23 490
Ontwerpbesluiten Unie-Verdrag

CY
nr. 497
BRIEF VAN DE MINISTERS VAN JUSTITIE EN VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES EN VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 april 2008

Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen op 4 april 2008. De wens dat de ontwerp-besluiten uitdrukkelijke instemming behoeven kan door of namens één van beide Kamers te kennen worden gegeven uiterlijk op 19 mei 2008.Gelet op de artikelen 3 en 4 van de Rijkswet houdende goedkeuring van het Verdrag van Nice (Stb. 2001, 677) bieden wij u aan de geannoteerde agenda en de thans beschikbare documenten voor de bijeenkomst van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 18 april 2008 te Luxemburg.1

De minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

G. ter Horst

De staatssecretaris van Justitie,

N. Albayrak

Geannoteerde agenda voor de bijeenkomst van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken, 18 april 2008 te Luxemburg

Zoals gebruikelijk ontvangt u bij deze annotaties de laatst beschikbare versie van een document dat betrekking heeft op het genoemde onderwerp. Dit hoeft niet de documentversie te zijn die daadwerkelijk ter bespreking aan de Raad voor zal liggen. Alleen als in het document zelf expliciet in de aanhef staat dat het document gericht is aan de Raad, betreft het een document dat in de Raad zal worden besproken.

Hetgeen is aangegeven over de openbaarheid van de onder de agendapunten opgenomen documenten, geeft de stand van zaken weer van 3 april 2008. Een actuele weergave is te vinden in het documentregister van de Raad1.

I Raad

1. Goedkeuring van de voorlopige agenda

A-punten

2. Goedkeuring van de lijst van A-punten

Vermoedelijk zullen onderstaande punten als A-punten worden geagendeerd. De regering kan instemmen met deze onderwerpen.

2a. Aanbevelingen van de Commissie en de Raad teneinde de Commissie te machtigen om onderhandelingen te openen met het oog op het afsluiten van een regeling tussen enerzijds de Europese Gemeenschap en anderzijds de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein inzake de wijze waarop deze staten deelnemen aan het Europees agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de EU

document:6662/08 RESTREINT EU FRONT 23(NL)
status document:niet openbaar 
rechtsgrondslag:artt. 62, lid 2 sub a, 66 en 300 van het EG-verdrag  
instemmingsrecht:niet van toepassing 

De aanbeveling heeft als doel de Commissie te machtigen te onderhandelen met de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein over een regeling die juridisch bindende rechten en verplichtingen bevat voor de volwaardige deelname van Zwitserland en Liechtenstein aan het Europees agentschap voor het beheer van de operationele samenwerking aan de buitengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie (Frontex). Het uitgangspunt is dat deze landen het volledige Schengen-acquis overnemen en vanuit die gedachte acht Nederland het wenselijk dat de Commissie in onderhandeling zal gaan met deze landen over deelname aan het agentschap. Ten behoeve van de onderhandelingen zijn er onderhandelingsrichtsnoeren opgesteld.

Nederland kan instemmen met het thans voorliggende voorstel voor een onderhandelingsmandaat van de Commissie.

2b. Verordening van de Raad tot wijziging van Richtlijn (EG) nr. 1030/2002 betreffende de invoering van een uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen

document:13502/2/07 VISA 303 COMIX 838 REV 2(NL)
status document:openbaar 
rechtsgrondslag:artikel 63, punt 3, onder a van het EG-verdrag 
instemmingsrecht:van toepassing; de Eerste en de Tweede Kamer der Staten-Generaal hebben de tekst reeds geaccordeerd 

Tijdens de bijeenkomst van de Raad van 18 september 20071 is reeds een politiek akkoord bereikt op de tekst van de Verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) 1030/2002 betreffende de invoering van een uniform model voor verblijfstitels van onderdanen van derde landen, zoals neergelegd in document 12725/1/07 VISA 273 COMIX 780 REV 1.

De thans bijgevoegde versie is de door de juristen en linguïsten gefinaliseerde tekst van de Verordening. Met betrekking tot de deelname van Ierland deze Verordening heeft de Commissie op 11 oktober 2007 een positief besluit genomen; in de tekst is dan ook een passende overweging betreffende Ierland opgenomen. De eerder geplaatste parlementaire voorbehouden van twee lidstaten, waaronder Nederland, zijn inmiddels opgeheven.

