23 490
Ontwerpbesluiten Unie-Verdrag

BD
nr. 405
BRIEF VAN DE MINISTERS VAN JUSTITIE, VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES EN VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE

Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 februari 2006

Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen op 13 februari 2006.

De wens dat de ontwerp-besluiten uitdrukkelijke instemming behoeven kan door of namens één van beide kamers te kennen te worden gegeven uiterlijk op 28 februari 2006.

Gelet op de artikelen 3 en 4 van de Rijkswet houdende goedkeuring van het Verdrag van Nice (Stb. 2001, 677) bieden wij u bijgaand aan de aanvullende geannoteerde agenda en de thans beschikbare documenten1 voor de bijeenkomst van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 21 februari 2006.

De Minister van Justitie,

J. P. H. Donner

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

J. W. Remkes

De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

M. C. F. Verdonk

Aanvullende geannoteerde agenda voor de bijeenkomst van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken, 21 februari 2006 te Brussel

Met betrekking tot hetgeen is aangegeven over de openbaarheid van de onder de agendapunten opgenomen documenten, kan worden opgemerkt dat het de stand weergeeft d.d. 10 februari 2006.

Een actuele weergave is te vinden in het documentregister van de Raad.1

Zoals gebruikelijk ontvangt u bij deze annotaties de laatst beschikbare versie van een document dat betrekking heeft op het genoemde onderwerp. Dit hoeft niet de documentversie te zijn die daadwerkelijk ter bespreking aan de Raad voor zal liggen. Alleen als in het document zelf expliciet in de aanhef staat dat het document gericht is aan de Raad, betreft het een document dat in de Raad zal worden besproken.

I Raad

1. Goedkeuring van de voorlopige agenda

2. Goedkeuring van de lijst van A-punten

Vermoedelijk zullen onderstaande punten als A-punten worden geagendeerd. De regering kan instemmen met deze onderwerpen.

A-punten

2a. Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad over de bewaring van gegevens die zijn verwerkt en opgeslagen in verband met het aanbieden van openbare elektronische-communicatiediensten of gegevens in openbare communicatienetwerken en tot wijziging van Richtlijn 2002/58/EG

document:niet beschikbaar
status document:
rechtsgrondslag:artikel 95 EG-verdrag
instemmingsrecht:niet van toepassing

In de geannoteerde agenda voor de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 1–2 december 20052 is melding gemaakt van het overleg tussen het toenmalige Britse voorzitterschap, het Europees Parlement en de Commissie over een richtlijn voor een bewaarplicht van verkeersgegevens. Op 14 december 2005 heeft het Europees Parlement in eerste lezing ingestemd met het door het Voorzitterschap voorgestelde compromis. Het is de bedoeling om de ontwerp richtlijn in de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 20–21 februari aanstaande door de Raad vast te stellen.

De tekst van de ontwerp-richtlijn is thans in bewerking bij de juristen/linguïsten van de Raad en zal naar verwachting in de eerste week van februari gereed zijn. Zodra de vertaling van de ontwerp richtlijn beschikbaar is, zal dit document zo spoedig mogelijk aan Uw Kamer worden aangeboden.

Aanvulling

documenten:PE-CONS 3677/05 COPEN 200 TELECOM 151
 CODEC 1206 OC 981 (NL)
 5777/06 COPEN 7 TELECOM 3 CODEC 78 (FR)
 5777/06 COPEN 7 TELECOM 3 CODEC 78 ADD 1 (FR)
 5777/06 COPEN 7 TELECOM 3 CODEC 78 ADD 2 (FR)
status documenten:openbaar

De tekst van de ontwerp-richtlijn, op basis van het pakket waarover inmiddels overeenstemming bestaat tussen de Raad, de Commissie en het Europees Parlement, is bijgevoegd. De bewaarplicht heeft betrekking op bepaalde categorieën gegevens die door de aanbieders van elektronische communicatiediensten of -netwerken worden gegenereerd of verwerkt in verband met telefonie of internet-toegang, e-mail over het internet en internet-telefonie. De gegevens kunnen worden gebruikt voor de opsporing en vervolging van ernstige criminaliteit, zoals gedefinieerd in de nationale wetgeving van de lidstaten. De Raad heeft een verklaring opgesteld waarin wordt aangegeven dat daarbij rekening zal worden gehouden met de strafbare feiten van de lijst van het Europees aanhoudingsbevel. De bewaringstermijnen zijn ten minste zes maanden en ten hoogste twee jaar. De lidstaten kunnen in verband met specifieke omstandigheden echter kiezen voor een beperkte verlenging van de bewaarperiode. De Commissie zal een dergelijke maatregel toetsen aan het EG-Verdrag; hierover heeft de Commissie een verklaring opgesteld. Gegevens over niet succesvolle oproepen (’oproeppogingen zonder resultaat’) vallen onder de bewaarplicht voor zover deze gegevens worden gegenereerd en opgeslagen (telefonie) of gelogd (internet).

