Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 24 september 2013
Op 8 juli 2013 heeft de vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu mij verzocht
om een reactie te geven op een brief van de Vlaams-Nederlandse werkgroep Grensverkeer
van het Algemeen-Nederlands Verbond (ANV) dd. 2 juli 2013.
In deze brief pleit het ANV voor een goede kwaliteit van het grensoverschrijdend openbaar
busvervoer. In zijn algemeenheid ondersteun ik dat pleidooi van harte. Maar de bevoegdheid
om dit te realiseren ligt bij de decentrale overheden die de daartoe concessies verlenen.
Voorts zijn er geen belemmeringen in de wetgeving voor hetgeen het ANV wil.
Hieronder ga ik kort in op de vijf maatregelen die volgens het ANV moeten leiden tot
een kwaliteitsverhoging van grensoverschrijdend vervoer.
De eerste maatregel van het ANV betreft het tijdig aan de buren kenbaar maken van
en overleggen over voornemens voor nieuw beleid dat het grensvervoer beïnvloedt. Deze
aanbeveling is al voorgeschreven in de wet Personenvervoer 2000: concessieverleners
moeten het openbaar vervoer tussen aangrenzende concessie-gebieden met elkaar afstemmen.
Deze afstemming moet plaatsvinden voordat een concessie wordt verleend of gewijzigd.
Mijns inziens behoort overleg met buitenlandse concessieverleners of vervoerders hier
ook toe. Voor busdiensten die zich uitstrekken over de landsgrens dient overigens
een vergunning internationaal geregeld vervoer te worden aangevraagd bij de vergunningverlenende
instanties, conform de Europese verordening (EU) nr. 1073/2009. Voor afgifte daarvan
is instemming nodig van de bevoegde instanties, waaronder de decentrale overheden.
Gezien deze bepalingen lijkt me de 5de maatregel die is voorgesteld door het ANV om in ieder grensgebied een onafhankelijke
gezaghebbende adviseur aan te stellen die waar nodig actoren met elkaar verbindt niet
aan de orde.
Het ANV suggereert om extra eisen te stellen in de aanbesteding om daarmee het grensoverschrijdend
openbaar vervoer te stimuleren (tweede maatregel). Het gaat hierbij niet alleen om
het opnemen van aanvullende bepalingen bij de aanbesteding over vergroting van het
aanbod, betere aansluitingen en meer samenwerking aan weerszijden van de grens. Ook
andere bepalingen worden voorgesteld, zoals verrekening van de kosten en baten tussen
vervoerders van een grensoverschrijdende dienst, samenhang in de subsidieregeling
voor grensoverschrijdende trajecten en in tarieven en kortingen, inclusief het gebruik
van digitale tariefkaarten.
Zoals al is aangeven vallen al die zaken onder de bevoegdheid van de decentrale overheden.
Dat geldt ook voor de besluitvorming over de vereiste kwaliteit.
Overigens is de hierboven genoemde EU-verordening gericht op een liberalisering van
het grensvervoer (zie art. 25 lid 1) wat betreft de vergunningverlening en procedures.
Daarbij past overleg gericht op samenwerking beter dan het stellen van meer eisen,
zoals het ANV voorstelt.
De derde maatregel die het ANV voorstelt vraagt om gerichte EU-steun voor «interne
markt vriendelijke» vervoerinitiatieven, bijvoorbeeld in de steunprogramma’s en de
TRENT-programma’s. Het ANV suggereert om bij de beslissing tot steunverlening aan
projecten stelselmatig te toetsen of deze de specifieke noden van grensoverschrijdend
vervoer ten goede komen. Het ANV stelt tevens voor om, als met Europese steun infrastructuur
of spoorprojecten worden aangelegd, hier als eis aan te verbinden de grenstoeslag
voor grensoverschrijdend spoorvervoer af te schaffen. De verdeling van EU-geld valt
onder de invloedssfeer van de Europese Unie. De brief is dan ook terecht ook naar
de Europese Raad gestuurd.
Op dit moment wordt de Vlaamse vervoerder De Lijn als extern verzelfstandigd agentschap
van publiek recht gecompenseerd via de begroting van het Vlaamse Gewest, ongeacht
of het gaat om grensoverschrijdend vervoer of niet-grensoverschrijdend vervoer. In
die zin lijkt het moeilijk om de subsidieregeling te harmoniseren.
De vierde suggestie betreft het verzoek om zeer snel overleg te starten over compatibiliteit
en complementariteit van de aan weerszijden van de grens ontwikkelde digitale tariefkaarten.
Binnen Nederland is sprake van regionale tariefverantwoordelijkheid, waarvoor het
kader is gegeven in de Wet Personenvervoer. Deze regionale tariefvrijheid maakt het
mogelijk voor de concessieverleners (de decentrale overheden) om maatwerk te bieden
aan de reiziger en om in te kunnen spelen op de lokale/regionale behoefte van de reiziger.
Het is technisch mogelijk om tot (meer) compatibiliteit en complementariteit van de
aan weerszijden van de grens ontwikkelde tariefsystemen te komen. De decentrale overheden
kunnen dus, vanuit hun verantwoordelijkheid hiervoor, complementariteit en compatibiliteit
van aan weerszijden van de grens ontwikkelde digitale tariefkaarten organiseren. Ik
heb begrepen dat in de Euregio Maas Rijn op dit moment onderzoek wordt gedaan om te
kijken hoe, aan weerszijden van de grens opererende systemen te koppelen zijn. Een
ontwikkeling waar ik uiteraard positief tegenover sta.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,
W.J. Mansveld