budgetsubsidiëring.
Ook het IPO, de VNG en de VOG kunnen zich in algemene zin zeer wel vinden in de conclusies en aanbevelingen van de werkgroep. Wel is van de zijde van de VOG nog aangegeven dat de formele afronding van de oordeelsvorming binnen de VOG nog moet plaatsvinden.
Ik geef u hierna nog kort even de hoofdlijnen van de conclusies in bijgaande notitie.
Met betrekking tot de budgetsubsidies die worden verstrekt aan ondernemers die bepaalde vrijgestelde prestaties verrichten, kan het standpunt worden ingenomen dat BTW-heffing achterwege kan blijven, mits de subsidie wordt aangewend ten behoeve van die vrijgestelde prestaties. Mijn ambtsvoorganger heeft deze gedachte al eerder onderschreven. Met deze benadering wordt reeds een belangrijk deel van de in de praktijk door gemeenten, provincies en andere subsidiënten gevoelde problematiek weggenomen. Op grond van dit uitgangspunt zal BTW-heffing namelijk niet aan de orde komen bij het verstrekken van budgetsubsidies aan onder andere instellingen in de gezondheidssector, sportorganisaties, onderwijsinstellingen en instellingen in de sociaal-culturele sector. Als voorbeelden van deze instellingen kunnen worden genoemd kruisverenigingen, consultatiebureaus voor alcohol en drugs, dagverblijven voor gehandicapten, instellingen werkzaam op het gebied van het club- en buurthuiswerk en het jeugd- en jongerenwerk, openbare musea en bejaardenoorden.
Bij het verstrekken van budgetsubsidies aan ondernemers die met BTW belaste prestaties verrichten, betreft de vraag of de subsidie aanleiding geeft tot BTW-heffing, in het bijzonder de subsidieverstrekking aan bibliotheken, musea voor wat betreft de wisselende collecties (met betrekking tot de vaste collectie geldt een vrijstelling), theater- en bioscoopexploitanten, toneel- en muziekgezelschappen en kunstenaars. In bijgaande notitie wordt geconcludeerd dat in veel gevallen sprake is van subsidies die worden verstrekt uitsluitend met het oog op casu quo alleen invloed hebben op de wijze waarop de gesubsidieerde zijn bedrijfsuitoefening in algemene zin inricht. In feite is budgetsubsidiëring een vorm van subsidieverstrekking waarbij bestaande subsidieregeling en subsidieverhoudingen ter afdekking van exploitatietekorten worden aangepast teneinde een meer effectieve aanwending van overheidsgelden te bewerkstelligen. Bij budgetsubsidiëring wordt de subsidie op een bepaalde wijze in relatie gebracht met de activiteiten van de gesubsidieerde instelling. Zo worden in de praktijk door o.a. gemeenten en provincies afspraken gemaakt over het aanbod dat de subsidiënt zal verzorgen. Een muziekgezelschap zal bijvoorbeeld een bepaald minimum aantal voorstellingen verzorgen, een bibliotheek zal bepaalde categorieën boeken in de collectie opnemen, bepaalde openingstijden in acht nemen, streven naar een bepaalde mate van gebruik van bibliotheekvoorzieningen enz. Met het maken van deze en vergelijkbare afspraken wordt, bezien vanuit de BTW-optiek, echter nog geen principiële wijziging gebracht in de voorheen bestaande situatie waarin de overheid de exploitatiekorten afdekte. Er is in deze gevallen dan ook geen sprake van een situatie die aanleiding geeft tot BTW-heffing. Wat betreft de subsidie van de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen op het terrein van respectievelijk welzijn en cultuur zij hier nog aan toegevoegd dat is geconcludeerd dat er evenmin aanleiding bestaat tot BTW-heffing met betrekking tot subsidieverstrekking op grond van het Besluit welzijn. Hetzelfde geldt voor de subsidieverstrekking op basis van het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen en de subsidieverstrekking door fondsen voor cultuur met een analoge toepassing van laatstgenoemd bekostigingsbesluit.
Hierbij wordt in de notitie nog wel aangetekend dat BTW-heffing mogelijk wel aan de orde kan komen als onder de naam budgetsubsidie bijdragen zouden worden verstrekt in een situatie waarin een ondernemer ten behoeve van de subsidiënt een recht opoffert, een beperking daarvan aanvaard dan wel een zaak afstaat. Als voorbeelden kunnen worden genoemd de verschillende ter zake in de landbouwsector bestaande regelingen, zoals het uitvoeren van een beheersovereenkomst. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat in zo'n situatie sprake is van een met BTW belaste prestatie. Van een dergelijke wijze van het verstrekken van budgetsubsidies door provincies en gemeenten is tot op heden overigens niet gebleken. Verder kan BTW-heffing aan de orde komen als onder de naam budgetsubsidie feitelijk een prijssubsidie wordt verstrekt. Ook daarvan is uit de beschikbare informatie niet gebleken dat deze in betekenende mate voorkomen. Evenmin valt uit de onderzochte informatie op te maken dat in het kader van budgetsubsidiëring sprake is van situaties waarin gesubsidieerden in opdracht dan wel op verzoek van de subsidiënt prestaties jegens derden verricht. Geconcludeerd wordt dan ook dat, behoudens uitzonderlijke situaties, er geen BTW is verschuldigd ter zake van het door gemeenten en provincies verstrekken van budgetsubsidies aan ondernemers die met BTW belaste prestaties verrichten. Het verstrekken van budgetsubsidies ondervindt ook in deze situaties dus geen belemmering als gevolg van de bestaande BTW-wetgeving.