De Commissie is voornemens om een groep in het leven te roepen ten behoeve van advies en uitwisseling van goede praktijken, bestaande uit vertegenwoordigers van de nationale rechtshandhavingsinstanties, de elektronische communicatiesector, het Europees Parlement en gegevensbeschermingsautoriteiten. Daartoe is een verklaring van de Raad en de Commissie opgesteld. Uiterlijk drie jaar na de implementatietermijn wordt de richtlijn geëvalueerd.

De implementatietermijn bedraagt 18 maanden na de datum van aanneming van de ontwerp-richtlijn. De lidstaten wordt de mogelijkheid gebonden om de toepassing van de richtlijn op de bewaring van verkeersgegevens in verband met internet-toegang, internet-telefonie en e-mails voor een periode van ten hoogste 18 maanden uit te stellen. Nederland is voornemens van deze mogelijkheid gebruik maken en heeft daartoe een verklaring opgesteld.

De regering kan instemmen met de ontwerp-richtlijn zoals deze thans voor ligt.

2b. Derde ronde van wederzijdse evaluaties met betrekking tot de uitwisseling van informatie en inlichtingen tussen Europol en de lidstaten en tussen de lidstaten onderling

Document:14292/2/05 CRIMORG 132 REV 2 (NL)
status document:niet openbaar
rechtsgrondslag:artikel 8 gemeenschappelijk optreden d.d. 5 december 1997 tot instelling van een mechanisme voor evaluatie van de uitvoering en toepassing op nationaal niveau van de internationale verbintenissen inzake de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit
instemmingsrecht:niet van toepassing

Het document betreft een samenvatting van evaluatiebezoeken aan 15 (de «oude» 15) lidstaten. Deze wederzijdse evaluaties zijn gericht op de uitvoering en toepassing op nationaal niveau van rechtshandhavingsinstrumenten, van de daaruit voortvloeiende nationale wetgeving en nationale praktijken en van internationale samenwerking op het terrein van uitwisseling van informatie en inlichtingen tussen lidstaten en Europol en lidstaten onderling. Conclusies en aanbevelingen over het geheel van evaluaties worden aan de Raad voorgelegd.

Geconstateerd wordt dat er sprake is van een opmerkelijke vooruitgang bij de totstandkoming van de ruimte voor vrijheid, veiligheid en recht in de EU, die heeft geleid tot de noodzakelijke discussies en aanpassing van bepaalde praktijken en structuren in de lidstaten. De Europese dimensie speelt daarin in vrijwel alle gevallen een belangrijke rol. De politieke en technische wil om de dagelijkse informatie-uitwisseling te verbeteren is aanwezig, zowel qua structuren als qua methoden, maar in de praktijk ligt er nog wel veel werk. De tendens tot het inrichten van centrale diensten op het terrein van de bestrijding van georganiseerde criminaliteit (in Nederland de Nationale Recherche, in het Verenigd Koninkrijk de «Serious Organised Crime Agency», in Italië de landelijke directie maffiabestrijding (DNA)) wordt zeer positief gewaardeerd.

Dezelfde trend tot centraliseren geldt voor het inrichten van nationale systemen voor informatie-uitwisseling en nationale gegevensbanken. Aandachtspunt daarbij is in veel gevallen de verbinding tussen politie- en douanediensten, hoewel ook op dat terrein vooruitgang wordt gesignaleerd.

Ook de internationale informatie-uitwisseling krijgt in de lidstaten veel aandacht. Europol heeft te maken met een toenemende belangstelling van de lidstaten, maar de samenwerking kan nog verbeterd worden. Het Europol Informatiesysteem is pas sinds kort operationeel, de lidstaten moeten met de werking ervan nu ervaring opdoen. De specifieke aanbeveling voor de lidstaten zowel als voor Europol, waarmee het document eindigt, kunnen zonder meer onderschreven worden. Nederland heeft de aanbevelingen uit het eigen evaluatierapport in uitvoering.

2c. Herzien werkplan voor de strategie inzake douanesamenwerking in de Derde Pijler

document:14680/05 ENFOCUSTOM 74 (EN)
status document:openbaar
documenten:14680/05 ENFOCUSTOM 74 COR 1 (EN)
 14680/05 ENFOCUSTOM 74 COR 2 (EN)
status documenten:niet openbaar
rechtsgrondslag:resolutie van de Raad van 2 oktober 2003
instemmingsrecht:niet van toepassing

In reactie op de ontwikkelingen van de afgelopen jaren op het gebied van de veiligheid heeft de Groep douanesamenwerking een strategie voor douanesamenwerking ontwikkeld die door de Raad in de vorm van een resolutie eind 20031 is aanvaard. Op basis van de resolutie is een actieplan gemaakt met een concreet programma voor verbetering van de samenwerking tussen de douanediensten onderling en met andere rechtshandhavingdiensten. Het actieplan heeft een voorziene looptijd van drie jaar met halverwege een tussentijdse evaluatie. Vanaf januari 2004 is de Groep douanesamenwerking gaan werken aan de realisatie van de 44 actiepunten van het plan. Ieder actiepunt wordt door een projectgroep, bestaande uit een aantal lidstaten en de Commissie uitgewerkt. Conform de afspraken is het plan tijdens het voorzitterschap van het Verenigd Koninkrijk geëvalueerd en enigszins aangepast. Tijdens het Oostenrijkse en het Finse voorzitterschap zal verder worden gewerkt aan de realisatie van de actiepunten.

