Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1994-1995 | 23634 nr. 16 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1994-1995 | 23634 nr. 16 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Zoetermeer, 14 juli 1995
Bij deze wil ondergetekende u informeren omtrent zijn bevindingen bij de vormgeving van een algemene maatregel van bestuur voor een spaaroptie in de tempobeurs.
In de Wet van 29 september 1994, Stb. 704 is tijdens de kamerbehandeling van het betreffende wetsvoorstel bij amendement van het lid Lansink (kamerstukken II 1993/94, 23 634, nr. 10) de mogelijkheid geïntroduceerd om bij algemene maatregel van bestuur een spaarvariant voor de studievoortgangscontrole in te voeren.
In de memorie van antwoord bij de behandeling in de Eerste Kamer van dit wetsvoorstel heeft ondergetekende reeds het hieronder aangegeven communicerende-vatenmodel geschetst.
Bij gelegenheid van de nota naar aanleiding van het verslag inzake de prestatiebeurs (Kamerstukken II 1993/94, 24 094, nr. 8) heeft ondergetekende aangegeven, naar aanleiding van een vraag van de leden van de GPV-fractie, een tweetal varianten ter advisering aan de betrokken organisaties van instellingen en studenten te hebben voorgelegd. Ondergetekende heeft daarbij toegezegd de Kamer zo spoedig mogelijk na definitieve besluitvorming te informeren. Van deze gelegenheid wil hij thans gebruik maken.
Krachtens de Wet op de studiefinanciering (WSF) kunnen regels worden gesteld voor het sparen van studiepunten in het hoger onderwijs. Dit komt voort uit de wetgeving voor student op eigen benen.
Met de gespaarde studiepunten (boven de vastgestelde norm) kan een onvoldoende resultaat in enig ander studiejaar worden gecompenseerd. De omzetting van de hierdoor ontstane schuld betreft zowel de hoofdsom als de rente.
Op 21 maart jl. zijn aan de HBO-raad, de VSNU, de LSVb en het ISO een tweetal varianten voor een spaaroptie studievoortgang voorgelegd. De eerste variant was, zoals boven aangegeven, in STOEB-verband reeds publiek gemaakt, de tweede optie kon worden opgevat als expressie van voortschrijdend inzicht door het ontwikkelen van het wetsvoorstel voor de prestatiebeurs.
Een eerste uitgangspunt voor beide varianten was dat bij de uitwerking in de noodzakelijke amvb het informatieverkeer zo doelmatig mogelijk dient te worden ingericht. Voor beide varianten geldt dat de instellingen gehouden zijn tot opgave van de relevante gegevens aan de IB-Groep op verzoek van de studerende.
Een tweede uitgangspunt was dat in het te compenseren studiejaar in ieder geval tenminste 25% wordt gescoord. Het uitgangspunt dat spookstudie ten laste van de WSF tot het verleden moet behoren, blijft daarmee overeind.
Variant 1. Communicerende-vatenmodel
Deze variant gaat uit van de gedachte om zowel wat ruimte te maken om studiepunten mee te nemen naar een later studiejaar, als om een door onvoldoende studievoortgang in enig jaar ontstaan leenbedrag door extra studieprestaties alsnog in beurs te laten wijzigen.
Studiepunten in enig jaar behaald boven de 80% kunnen worden bijgeteld voor het resultaat in een later studiejaar.
Studiepunten in enig jaar behaald boven de 100% kunnen een onvoldoende resultaat in een voorbij jaar compenseren.
Studiepunten behaald in het jaar van afstuderen zijn niet «achteruit» spaarbaar; voor dat jaar geldt immers geen voortgangsnorm.
Geen voorziening wordt getroffen om latere omzetting naar beurs in enig jaar mogelijk te maken op basis van een eerdere score boven de 80% in combinatie met een latere score boven de 100%. Dit zou administratief te lastig uitpakken.
Deze variant heeft als uitgangspunt het behaalde einddiploma en beoogt daarmee zoveel mogelijk een spiegelbeeld te zijn van het diploma-model dat in het wetsvoorstel voor de prestatiebeurs (24 094) werd geïntroduceerd.
Het behalen van het einddiploma binnen een vastgestelde termijn wordt in deze optie als voorwaarde gesteld voor de omzetting van het leenbedrag uit het eerste studiejaar waarin de studievoortgangsnorm niet werd gehaald dat volgt op het eerste inschrijvingsjaar.
Voor de omzetting is vereist dat het einddiploma wordt behaald binnen een periode die gelijk is aan zes jaar vanaf het eerste moment van inschrijving in het Hoger Onderwijs. Indien de cursusduur langer is dan vier jaar wordt de periode van zes jaar met deze periode verlengd.
De uitgebrachte adviezen treft u in bijlage aan1. Geen van deze adviezen kan als steun voor de twee modellen worden gevoeld.
