23 674
Instelling van een Raad voor de transportveiligheid

nr. 4
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VERKEER EN WATERSTAAT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 17 maart 1995

Naar aanleiding van de motie van het lid Dankers (23 674, nr. 3), voorgesteld in het nota-overleg van 13 maart 1995 met de Vaste Kamercommissie voor Verkeer en Waterstaat, merk ik het volgende op.

In het tweede gedeelte van de motie wordt de regering verzocht om in een wetsvoorstel tot instelling van de Transportongevallenraad de bevoegdheid voor deze raad op te nemen om aanbevelingen te doen terzake van de veiligheid in de daarbedoelde sectoren, ook zonder dat daaraan (een onderzoek naar) een ernstig ongeval ten grondslag ligt.

Ik acht het van belang dat er duidelijkheid bestaat over de hiergenoemde bevoegdheid. Zoals ik reeds in het nota-overleg heb aangegeven, kan de bevoegdheid tot het doen van aanbevelingen niet betreffen de brede beleidsadvisering, bijvoorbeeld over beleidsnota's, zoals deze nu tot de taak van de RVV behoort.

De aanbevelingen dienen mijns inziens te gaan over ongevalsgerelateerde situaties. Daarbij kan het ook gaan om bijna-ongelukken. Naar aanleiding van bijvoorbeeld een reeks van ongevallen of ongevallenonderzoek door een andere instelling dan de Transportongevallenraad, kunnen door laatstgenoemde aanbevelingen worden gedaan op het punt van de veiligheid in bedoelde sectoren.

Onderdeel b van de motie zou dan kunnen luiden:

b. de bevoegdheid op te nemen om aanbevelingen te doen terzake van de veiligheid in deze sectoren, voor wat betreft ongevalsgerelateerde situaties en bijna-ongelukken, ook zonder dat daaraan een onderzoek ten grondslag ligt.

Zolang de motie op dit punt niet duidelijk is kan ik deze niet uitvoeren, mede gelet op het kabinetsbeleid over het toekomstige adviesstelsel.

Ik zou de indieners dan ook in overweging willen geven de motie in bovenbedoelde zin bij te stellen.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

A. Jorritsma-Lebbink

Naar boven