Het daadwerkelijk vorm geven aan douanesamenwerking door middel van een plan met concrete actiepunten blijkt naar verwachting goed te werken. Het resultaat van de tussentijdse herziening is dan ook slechts een lichte aanpassing van het plan waarbij een aantal actiepunten zijn samengevoegd en deadlines zijn vastgesteld bij de resterende actiepunten. Belangrijkste knelpunt blijkt de monitoring op de daadwerkelijke implementatie en uitvoering door de lidstaten van de door de Groep douanesamenwerking geaccepteerde aanbevelingen van de projectgroepen. Naar aanleiding van de evaluatie is vastgelegd dat daar nu door het voorzitterschap strikter op zal worden toegezien.

2d. Ontwerp-aanbeveling van de Raad betreffende de opstelling van overeenkomsten tussen politie, douane en andere gespecialiseerde rechtshandhavingsautoriteiten

documenten:5467/06 ENFOCUSTOM 8 ENFOPOL 8 CRIMORG 9
 CORDROGUE 4 (EN)
 + COR 1 (EN)
status documenten:niet openbaar
rechtsgrondslag:resolutie van de Raad d.d. 29 november 1996
instemmingsrecht:niet van toepassing

Het voorstel voor deze aanbeveling is een initiatief geweest van het Nederlands Voorzitterschap. Dit initiatief bouwt voort op het werkplan inzake een strategie voor douane-samenwerking en de resolutie van de Raad van 29 november 1996 over het opstellen van politie/douane overeenkomsten bij de bestrijding van drugs.2 Het voorstel beoogt de samenwerking en coördinatie tussen handhavingsdiensten te verbeteren op een breder gebied dan alleen ten behoeve van drugsbestrijding te weten preventie en aanpak van grensoverschrijdende criminaliteit via samenwerking van verschillende nationale autoriteiten.

2e. Samenwerkingsovereenkomst tussen Europol en Australië

document:5715/06 EUROPOL 8 (EN)
status document:niet openbaar
rechtsgrondslag:Raadsbesluit van 27 maart 2000,PB C 106 d.d. 13 april 2000. tot machtiging van de directeur van Europol om onderhandelingen aan te gaan met derde landen en niet EU-gerelateerde instanties over het sluiten van samenwerkingsovereenkomsten.
instemmingsrecht:niet van toepassing

Nederland volgt de conclusie van het gemeenschappelijk controleorgaan (GCO) van Europol, dat er geen obstakels bestaan om onderhandelingen met Australië te beginnen. Het GCO wijst er op dat bij het opstellen van de overeenkomst rekening gehouden moet worden met de federale structuur van Australië, d.w.z. dat de overeenkomst ook bindend moet zijn voor de autoriteiten van de afzonderlijke Staten en Territoria. De overige aandachtspunten voor de onderhandelingen die het GCO noemt, worden doorgaans standaard in een samenwerkingsovereenkomst opgenomen.

2f. Voorstel voor een besluit van de Raad houdende ontslag van een adjunct-directeur van Europol.

document:5770/06 EUROPOL 10 RESTREINT UE (EN)
status document:niet openbaar
rechtsgrondslag:art. 29 van de Europol-Overeenkomst jo. art. 14 van appendix 8 bij het Europol Personeelsreglement.
instemmingsrecht:niet van toepassing

Adjunct-directeur Hojbjerg van Europol heeft zijn ontslag ingediend, dat per 1 september van dit jaar in zou moeten gaan. Artikel 14 van appendix 8 bij het Europol Personeelsreglement bepaalt dat de Raad dit ontslag moet bevestigen.

Er zal een selectieprocedure voor een nieuwe adjunct-directeur worden opgestart. Hiertoe wordt in de vergadering van de Raad van Bestuur van Europol op 8–9 februari gesproken over de planning van de procedure. Volgens het voorstel van het voorzitterschap zou de Raad op zijn vroegst op 24 juli een nieuwe adjunct-directeur kunnen benoemen.

B-punten

3. Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en van de Raad betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II)

document:niet beschikbaar
status document:
rechtsgrondslag:art. 61 sub c juncto art. 65 EG Verdrag
instemmingsrecht:niet van toepassing

Het voorzitterschap wil een aantal knelpunten aan de orde stellen in de bijeenkomst van de Raad. Er is nog geen document en het is nog onbekend welke punten het voorzitterschap uitkiest om aan de Raad voor te leggen. Waarschijnlijk behoren tot de te bespreken punten in elk geval artikel 6 (smaad) en het toepasselijke recht op verkeersongevallen. Voor dit laatste onderwerp heeft Nederland, met steun van een aantal andere lidstaten, steeds gepleit voor aansluiting bij de Haags Verkeersongevallenverdrag uit 1971. Het Europees Parlement en de Europese Commissie geven de voorkeur aan een afwijkende oplossing in de verordening Rome II.