Als alternatief wordt door zowel het ISO als de LSVb voorgesteld om bij het behalen van 50% over de gehele gemengde studiefinancieringsperiode (C+1) eventuele negatieve temporesultaten te compenseren.
De VSNU stelt voor om een diplomavariant te introduceren zonder de genoemde beperkingen (25% nominaal/slechts één jaar na het eerste jaar compenseerbaar).
De HBO-raad geeft aan in het geheel geen behoefte te gevoelen aan een spaaroptie.
Ondergetekende heeft de spaaroptie met nadruk beschouwd als een instrument om tegenvallers van studenten op te vangen die redelijkerwijs niet aan hen kunnen worden toegerekend. Het gaat dan niet om tegenvallers die als gevolg van bijzondere omstandigheden reeds onder de werkingssfeer van het afstudeerfonds vallen.
Bij de behandeling van het wetsvoorstel prestatiebeurs (24 094) heeft de Tweede Kamer bepaald dat de temponorm niet verhoogd mag worden van 50 naar 70%. De noodzaak voor een spaarvariant op termijn is daarmee beperkt. De marge tussen het maximale studieresultaat in één jaar (100%) en het voor de tempobeurs genormeerde resultaat (50%) is naar de mening van ondergetekende voldoende groot om de student de mogelijkheid te bieden zijn studie flexibeler in te richten; eventueel over twee opeenvolgende jaren.
Fluctuaties binnen de studieprestaties kunnen redelijkerwijze binnen deze marge worden opgevangen en vragen niet om een bijzondere voorziening.
Voorzover er zich bijzondere omstandigheden voordoen, die aan het halen van de norm in de weg staan, kunnen de afstudeerfondsen voorzien in een financiële compensatie. Onder deze bijzondere omstandigheden worden bijvoorbeeld ook bestuurswerkzaamheden begrepen. Ondergetekende wil hier nogmaals benadrukken dat ook het ontbreken van voldoende studeerbaarheid een succesvol beroep op het afstudeerfonds moet garanderen.
In dit licht wil ondergetekende wijzen op het bereikte akkoord over kwaliteit en studeerbaarheid, waarin veel aandacht is besteed aan bestaande knelpunten met betrekking tot de afstudeerfondsen. De hierin door ondergetekende met de overlegpartners (tevens adviseurs voor de spaaroptie) bereikte conclusies, zullen ertoe bijdragen dat het afstudeerfonds voor studenten een toegankelijker voorziening wordt.
Nu de norm niet verhoogd zal worden boven de 50% komt het ondergetekende niet onredelijk voor om omstandigheden die niet als bijzonder worden aangemerkt, voor rekening van de student te laten komen.
Ondergetekende heeft veel belang gehecht aan het feit dat de adviezen afwijzend stonden tegenover de voorgestelde modellen. De in de adviezen uitgebrachte alternatieven waren daarbij niet te prefereren boven de voorgestelde modellen.
De toename van de administratieve lasten die als gevolg van de spaarvarianten zal optreden weegt naar het oordeel van ondergetekende zwaar. Alle uitgebrachte adviezen wijzen hier ook op. Vastgesteld moet worden dat – ongeacht de modelkeuze – een dergelijke toename zich zal voordoen. Zeker indien in ogenschouw wordt genomen dat beperking van fraudegevoeligheid toch een grote last op de schouders van de instellingen legt. Hoewel het gezien de voordelen voor de studerende wenselijk ware deze zoveel mogelijk met aanvrage en bewijs te belasten, is dit uit het oogpunt van fraudegevoeligheid niet verkiesbaar. Daarmee is de extra last voor de instellingen per definitie een gegeven.
De eenvoud van regelgeving en daarmee de voorlichting naar studerenden, wordt niet bevorderd door een spaarvariant. Het diplomamodel is van de twee modellen nog het meest doorzichtig, maar leidt ook aan dit manco.
Het diplomamodel biedt als enige een stimulans tot het daadwerkelijk behalen van de eindstreep. Door dit model zou een gunstig element in de tempobeurs gebracht worden. Thans bevordert de tempobeurs slechts minimum-resultaten (50%). In tegenstelling tot het communicerende-vatenmodel, wordt er hier – naast het spaarmotief – een extra stimulans ten gunste van het behalen van het afsluitend diploma ingebracht. Onderwijskundig ware dit te prefereren.
De laatste nieuwe studerenden voor de tempobeurs zullen per 1 september a.s. aantreden. Vanaf dat moment zal dit cohort uitsterven met de beoogde inwerkingtreding van de prestatiebeurs op 1 september 1996. In de prestatiebeurs vervult de spaaroptie geen functie meer.
Om voornoemde redenen die zwaar wegen voor ondergetekende heeft hij thans besloten om af te zien van de vormgeving van een spaaroptie voor de tempobeurs.
Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-23634-16.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.