2c. Ontwerp-Raadsconclusies over de praktische samenwerking op het terrein van asiel

document:7691/08 ASILE 6(EN)
status document:niet openbaar  
rechtsgrondslag:niet van toepassing  
instemmingsrecht:niet van toepassing 

Tijdens de informele Raad van 25 en 26 januari 20082 is een discussie gevoerd over de praktische samenwerking op het gebied van asiel. Als vervolg op deze discussie heeft het voorzitterschap ontwerp-Raadsconclusies opgesteld over dit onderwerp. Daarin wordt onder meer het belang en de noodzaak van de verdere versterking van de praktische samenwerking op het gebied van asiel aangegeven. De Commissie en de lidstaten worden opgeroepen de activiteiten, waar nodig in samenwerking met de UNHCR en andere relevante internationale organisaties, te intensiveren. De haalbaarheidsstudie van de Commissie naar de oprichting van een Europees ondersteuningsbureau wordt verwelkomd. Dit bureau wordt reeds in het Haags Programma genoemd. De haalbaarheidsstudie zal in juli 2008 gereed zijn. De Commissie wordt uitgenodigd eind 2008 voorstellen te doen voor verdere versterking van de praktische samenwerking.

De bijgevoegde tekst van de ontwerp-Raadsconclusies is de versie die staat geagendeerd voor bespreking in het Strategisch Comité voor immigratie, grenzen en asiel van begin april. Nederland kan instemmen met de thans voorliggende tekst van deze ontwerp-Raadsconclusies.

2d. Ontwerp-Raadsconclusies over het zesde jaarverslag van Eurojust (kalenderjaar 2007)

document:7341/1/08 COPEN 49 EUROJUST 25 EJN 19 CATS 23 REV 1(NL)
status document:niet openbaar 
rechtsgrondslag:artikel 32, eerste lid, Raadsbesluit 2002/187/JBZ tot oprichting van Eurojust  
instemmingsrecht:niet van toepassing 

Conform artikel 32, eerste lid, van het Eurojustbesluit biedt het College van Eurojust zijn jaarverslag aan de Raad aan. Het jaarverslag heeft betrekking op 2007 en beschrijft de belangrijkste ontwikkelingen rondom het aantal afgedane zaken (een significante stijging van 771 zaken in 2006 naar 1085 in 2007 ofwel 41% meer zaken), evenals de belangrijkste categorieën afgehandelde zaken, de samenwerking met andere Europese instanties (Europol, EJN, OLAF) en met derde staten, de uitbouw van het beheer van de organisatie en de verdere ontwikkeling van technische voorzieningen, de resultaten in vergelijking tot de doelstellingen voor 2007–2008 en de strategische doelstellingen voor 2008–2009. De in het jaarverslag beschreven ontwikkelingen staan uiteraard al sterk in het teken van de inmiddels van start gegane onderhandelingen over de aanpassing van het Eurojustbesluit (zie agendapunt B.6). Zoals te doen gebruikelijk, worden er aan de Raad tevens ontwerp-conclusies voorgelegd. Die conclusies betreffen de belangrijkste punten in het jaarverslag, daaronder begrepen de in 2007 bereikte resultaten, de (uiteenlopende) mate waarin lidstaten gebruik maken van Eurojust, de samenwerking met de hiervoor genoemde Europese instanties en die met derde landen.

B-punten

1. (Eventueel) Voorstel voor een Richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG teneinde haar werkingssfeer uit te breiden tot personen die internationale bescherming genieten – stand van zaken

document:7692/08 ASIM 20(EN)
status document:niet openbaar  
rechtsgrondslag:artikel 63, punt 3 onder a en punt 4 van het EG-verdrag 
instemmingsrecht:in het algemeen van toepassing; thans niet van toepassing:  
 mogelijk alleen bespreking artt. 2, 3 en 4, tweede lid 

Het voorzitterschap heeft als eventueel onderwerp voor deze Raad geagendeerd het voorstel voor een Richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/109 (richtlijn betreffende de status van langdurig ingezeten derdelanders) teneinde haar werkingssfeer uit te breiden tot personen die internationale bescherming genieten. Tijdens deze Raad zullen mogelijkerwijs de werkingssfeer (artikelen 2 en 3) van de ontwerp-Richtlijn aan de orde komen en – de berekeningswijze van – de termijn van vijf jaar legaal verblijf, die nodig is om de status van langdurig ingezetene te verwerven (artikel 4, tweede lid). Of deze artikelen zullen worden besproken hangt af van het resultaat van de bespreking in het Strategisch Comité voor immigratie, grenzen en asiel van begin april. Het document dat daar is geagendeerd, is bijgevoegd.