Aanvulling

document:5864/06 JUSTCIV 16 CODEC 85 (EN)
status document:niet openbaar

Het voorstel voor de verordening Rome II bevat een regeling voor het toepasselijk recht op niet-contractuele verbintenissen. Het is gebaseerd op artikel 61 juncto 65 EG-verdrag. Over het voorstel is al drie jaar onderhandeld. Het Oostenrijkse voorzitterschap wil nu enkele punten waarover in de werkgroep geen overeenstemming kan worden bereikt voorleggen aan de Raad. Het betreft vooral de regels welk recht toepasselijk is in het geval van productaansprakelijkheid (art. 4) alsmede de regels om concurrentievervalsing en concurrentiebeperking (art. 5) tegen te gaan. Daarnaast is er geen overeenstemming over de balans tussen bescherming van de privacy enerzijds en waarborgen van de vrijheid van meningsuiting anderzijds (art. 6). Hierbij speelt vooral de kwestie welk recht toepasselijk is in geval van smaad.

Het doel is om de onderhandelingen over dit dossier vlot te trekken door behandeling in de Raad. Nederland kan met de gekozen lijnen van het voorzitterschap akkoord gaan. Tijdens deze bijeenkomst van de Raad zal het debat zich waarschijnlijk toespitsen op artikel 6 inzake smaad en inbreuken op de privacy. Het gaat daarbij vooralsnog alleen om de uitgangspunten voor vaststelling van het toepasselijk recht, niet om een concreet tekstvoorstel voor een bepaling. Een aantal lidstaten is voorstander van een regeling waarbij het recht van de plaats van vestiging van de uitgever een belangrijk aanknopingspunt is, terwijl andere lidstaten meer de nadruk leggen op de positie van het slachtoffer en het recht van zijn gewone verblijfplaats als aanknopingspunt willen hanteren. Tenslotte bepleiten sommige lidstaten en de Europese Commissie uitsluiting van smaad uit het toepassingsgebied van de verordening omdat zij een compromis niet haalbaar achten. Nederland wil dat bij de keuze voor een bepaling zowel recht wordt gedaan aan de positie van het slachtoffer als van de uitgever en is daarom voor een tussenoplossing. De uitgangspunten die het voorzitterschap hiervoor noemt acht Nederland aanvaardbaar.

4. Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure

document:niet beschikbaar
status document:
rechtsgrondslag:art. 61 sub c juncto art. 65 EG
instemmingsrecht:niet van toepassing

Over deze verordening hoopt het voorzitterschap in de bijeenkomst van de Raad van 21 februari 2006 algehele overeenstemming te bereiken en een gemeenschappelijk standpunt in april 2006. In de Raad van december 2005 was al een politiek akkoord bereikt over de tekst van de verordening. Inmiddels zijn ook de formulieren bij de verordening besproken in de raadswerkgroep. Er is nog geen document van het voorzitterschap voor de Raad.

Aanvulling

documenten:5899/06 JUSTCIV 17 CODEC 92 (EN)
 5899/06 JUSTCIV 17 CODEC 92 ADD 1 (EN)
 5899/06 JUSTCIV 17 CODEC 92 ADD 2 (EN)
 5899/06 JUSTCIV 17 CODEC 92 ADD 3 (EN)
 5899/06 JUSTCIV 17 CODEC 92 ADD 4 (EN)
 5899/06 JUSTCIV 17 CODEC 92 ADD 5 (EN)
 5899/06 JUSTCIV 17 CODEC 92 ADD 6 (EN)
 5899/06 JUSTCIV 17 CODEC 92 ADD 7 (EN)
 5935/06 JUSTCIV 18 CODEC 97 (NL)
status document:niet openbaar

Het voorstel voor een verordening Europees betalingsbevel is tijdens de bijeenkomst van de Raad van 1 en 2 december 2005 besproken. Daar is een politiek akkoord over de tekst op hoofdlijnen bereikt. In de week erna heeft het Europees Parlement die tekst in eerste lezing aanvaard. Het voorzitterschap wil nu aan de Raad de tekst van de verordening, inclusief de tekst van de overwegingen en de formulieren voorleggen, met het oog op een akkoord over de gehele tekst. Nederland kan instemmen met voorlegging aan de Raad en met de tekst van de overwegingen. Bij de formulieren zijn niet alle Nederlandse opmerkingen verwerkt, maar Nederland kan hiermee als compromis instemmen.

De termijn voor uitvoering van 24 maanden is voor Nederland aanvaardbaar. Nederland voorziet geen uitgebreide discussie in de Raad, daar de andere lidstaten naar verwachting eveneens kunnen instemmen.