De notitie bevat de volgende aanbevelingen:
a. het aan de Belastingdienst verstrekken van richtlijnen overeenkomstig de in de notitie geformuleerde uitgangspunten en conclusies;
b. het door de Staatssecretaris van Financiën/de Belastingdienst desgevraagd innemen van een standpunt inzake de belastbaarheid van een voorgelegde subsidie(regeling);
c. het door subsidiënten in hun besluit om subsidie te verstrekken mee laten wegen van de mogelijkheid dat bij bepaalde vormen van subsidieverstrekking BTW verschuldigd kan zijn.
De notitie heb ik eveneens gezonden aan de voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
De Staatssecretaris van Financiën,
W. A. F. G. Vermeend
Samenstelling: Leden: Schutte (GPV), De Korte (VVD), ondervoorzitter, Van Rey (VVD), Terpstra (CDA), Smits (CDA), Reitsma (CDA), Vliegenthart (PvdA), Ybema (D66), voorzitter, De Jong (CDA), Schimmel (D66), Van Gijzel (PvdA), Witteveen-Hevinga (PvdA), Hillen (CDA), Van Heemst (PvdA), Van Wingerden (AOV), Rabbae (GroenLinks), Giskes (D66), H. G. J. Kamp (VVD), Zonneveld (CD), Van Dijke (RPF), Hoogervorst (VVD), Van der Ploeg (PvdA), B. M. de Vries (VVD), Van Zuijlen (PvdA), Van Walsem (D66).
Plv. leden: Van der Vlies (SGP), Hofstra (VVD), Van Hoof (VVD), Hirsch Ballin (CDA), Van der Linden (CDA), Wolters (CDA), Noorman-den Uyl (PvdA), Bakker (D66), Van de Camp (CDA), Van Zijl (PvdA), Liemburg (PvdA), Boers-Wijnberg (CDA), Crone (PvdA), Verkerk (AOV), Rosenmöller (GroenLinks), Van Rooy (CDA), M. M. H. Kamp (VVD), Marijnissen (SP), Leerkes (Unie 55+), Voûte-Droste (VVD), Verspaget (PvdA), Hessing (VVD), Van Nieuwenhoven (PvdA).
Samenstelling: Leden: Van der Vlies (SGP), M. M. H. Kamp (VVD), voorzitter, De Cloe (PvdA), Janmaat (CD), Van Gelder (PvdA), ondervoorzitter, Van de Camp (CDA), Boers-Wijnberg (CDA), Huys (PvdA), Mulder-van Dam (CDA), Hendriks, Rabbae (GroenLinks), Jorritsma-van Oosten (D66), De Koning (D66), Koekkoek (CDA), J. M. de Vries (VVD), Hirsch Ballin (CDA), Liemburg (PvdA), Stellingwerf (RPF), Lambrechts (D66), Rijpstra (VVD), Cornielje (VVD), Cherribi (VVD), Dijksma (PvdA), Sterk (PvdA), Van Vliet (D66).
Plv. leden: Schutte (GPV), Dees (VVD), Valk (PvdA), Marijnissen (SP), Duivesteijn (PvdA), Beinema (CDA), Reitsma (CDA), Lilipaly (PvdA), Van der Hoeven (CDA), Verkerk (AOV), Sipkes (GroenLinks), Bakker (D66), Van 't Riet (D66), Deetman (CDA), Van Heemskerck Pillis-Duvekot (VVD), Lansink (CDA), Middel (PvdA), Leerkes (Unie 55+), Versnel-Schmitz (D66), Essers (VVD), Korthals (VVD), Van Erp (VVD), Van Nieuwenhoven (PvdA), Van Zuijlen (PvdA), Verhagen (CDA).
Samenstelling: Leden: Dees (VVD), Lansink (CDA), Schutte (GPV), De Korte (VVD), Van Nieuwenhoven (PvdA), voorzitter, Van der Heijden (CDA), ondervoorzitter, Van Heemskerck Pillis-Duvekot (VVD), M. M. H. Kamp (VVD), Doelman-Pel (CDA), Swildens-Rozendaal (PvdA), Vliegenthart (PvdA), Mulder-van Dam (CDA), Versnel-Schmitz (D66), Middel (PvdA), Leerkes (Unie 55+), Nijpels-Hezemans (AOV), Fermina (D66), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Dankers (CDA), Marijnissen (SP), Oudkerk (PvdA), Cherribi (VVD), Sterk (PvdA), Van Boxtel (D66), Van Vliet (D66).
Plv. leden: Cornielje (VVD), Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Van der Vlies (SGP), Essers (VVD), Lilipaly (PvdA), Esselink (CDA), Rijpstra (VVD), Voûte-Droste (VVD), Smits (CDA), Dijksman (PvdA), Houda (PvdA), Beinema (CDA), Van den Bos (D66), Vreeman (PvdA), Rouvoet (RPF), Boogaard (AOV), Van Waning (D66), Sipkes (GroenLinks), De Jong (CDA), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), J. M. de Vries (VVD), Noorman-den Uyl (PvdA), Hirsch Ballin (CDA), Bakker (D66).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-23675-2.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.