Vluchtelingen en subsidiair beschermden (personen die internationale bescherming genieten) komen momenteel niet in aanmerking voor de status van langdurig ingezetene, zoals neergelegd in Richtlijn 2003/109/EG. De Raad en de Commissie hebben in een gezamenlijke verklaring van 8 mei 2003 verzocht om de uitbreiding van de werkingssfeer van deze Richtlijn tot personen die internationale bescherming genieten. Onderhavig voorstel breidt de werkingssfeer van Richtlijn 2003/109/EG uit met personen die internationale bescherming genieten. Het doel hiervan is om hun rechtszekerheid te bieden over hun verblijf in een lidstaat en na vijf jaar legaal verblijf rechten toe te kennen die vergelijkbaar zijn met die van EU-onderdanen. De uitbreiding van de werkingssfeer van Richtlijn 2003/109/EG betekent dat personen, die internationale bescherming genieten, na vijf jaar legaal verblijf de status van langdurig ingezetene kunnen verwerven in de lidstaat die hun bescherming heeft verleend (eerste lidstaat), onder bepaalde voorwaarden aanspraak kunnen maken op verblijf in een andere lidstaat (tweede lidstaat) en in die tweede lidstaat na vijf jaar legaal verblijf wederom de status van langdurig ingezetene kunnen verwerven.

De werkingssfeer van het voorstel ziet op vluchtelingen en subsidiair beschermden in de zin van Richtlijn 2004/83/EG (kwalificatierichtlijn). In de Nederlandse situatie betreft het personen die op grond van artikel 29, eerste lid, onder a en b, Vw 2000 in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel. Personen die op grond van artikel 29, eerste lid, onder c en d, Vw 2000 een vergunning voor bepaalde tijd asiel hebben gekregen, vallen niet onder de werkingssfeer van Richtlijn 2004/83/EG. De meeste lidstaten steunen de voorgestelde werkingssfeer. Een aantal lidstaten heeft bezwaar tegen de uitbreiding van de werkingssfeer met vluchtelingen. Een aantal andere lidstaten heeft geen bezwaar tegen de uitbreiding met vluchtelingen, maar wel bezwaar tegen de uitbreiding met subsidiair beschermden. Een aantal andere lidstaten, waaronder Nederland, is van mening dat ook nationale vormen van asielbescherming onder de werkingssfeer van de ontwerp-Richtlijn moeten vallen. Aan het standpunt van Nederland ligt ten grondslag dat het hoofddoel van Richtlijn 2003/109/EG is het bieden van gelijke behandeling met EU-onderdanen, dus de bevordering van integratie van derdelanders. Dat doel geldt evenzeer voor personen die vijf jaar legaal verblijf hebben gehad op grond van nationale vormen van asielbescherming. Zoals ook in de preambule van Richtlijn 2003/109/EG is weergegeven, is de duur van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat het belangrijkste criterium voor de verwerving van de status van langdurig ingezetene. Verder is van belang dat het stelsel van de Vw 2000 één asielstatus kent waaraan, ongeacht de verleningsgrond, dezelfde rechten en voorzieningen gekoppeld zijn. Op deze wijze wordt doorprocederen voorkomen. Een werkingssfeer die zich alleen uitstrekt over vluchtelingen en subsidiair beschermden in de zin van de kwalificatierichtlijn leidt, ertoe dat voor degenen met een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel op basis van artikel 29, eerste lid, onder c en d, Vw 2000 een belang bij doorprocederen ontstaat.

Voor wat betreft de berekeningswijze van de termijn van vijf jaar legaal verblijf is het uitgangspunt voor Nederland dat de periode tussen indiening van de aanvraag om internationale bescherming en de datum waarop de verblijfsvergunning is verleend moet meetellen (tenzij de feiten die aanleiding zijn om internationale bescherming te verlenen zich pas na de indiening van de aanvraag voordoen) en dat vluchtelingen en subsidiair beschermden hierbij gelijk worden behandeld. De standpunten hierover lopen uiteen. Sommige lidstaten willen keuzevrijheid om te bepalen vanaf welk tijdstip de termijn van vijf jaar begint te lopen (de datum van de aanvraag of de datum waarop de vergunning is verleend). Andere lidstaten bepleiten om voor vluchtelingen te tellen vanaf de datum van de aanvraag en voor subsidiair beschermden vanaf de datum waarop de vergunning is verleend.

2. Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven

document:niet beschikbaar
rechtsgrondslag:artikel 63, lid 3 onder b, EG-Verdrag
instemmingsrecht:niet van toepassing

In het Haags Programma is, in vervolg op eerdere documenten over terugkeer1, door de Europese Raad gevraagd om een op gemeenschappelijke normen gebaseerd doeltreffend terugkeerbeleid voor personen die op een humane manier, met volledige eerbiediging van hun mensenrechten en waardigheid, teruggezonden worden. De Commissie is verzocht begin 2005 met een voorstel te komen.

Deze ontwerp-richtlijn vormt het antwoord op dat verzoek en moet duidelijke, transparante en eerlijke gemeenschappelijke minimumnormen vaststellen voor terugkeer, uitzetting, het gebruik van dwangmaatregelen, vreemdelingenbewaring en het opleggen van een inreisverbod, met volledige inachtneming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkenen. Dergelijke normen zullen leiden tot een passende en gelijke behandeling van illegaal in de EU verblijvende onderdanen van derde landen, ongeacht in welke lidstaat de terugkeerprocedure wordt toegepast. Tevens zullen gemeenschappelijke minimumnormen de samenwerking tussen de lidstaten en het werk van de betrokken instanties vergemakkelijken.

Gelijk de agendering in de Raad van 8 en 9 november, van 6 en 7 december 2007, en van 28 februari 20082 zal het voorzitterschap naar verwachting mondeling de stand van zaken geven over de onderhandelingen van deze ontwerp-richtlijn. Het Europees Parlement heeft de voor het eind van het vorige jaar geplande plenaire stemming, met het oog op het bereiken van overeenstemming in eerste lezing met de Raad, uitgesteld tot mei 2008.

3. Ontwerp-besluit tot oprichting van de Europese Politiedienst (EUROPOL) – politiek akkoord

document:7866/08 EUROPOL 37(EN)
status document:openbaar  
rechtsgrondslag:artikel 30, eerste lid, onder b, artikel 30, tweede lid en artikel 34, tweede lid, onder c, EU-Verdrag  
instemmingsrecht:van toepassing; politiek akkoord 

Het betreft de geconsolideerde versie van het ontwerp-Raadsbesluit tot oprichting van Europol. Het is de bedoeling dat tijdens deze bijeenkomst van de Raad hierover een politiek akkoord wordt bereikt. Met de hoofdstukken 1, 2, 3, 6, 7 en 9 is door de Raad reeds tijdens de bijeenkomsten van 28 februari jl. december en november 2007 ingestemd.3 De overige hoofdstukken zijn nog onderwerp van bespreking in het Comité van Artikel 36 (CATS) en het Comité van Permanente Vertegenwoordigers. Nederland kan grotendeels instemmen met het Raadsbesluit. Daarnaast wordt nog gesproken over begrotingsneutraliteit, de laatste voorwaarde voor goedkeuring van het Raadsbesluit. In de aanvullende geannoteerde agenda zult u hierover nader worden geïnformeerd.

4. Ontwerp-besluit van de Raad betreffende de uitvoering van Besluit 2008/.../JBZ inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit

documenten:7713/08 CRIMORG 52 ENFOPOL 54(NL)
 16 329/07 CRIMORG 188 ENFOPOL 217(NL)
status documenten:openbaar  
rechtsgrondslag:besluit 2008/_/JBZ inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit1 
instemmingsrecht:niet van toepassing 

1 Uw Kamer heeft inmiddels ingestemd met het Raadsbesluit inzake Prüm.

Dit document bevat de omzetting van een aantal bepalingen van de administratieve en technische implementatieovereenkomst (ATIA) bij het Verdrag van Prüm in een EU-Raadsbesluit. Niet alle bepalingen zijn omgezet, omdat het Verdrag niet volledig is omgezet in EU-regelgeving. De omzetting heeft zoveel mogelijk plaatsgevonden zonder wijziging van de inhoud, met één uitzondering: ten aanzien van bevraging van kentekens is in het Raadsbesluit expliciet verklaard dat lidstaten voorrang mogen geven aan bevragingen aangaande terrorismebestrijding of bestrijding van georganiseerde criminaliteit. Het Raadsbesluit maakt het mogelijk om DNA-, vingerafdrukken-, en kentekenbevragingen in alle lidstaten binnen de Unie uit te voeren. Daarnaast worden er ook meerdere mogelijkheid voor grensoverschrijdend politieoptreden geschapen. Voor Nederland ligt de toegevoegde waarde van het Raadsbesluit vooral in het aantal landen waarmee informatie omtrent DNA, vingerafdrukken en kentekens uitgewisseld kan worden.