5. (evt.) Voorstel voor een kaderbesluit van de Raad betreffende het Europees bewijsverkrijgingsbevel ter verkrijging van voorwerpen, documenten en gegevens voor gebruik in strafprocedures

document:15957/05 COPEN 199 (NL)
status:niet openbaar
rechtsgrondslag:artikel 34, tweede lid, onder b, Unieverdrag
instemmingsrecht:van toepassing

Op dit moment is het nog onzeker of het onderhavige voorstel op de agenda van de komende bijeenkomst van de Raad blijft staan. Het kaderbesluit is laatstelijk kort aan de orde geweest tijdens de Raad van 1 en 2 december 2005. Die bespreking heeft niet tot overeenstemming geleid. Het Voorzitterschap hoopt bilateraal en via de Radengroep voldoende vooruitgang te boeken, zodat agendering voor de komende bijeenkomst van de Raad zinvol is. Ter gelegenheid van de aanvullende geannoteerde agenda zal hierover hopelijk meer duidelijkheid bestaan. Alsdan volgt nadere inhoudelijke berichtgeving over dit agendapunt.

Aanvulling

document:6070/06 COPEN 13 (EN)
status:niet openbaar

De ambitie van het Voorzitterschap is een politiek akkoord te bereiken over dit ontwerp-kaderbesluit. Daartoe zal eerst op 14 februari a.s. een viertal openstaande punten, beschreven in het hierboven genoemde document, op ambtelijk niveau worden besproken. Drie van deze punten stonden ook al geagendeerd voor de bijeenkomst van de Raad van 1 en 2 december 2005.1 Afhankelijk van de vraag of voldoende vooruitgang wordt geboekt, zal dit agendapunt al dan niet op de agenda blijven staan.

Het eerste punt betreft de wens van Duitsland om een aantal van de strafbare feiten op de lijst van dubbele strafbaarheid in een Bijlage bij het kaderbesluit te definiëren. Voor vrijwel alle lidstaten is dit onnodig en ook onwenselijk. Ook Nederland is hier geen voorstander van. Een dergelijke opsomming kan met terugwerkende kracht ook betekenis krijgen voor de bestaande kaderbesluiten waarin dezelfde lijst is opgenomen, hetgeen tot onwenselijke gevolgen kan leiden. Consistentie van regelgeving is gewenst, ook op dit punt. Nederland kan het voorstel van Duitsland dan ook niet steunen.

Het tweede punt heeft betrekking op de wens van Duitsland om in het kaderbesluit niet alleen de uitvoerende staat te verplichten het instellen van een rechtsmiddel tegen de erkenning en tenuitvoerlegging van een Europees Bewijsverkrijgings Bevel (EBB) mogelijk te maken, maar ook de uitvaardigende staat de verplichting op te leggen een rechtsmiddel mogelijk te maken tegen het uitvaardigen van een EBB. Een groot aantal lidstaten spraken zich uit tegen die laatste verplichting. Als compromis wordt voorgesteld de tekst inzake rechtsmiddelen onveranderd te laten en een overweging in de preambule op te nemen. Nederland kan dit compromisvoorstel steunen.

Het derde punt betreft een Portugese wens voor een overweging in de preambule met betrekking tot de weigeringsgrond inzake privileges en immuniteiten. De voorgestelde overweging strekt ertoe duidelijk te maken dat de begrippen voorrechten en immuniteiten, bij ontstentenis van een gemeenschappelijke definitie, worden geïnterpreteerd overeenkomstig het nationale recht, maar dat lidstaten niet het bankgeheim mogen inroepen onder deze weigeringsgrond. Nederland kan het voorstel voor deze overweging steunen.

Het vierde punt betreft een voorstel voor een overweging in de preambule in verband met de inzet van dwangmaatregelen ter uitvoering van een EBB. De overweging strekt ertoe de in het kaderbesluit neergelegde regeling te verduidelijken. Deze komt erop neer dat dwangmaatregelen moeten kunnen worden ingezet, wanneer het EBB betrekking heeft op een feit dat op de lijst van dubbele strafbaarheid staat genoemd en op dat feit in de uitvaardigende staat een gevangenisstraf van tenminste drie jaar is gesteld. In alle andere gevallen mag de inzet van dwangmaatregelen worden geweigerd, wanneer de inzet daarvan niet in overeenstemming zou zijn met het nationale recht van de uitvoerende staat. Nederland kan met de voorgestelde overweging instemmen.

Tenslotte kan worden opgemerkt dat door het Voorzitterschap met de meest betrokken lidstaten wordt gewerkt aan een compromis inzake de territorialiteitsclausule. Zoals bekend hecht Nederland belang aan deze clausule. De Nederlandse inzet is er dan ook op gericht de tekst van de clausule ongewijzigd in het kaderbesluit op te nemen. Nederland is in dit verband wel bereid in een recital vast te leggen dat de eventuele toepassing van deze weigeringsgrond, in het geval het feit waarvoor het EBB is uitgevaardigd gedeeltelijk op het grondgebied van de uitvoerende staat zijn gepleegd, per geval beoordeeld moet worden.

6. (evt.) Besluit van de Raad betreffende de ondertekening door het Voorzitterschap van de overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen inzake de overleveringsprocedure tussen de lidstaten van de Europese Unie en IJsland en Noorwegen.

document:niet beschikbaar
status document:
rechtsgrondslag:artikel 24 en artikel 38 Unieverdrag
instemmingsrecht:niet van toepassing

Dit onderwerp is laatstelijk in de bijeenkomst van de Raad op 12 oktober 2005 besproken.1

De Voorzitter is voornemens na te gaan of de lidstaten kunnen instemmen met dit besluit.

Aanvulling

Dit agendapunt komt te vervallen.

7. Vervolg van de uitspraak van het Hof van Justitie van 13 september 2005 (Zaak 176/03 Commissie versus de Raad)

document:niet beschikbaar
status document:
rechtsgrondslag:niet van toepassing
instemmingsrecht:niet van toepassing

Het is nog niet geheel duidelijk hoe het Voorzitterschap dit onderwerp wil bespreken, het onderwerp is aan de orde geweest tijdens de informele bijeenkomst van de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie op 12 tot 14 januari jl.. U zult bij de aanvullende geannoteerde agenda nader worden geïnformeerd.

Aanvulling

document:6053/06 JAI 45 ENV 56 MI 20 PI 10 TRANS 31 MIGR 14
 ECOFIN 31 (NL)
status document:niet openbaar

Het voorzitterschap is voornemens aan de Raad, ter informatie, een document voor te leggen waarin enkele procedurele principes zijn vervat die adequate betrokkenheid van de JBZ-Raad moeten verzekeren bij besluitvorming over Gemeenschapswetgeving met strafrechtelijke aspecten. Het nieuwe document is nog niet beschikbaar.

Nederland verwelkomt met vele lidstaten het vaststellen van praktische en effectieve afspraken teneinde die betrokkenheid van JBZ-ministers en van JBZ-gremia bij de voorbereiding van en besluitvorming over strafrechtelijke bepalingen in richtlijnen te waarborgen.

Een eerste versie van voornoemde procedurele beginselen is vervat in bovengenoemd document. Het voorzitterschap heeft aangekondigd deze versie aanzienlijk te bekorten.

Aanleiding hiervoor vormt de uitspraak van het Hof van Justitie met betrekking tot milieustrafrecht (13 september 2005). Het Hof vernietigde in deze uitspraak het kaderbesluit milieustrafrecht (derde pijler) en bepaalde dat de Gemeenschapswetgever de lidstaten in een richtlijn (eerste pijler) kan verplichten om ernstige inbreuken op het Gemeenschapsrecht strafbaar te stellen in hun eigen wetgeving, indien het gebruik van strafrechtelijke sancties door de lidstaten onontbeerlijk is om een wezenlijke doelstelling van het EG-Verdrag te bereiken (in dit geval de strijd tegen ernstige aantastingen van het milieu).

De gevolgen van de uitspraak van het Hof van Justitie zijn besproken tijdens de informele bijeenkomst van de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken van 13 en 14 januari 2006,1 mede in het licht van een recente Mededeling van de Commissie over dit onderwerp. De lidstaten konden zich vinden in drie door de Juridische Dienst van de Raad ontwikkelde basisbeginselen:

(1) Strafrecht valt in beginsel buiten de eerste pijler.

(2) De Gemeenschapswetgever is bevoegd wetgeving tot stand te brengen die betrekking heeft op het strafrecht van de lidstaten wanneer hij dit onontbeerlijk acht om te verzekeren dat Gemeenschapsnormen (niet nationale normen) volledig effectief zijn.

(3) De Gemeenschapswetgever laat aan de lidstaten de keuze van de toe te passen strafrechtelijke sancties, mits deze effectief, evenredig en afschrikkend zijn.

De Commissie heeft zich niet aan deze lezing van de uitspraak van het Hof van Justitie gecommitteerd. Tijdens de informele bijeenkomst van de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken bleek verder dat alle JBZ-ministers een behoedzame benadering voorstaan ten aanzien van reeds totstandgekomen kaderbesluiten en vinden dat kwesties ten aanzien van introductie van strafrechtelijke bepalingen in toekomstige Gemeenschaps-instrumenten op «case-by-case» basis moeten worden bestudeerd. De JBZ-ministers zien voorts het verzekeren van coherentie van strafrecht als een verantwoordelijkheid van de JBZ-Raad, die op zijn minst geconsulteerd moet worden over alle voorstellen met een strafrechtelijke dimensie. In het Haags programma (3.3.2) is hierover reeds het volgende afgesproken: «met het oog op een effectiever uitvoering binnen de nationale stelsels, dienen de JBZ-ministers binnen de Raad in het algemeen verantwoordelijk te zijn voor het omschrijven van strafbare feiten en het bepalen van straffen».

8. Mededeling van de Commissie inzake de inrichting van structuren betreffende het bevorderen van de samenwerking tussen de nationale asieldiensten van de lidstaten

document:niet beschikbaar
status document:
rechtsgrondslag:niet van toepassing
instemmingsrecht:niet van toepassing

Van de zijde van de Europese Commissie is aangekondigd op korte termijn een mededeling inzake de bevordering van de samenwerking tussen de nationale asieldiensten van de lidstaten te doen publiceren.

Aanvulling

Naar verwachting zal bovengenoemde mededeling omstreeks midden februari 2006 worden gepubliceerd. Gelet op de verlate beschikbaarheid van deze mededeling wordt geen uitputtende behandeling voorzien.