5. EU/ Actieplan voor versterking van de veiligheid van explosieven

document:7712/1/08 ENFOPOL 53 REV 1(EN)
status document:openbaar  
rechtsgrondslag:niet van toepassing  
instemmingsrecht:niet van toepassing 

Het onderhavige document dat ter goedkeuring voorligt, betreft het concept EU-actieplan ter beveiliging van explosieven en precursoren dat de Commissie op 6 november 2007 heeft uitgebracht1. In dit voorstel wordt teruggegrepen op een eerdere mededeling van de Commissie van september 20052 en de aanbevelingen van een speciale task force voor de beveiliging van explosieven van 2007. Over dit concept-actieplan en het Nederlands standpunt terzake is de Tweede Kamer bij brief van 21 december jl. geïnformeerd3. Tijdens de bijeenkomst van de Raad van 6 en 7 december jl. zijn Raadsconclusies aangenomen over strategische oriëntaties en prioriteiten voor de verhoging van de veiligheid inzake explosieven.4

Het voorliggende actieplan ziet onder meer op de verbetering van informatie-uitwisseling, de ontwikkeling van dreigingsanalyses, onderzoek, training van personeel, regulering en controle van transacties, identificatie en detectie.

Nederland staat zeer positief tegenover het Europese initiatief om de beveiliging van explosieven, precursoren en ontstekers op Europees niveau aan te pakken. Het actieplan biedt daarvoor een goede basis. Nederland meent dan ook dat dit actieplan zo spoedig mogelijk moet worden vastgesteld zodat de uitvoering ervan ter hand genomen kan worden.

6. Initiatief tot wijziging van het Besluit tot oprichting van Eurojust

documenten:7797/08 COPEN 55 EUROJUST 27 EJN 21(NL)
 7797/08 COPEN 55 EUROJUST 27 EJN 21 COR 1(NL)
status documenten:niet openbaar 
document:5038/08 COPEN 2 EUROJUST 2 EJN 2(NL)
status document:openbaar  
rechtsgrondslag:artikelen 31 en 34 tweede lid, onder c, EU-Verdrag 
instemmingsrecht:van toepassing, thans echter nog geen besluitvorming voorzien over de gehele tekst 

Op 7 januari jl. hebben 14 lidstaten, waaronder Nederland, een gezamenlijk voorstel ingediend voor een ontwerp-besluit van de Raad inzake het versterken van Eurojust en tot wijziging van Besluit 2002/187/JBZ van de Raad van 28 februari 2002 betreffende de oprichting van Eurojust, zoals gewijzigd bij Besluit 2003/659/JBZ van de Raad, teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken1.

Het voorstel behelst, voortbouwend op de Mededeling van de Europese Commissie van 23 oktober 2007 over de rol van Eurojust en van het Europees Justitieel Netwerk (EJN) bij de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit en het terrorisme in de Europese Unie,2 een versterking van de rol van Eurojust, met name op de volgende punten: minimumharmonisatie van de bevoegdheden die de nationale leden van het Eurojustcollege op basis van de wetgeving in hun eigen lidstaat mogen uitoefenen, uitbreiding van de bevoegdheden van het Eurojustcollege als zodanig, versterking van de rol en inzetbaarheid van Eurojust in urgente situaties, verbetering van de informatieverstrekking aan Eurojust vanuit de lidstaten en intensivering van de samenwerking tussen Eurojust en andere actoren op het terrein van de justitiële samenwerking in strafzaken, in het bijzonder het EJN en Europol, maar ook OLAF, Frontex, Sitcen, Interpol en derde landen.