9. Gemeenschappelijke minimumlijst van veilige landen van herkomst overeenkomstig richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus

document:niet beschikbaar
status document:
rechtsgrondslag:niet van toepassing
instemmingsrecht:niet van toepassing

Van de Europese Commissie wordt in de eerste helft van 2006 in deze een voorstel verwacht dat wordt voorgelegd aan de Raad.

10. (evt.) Groenboek over de toekomst van het Europees Migratienetwerk

document:COM (2005) 606 (NL)
status document:openbaar
rechtsgrondslag:niet van toepassing
instemmingsrecht:niet van toepassing

De Commissie heeft een groenboek gepubliceerd over de toekomst van het Europees Migratienetwerk (EMN). De kabinetsreactie op dit groenboek wordt uw Kamer op korte termijn door de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie toegezonden.

Het EMN is in 2002 opgericht en heeft als doel het verzamelen van objectieve, betrouwbare en vergelijkbare gegevens ten behoeve van de Gemeenschap, de lidstaten en op de langere termijn het publiek. Het EMN bevindt zich thans nog in de pilotfase. Met het groenboek wil de Commissie met belanghebbenden de discussie aangaan over de toekomst van het EMN. Het kabinet is voorstander van voortzetting van het EMN gebaseerd op zijn huidige vorm, waarbij er krachtig naar gestreefd dient te worden overlapping met andere werkzaamheden zoveel mogelijk te voorkomen. Tijdens de bijeenkomst van de Raad zal de Commissie een overzicht geven van de stand van de publieke consultatie.

Aanvulling

De bovenbedoelde kabinetsreactie is uw Kamer toegezonden bij brief van 31 januari 2006 (Kamerstukken II, 2005–06, 22 112, nr. 419).

11. Voorstel voor een beschikking van de Raad betreffende de instelling van een procedure voor wederzijdse informatie over de maatregelen van de lidstaten op het gebied van asiel en immigratie

document:nog niet beschikbaar
status document:
rechtsgrondslag:artikel 66 EG-Verdrag
instemmingsrecht:van toepassing

Naar aanleiding van discussies over de regularisatie van illegale immigranten door de Spaanse regering in 2004 keurde de Raad op 14 april 2005 conclusies goed over de instelling van een systeem van wederzijdse informatie voor beleidsvoerders van de lidstaten op het gebied van migratie en asiel. De Commissie werd verzocht een formeel wetgevingsvoorstel in te dienen, hetgeen in oktober 2005 gebeurde. De voorgestelde procedure houdt in dat lidstaten voorgenomen maatregelen op het gebied van asiel en immigratie die gevolgen kunnen hebben voor de andere lidstaten of de gehele Gemeenschap meedelen aan de andere lidstaten en de Commissie, uiterlijk op het tijdstip waarop deze openbaar worden gemaakt. Een lidstaat of de Commissie kan aanvullende informatie vragen over een bepaalde maatregel. Er kan ook over een nationale maatregel van gedachten worden gewisseld tussen de lidstaat die de maatregel heeft genomen, de Commissie en alle andere lidstaten die dit wensen. Het doel van een dergelijke gedachtewisseling is uitsluitend het vaststellen van problemen van gemeenschappelijk belang.

Het kabinet verwelkomt het voorstel van de Commissie. Het is van groot belang dat de lidstaten elkaar tijdig op de hoogte stellen van maatregelen die zij willen nemen, wanneer die maatregelen – op kortere of langere termijn – gevolgen kunnen hebben voor andere lidstaten. Maar als de lidstaten maatregelen pas hoeven te melden op het moment dat zij als wetgeving ter goedkeuring worden voorgelegd, wordt het erg moeilijk om maatregelen met mogelijk grensoverschrijdende gevolgen zo vroeg te bespreken dat lidstaten nog kunnen overwegen hun maatregelen aan te passen. Het zou dan ook goed zijn als lidstaten in een veel eerder stadium met elkaar van gedachten kunnen wisselen dan waarin de ontwerp-beschikking voorziet. Bij besprekingen op ambtelijk niveau is tot nu toe gebleken dat ook veel andere lidstaten het zinvoller achten beleidsvoornemens in een vroegtijdig stadium aan elkaar en de Commissie te melden, en niet pas op het moment dat die voornemens al in wetsontwerpen zijn neergelegd.

Aanvulling

Dit agendapunt is komen te vervallen.

Aanvulling

12. Ontwerp-conclusies van de Raad betreffende het mechanisme van wederkerigheid van de ontheffing van de visumplicht

document:6137/06 VISA 40 COMIX 128 (EN)
status document:openbaar
rechtsgrondslag:niet van toepassing
instemmingsrecht:niet van toepassing

Naar aanleiding van het verslag van de Europese Commissie zijn bijgevoegde ontwerp-Raadsconclusies opgesteld die het standpunt van de Raad met betrekking tot dit verslag weergeven.

Tijdens zijn overleg d.d. 8 februari jl. heeft het Comité van permanente vertegenwoordigers deze conclusies besproken. Nederland heeft, evenals de overige lidstaten, hiermee ingestemd.