Nu een eerste lezing van het voorstel op werkgroepniveau heeft plaatsgevonden, wil het voorzitterschap alvast een vijftal artikelen ter goedkeuring voorleggen aan de Raad. Het betreft de artikelen 2 (samenstelling van Eurojust), 7 (taken van Eurojust handelend als College), 9 (nationale leden), 10 (College) en 30 (personeel). Nederland kan grosso modo instemmen met de inhoud van de door het voorzitterschap voorgestelde compromistekst voor deze bepalingen, maar daarbij zij wel uitdrukkelijk aangetekend dat lidstaten bij verschillende onderdelen daarvan nog studievoorbe-houden hebben, zodat niet zeker is dat ze ook daadwerkelijk in deze vorm aan de JBZ-Raad zullen worden voorgelegd. U zult hierover in de aanvullende geannoteerde agenda nader worden geïnformeerd. De onderhandelingen over de overige bepalingen van het ontwerp-besluit zullen de komende maanden worden voortgezet. Het huidige en inkomende voorzitterschap koersen daarbij op besluitvorming over het ontwerp-besluit gedurende de tweede helft van dit jaar.

7. Voorstel voor een kaderbesluit inzake verstekvonnissen

document:niet beschikbaar 
rechtsgrondslag:artikel 31, onder a, en artikel 34, tweede lid onder b, EU-Verdrag  
instemmingsrecht:in het algemeen van toepassing; thans geen besluitvorming voorzien, enkel bespreking van knelpunten 

Het kaderbesluit strekt er toe de bepalingen in een aantal andere kaderbesluiten over de wijze waarop bij erkenning kan worden omgegaan met verstekvonnissen, te verhelderen en gelijk te trekken. Het voorzitterschap lijkt voornemens te zijn een paar aspecten daarvan voor te leggen aan de Raad. Thans is nog niet duidelijk om welke punten het zal gaan. In de aanvullende geannoteerde agenda zal hierop worden teruggekomen.

8. Voorstel voor een kaderbesluit tot wijziging van het kaderbesluit 2002/475/JBZ inzake bestrijding van terrorisme

document:7785/1/08 CATS 24 DROIPEN 30 REV 1(EN)
status document:niet openbaar 
rechtsgrondslag:artikel 29, 31, eerste lid onder e en artikel 34, tweede lid onder b, EU-Verdrag  
instemmingsrecht:van toepassing; algemene oriëntatie met betrekking tot de tekst van het kaderbesluit 

De onderhandelingen over de inhoud van het ontwerp-kaderbesluit, dat laatstelijk tijdens de bijeenkomst van de Raad van 28 februari jl. is besproken1, zijn in de afrondende fase gekomen. Het streven van het Sloveense voorzitterschap en de Commissie is om inhoudelijke overeenstemming te bereiken tijdens de komende bijeenkomst van de Raad. De belangrijkste discussiepunten vormden enkele passages in de preambule over de betekenis van de voorgestelde strafbaarstellingen in het licht van de grondwettelijke vrijheden en de wijze waarop moest worden omgegaan met het verschil in systematiek tussen enerzijds het kaderbesluit en anderzijds het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme. De uitkomst van deze besprekingen is opgenomen in de tekst van het voorstel zoals het thans voorligt. Daarbij is zoveel mogelijk aangesloten bij de inhoud van het Raad van Europa-verdrag, tenzij daarmee de uitgangspunten van het kaderbesluit van 13 juni 2002 zouden worden verlaten. Zo blijven bijvoorbeeld de strafbaarstellingen gekoppeld aan de door het kaderbesluit omschreven terroristische misdrijven. Nederland onderschrijft deze benadering en kan instemmen met de tekst van het voorstel dat is opgenomen in bovengenoemd document.

9. Algemeen Referentiekader voor het Europees Verbintenissenrecht

document:niet beschikbaar 
rechtsgrondslag:niet van toepassing 
instemmingsrecht:niet van toepassing 

In januari 2003 heeft de Europese Commissie een Actieplan betreffende een coherenter Europees contractenrecht2 gepresenteerd. Daarin wordt verzocht om een gemeenschappelijk referentiekader dat beginselen, definities en modelregels van Europees contractenrecht zou moeten bevatten. Een groep wetenschappers uit verschillende lidstaten heeft de opdracht gekregen een ontwerp te maken voor een dergelijk gemeenschappelijk referentiekader. In december 2007 hebben de studie-groep «on a European Civil Code» en de onderzoeksgroep «on European Community Private Law» een eerste ontwerp van een gemeenschappelijk referentiekader aan de Commissie aangeboden. In februari 2008 is het ontwerp door de onderzoekers gepubliceerd. Het voorzitterschap is van oordeel dat het goed is als de Raad reeds nu een voorlopig standpunt inneemt over vier aspecten van een eventueel gemeenschappelijk referentiekader om de toekomstige werkzaamheden van de Commissie op dit gebied richting te geven. Deze vier aspecten bestaan uit het doel, de inhoud, het toepassingsgebied en het bindend effect van een eventueel gemeenschappelijk referentiekader. Als doel van een eventueel gemeenschappelijk referentiekader wordt voorgesteld het referentiekader te beschouwen als een van de mogelijke instrumenten voor de Europese wetgever om betere wetgeving te maken. De inhoud van een eventueel gemeenschappelijk referentiekader zou kunnen bestaan uit een reeks definities, algemene beginselen en modelvoorschriften op het gebied van het contractenrecht. Op de precieze inhoud daarvan wordt nog niet vooruitgelopen. Voorgesteld wordt onder het toepassingsgebied van een eventueel gemeenschappelijk referentiekader het algemene contractenrecht en het consumentenovereenkomsten-recht te laten vallen. Een eventueel gemeenschappelijk referentiekader zou geen bindend karakter moeten krijgen maar een vrijwillige inspiratiebron in het Europese wetgevingsproces moeten zijn.

Nederland kan instemmen met het voorgestelde standpunt onder twee voorwaarden. In de eerste plaats dient het voorlopige standpunt van de Raad toekomstige besprekingen betreffende het gemeenschappelijk referentiekader, nadat de Commissie een concreet ontwerp voor een gemeenschappelijk referentiekader heeft ingediend, geheel onverlet te laten. In de tweede plaats moet onder meer nog een discussie worden gevoerd over een eventuele rechtsgrondslag voor een eventueel gemeenschappelijk referentiekader.

10. Uitkomsten van de ministeriële Trojka Bijeenkomst EU-VS Justitie en Binnenlandse Zaken Brdo (Slovenië), 12–13 maart 2008

document:7360/08 JAI 120 RELEX 157 USA 13(EN)
status document:niet openbaar 
rechtsgrondslag:niet van toepassing 
instemmingsrecht:niet van toepassing 

Op 12 en 13 maart jl. heeft in Slovenië de EU-VS ministeriële JBZ-trojka bijeenkomst plaatsgevonden. Het verslag van het Raadssecretariaat is bijgevoegd. De volgende onderwerpen zijn daarbij aan de orde gekomen: a) immigratie en grensbewaking; b) gegevensbescherming en informatie-uitwisseling; c) wederzijdse rechtshulp- en uitleveringsovereenkomsten; d) rechtshandhaving in de Westelijke Balkan; e) preventie van werving van terroristen en radicalisering; f) Chemische, Biologische, Radiologische en Nucleaire (CBRN) veiligheid; risicovermindering; en g) een presentatie door Frankrijk inzake het Franse voorzitterschap van de Unie.

Ad a) Er is stilgestaan bij de modernisering van het VS «Visa Waiver Program» (VWP), waarover ook een persverklaring is afgegeven. De VS en de EU zijn het eens geworden over het te bereiken doel en een «twin track» benadering met betrekking tot de bevoegdheid tot onderhandeling. Dat betekent dat de lidstaten onderhandelen over de onderwerpen waarvoor zij competent zijn en de Commissie over de EU-onderwerpen. Daarnaast heeft de VS aangegeven informatie te gaan verstrekken over het Electronic System of Travel Authorisation (ESTA).

Ad b) De besprekingen over principes van gegevensbescherming in de High Level Contact Group zullen verder gaan. Aangestuurd zal worden op overeenstemming over deze principes. Over mogelijk onopgeloste discussiepunten zal voor de zomer van dit jaar nog een rapportage moeten plaatsvinden.

11. Aanbeveling van de Commissie aan de Raad teneinde de Commissie te machtigen om onderhandelingen te openen met het oog op het afsluiten van een overeenkomst met de Verenigde Staten inzake bepaalde voorwaarden voor toegang tot het VS Visa Waiver Progamma overeenkomsting onderdeel 711 van de «Implementereden aanbeveling van de 9/11 Commissie Act van 2007

document:nog niet beschikbaar
rechtsgrondslag:artikel 62, lid 2, onder b, i en ii van het EG-Verdrag
instemmingsrecht:niet van toepassing

Zoals bij agendapunt B11 reeds is aangegeven is tijdens de EU-VS ministeriële JBZ-Trojka van 13 maart jl. is met de VS afgesproken dat de Europese Commissie op basis van een daartoe strekkend mandaat namens de lidstaten zal gaan onderhandelen met de VS over de voorwaarden die de VS stellen voor toegang tot het gemoderniseerde VS VWP, voor wat betreft de criteria die vallen onder de bevoegdheid van de Europese Gemeenschap en/of de Europese Unie. De lidstaten zijn bevoegd bilateraal te onderhandelen met de VS over de bevoegdheden die behoren tot de nationale competentie. Dit is de zogenoemde «twin track» benadering.

De versie van de aanbeveling die aan de Raad zal voorliggen is thans nog niet beschikbaar. Uw Kamer zal dan ook in de aanvullende geannoteerde agenda nader worden geïnformeerd.

12. Diversen

Er zijn geen onderwerpen voor dit agendapunt aangemeld.

II Gemengd Comité

1. SIS II

a) stand van zaken b) rapport Friends of SIS II

document:niet beschikbaar
rechtsgrondslag:niet van toepassing
instemmingsrecht:niet van toepassing

Tijdens de bijeenkomst van de Raad van 28 februari jl.1 is besloten dat de Commissie in mei a.s. met een nieuwe gedetailleerde planning zal komen voor de realisatie van SIS II. Uitgangspunt hierbij is dat SIS II in september 2009 operationeel zou moeten zijn. Om tot een gedetailleerde nieuwe planning te komen moet een aantal technische zaken nog worden verhelderd. De groep «Friends of SIS II» zal een voorzet doen voor de oplossing van deze technische kwesties. Dit is nog onderwerp van bespreking in de «Friends of SIS II» en het Comité van Artikel 36 (CATS). In de aanvullende geannoteerde agenda zult u hierover nader worden geïnformeerd.

2. Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven

Zie agendapunt B2.

3. Diversen

Er zijn geen onderwerpen voor dit agendapunt aangemeld.


XNoot
1

De beschikbare documenten met als status «openbaar» zijn ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer. De documenten met als status «niet openbaar» zijn ter inzage gelegd, alleen voor de leden, bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

XNoot
1

http://www.consilium.europa.eu/cms3_fo/showPage.asp?id=549&lang=nl&mode=g

XNoot
1

Zie voor de (aanvullende) geannoteerde en het verslag van deze bijeenkomst van de Raad, 23 490 nrs. 462, 463 en 473.

XNoot
2

Zie voor de geannoteerde agenda en het verslag van deze bijeenkomst van de Raad, 23 490 nrs. 485 en 489.

XNoot
1

Zie de Mededeling betreffende een gemeenschappelijk beleid inzake illegale immigratie van 15 november 2001, het Groenboek over een communautair terugkeerbeleid van 10 april 2002, de Mededeling van 14 oktober 2002 over een communautair terugkeerbeleid ten aanzien van personen die illegaal in de Europese Unie verblijven en het actieprogramma van de Raad van 28 november 2002 inzake terugkeer.

XNoot
2

Zie voor de (aanvullende) geannoteerde agenda’s en de verslagen voor deze bijeenkomsten van de Raad, 23 490 nrs. 475, 477, 479, 480, 481, 484, 490 en 491.

XNoot
3

Zie voor het verslag van deze bijeenkomsten van de Raad, 23 490 nrs. 484, 489 en 495.

XNoot
1

COM (2007) 651.

XNoot
2

COM (2007) 651.

XNoot
3

TK 2007–2008, 22 112, nr. 599.

XNoot
4

Zie voor de (aanvullende)geannoteerde agenda en het verslag van deze bijeenkomst van de Raad, 23 490 nrs. 479, 481 en 484.

XNoot
1

PB C 54 van 27 februari 2008, p. 4. Zie TK, 2007–2008, 22 112, nr. 623, punt 7 en EK, 2007–2008, 23 490, CQ. De nota van toelichting bij het onderhavige voorstel is als bijlage bijgevoegd.

XNoot
2

COM (2007) 644 def.

XNoot
1

Zie voor de (aanvullende) geannoteerde agenda en het verslag van deze bijeenkomst van de Raad, 23 490 nrs. 490, 491 en 495.

XNoot
2

COM(2003) 68 def.) PB EG van 15 maart 2003, p 63; zie ook (COM (2004) 651) en COM(2007) 447.

XNoot
1

Zie voor de (aanvullende) geannoteerde agenda en het verslag van deze bijeenkomst van de Raad, 23 490 nrs. 490, 491 en 495.

Naar boven