13. Initiatief van de Franse Republiek tot wijziging van de beschikking van de Raad houdende wijziging van bijlage 12 bij de Gemeenschappelijke Visuminstructies en van bijlage 14 a bij het Gemeenschappelijk Handboek inzake de legesrechten ter dekking van de administratieve kosten van de behandeling van de visumaanvraag.

document:13775/05 VISA 269 FRONT 184 COMIX 702
status document:niet openbaar
rechtsgrondslag:artikel 62 EG-VerdragProcudure: raadpleging Europees Parlement en besluitvorming bij gekwalificeerde meer- derheid.
instemmingsrecht:niet van toepassing

Aan de Raad zal een Frans voorstel voorliggen voor een Raadsbesluit dat bijlage 12 van de Gemeenschappelijke Visum Instructie (GVI) en bijlage 14a van het Gemeenschappelijk Handboek over leges beoogt aan te passen, met het oog op de administratieve kosten voor de afhandeling van aanvragen van visa. Het Oostenrijkse voorzitterschap streeft ernaar hierover een politiek akkoord te bereiken.

Het Franse voorstel houdt in dat de visa leges worden verhoogd van € 35 naar € 60. In verband met de inwerkingtreding van het Visum Informatie Systeem (VIS) in 2007 en het toepassen van biometrische gegevens bij aanvragen van visa acht Frankrijk deze verhoging van de visa leges noodzakelijk om de administratieve kosten te dekken.

De discussie over dit Franse voorstel loopt nog. De discussie spitst zich met name toe op de verhoging van de leges, de ingangsdatum en de mogelijkheid tot het maken van uitzonderingen.

Nederland kan evenals het merendeel van de lidstaten instemmen met de verhoging. Over de ingangsdatum zijn de meningen nog verdeeld. Het laatste voorstel is om de leges per 1 januari 2007 in te voeren, hetgeen voor Nederland aanvaardbaar is. Tenslotte kan het merendeel van de lidstaten zich vinden in het compromisvoorstel van het voorzitterschap voor aanpassing van de nationale bevoegdheid tot het instellen van vrijstellingscategorieën.

Voor de verdere bespreking voorafgaande aan en tijdens de bijeenkomst van de Raad zal nog een document worden opgesteld.

14. Diversen

Beveiligingsregelingen in het kader van het Wereldkampioenschap in Duitsland in 2006 (verzoek van de Zweedse delegatie)

Naar aanleiding van een verzoek van de Zweedse delegatie zullen mogelijk mededelingen worden gedaan over de beveiligingsregelingen bij het Wereldkampioenschap voetbal in Duitsland in 2006.

II Gemengd Comité

1. Schengen Informatiesysteem (SIS II) – Stand van zaken

document:5596/06 SIRIS 20 SCHENGEN 9 CATS 12 COMIX 75 (EN)
status document:niet openbaar
rechtsgrondslag:niet van toepassing
instemmingsrecht:niet van toepassing

Het Oostenrijks Voorzitterschap zal verslag uitbrengen van de bespreking van het voorliggende document in het Comité van artikel 36. In dit document heeft het Voorzitterschap een benadering voorgesteld ter zake van de verordening en het besluit ten behoeve van het opzetten van een Schengen Informatie Systeem van de tweede generatie (SIS II). Het Voorzitterschap heeft op de oorspronkelijke voorstellen van de Commissie verregaande amendementen aangebracht die meer in lijn zijn met de vigerende tekst van de Schengenuitvoeringsovereenkomst (SUO). Met deze amendementen wordt tegemoetgekomen aan enkele lidstaten en aan de kritische geluiden vanuit het Europees Parlement (rapporteur Coelho).

Ten aanzien van het beheer van SIS II is voorgesteld de uiteindelijke beslissing hierover uit te stellen tot een later moment. In dit geval moet voor een interim oplossing worden gezorgd. Het Comité van artikel 36 zal hierover advies uitbrengen.

Aanvulling

document:5991/06 JAI 41 COMIX 117 (EN)
status document:niet openbaar

Het betreft hier het laatste document dat in het Comité van permanente vertegenwoordigers is besproken. In het document, dat ter informatie aan de Raad zal worden voorgelegd wordt door het voorzitterschap voorgesteld:

(1) De discussie over de voorstellen van de Commissie (verordening en besluit) voort te zetten op basis van een uitgangspunt dat dichter bij de oorspronkelijke Uitvoerings-overeenkomst van Schengen (SUO) ligt;

(2) Een ad-hoc werkgroep op hoog niveau in te stellen die de implementatie op centraal niveau en in de lidstaten aanstuurt;

(3) Op een later tijdstip een diepgaande discussie te entameren over het beheer van SIS II in de overgangsfase en op lange termijn.

Het voorzitterschap streeft naar een akkoord over de eerste lezing van de verordening SIS II met het Europees Parlement in juni 2006.

Nederland acht spoedige totstandkoming van het SIS II van groot belang.; de SIS II-regelgeving dient tijdig, dat wil zeggen, vóór 2007, gereed te zijn. Nederland streeft daarbij naar een balans tussen effectiviteit, doelbinding en gegevensbescherming en staat positief tegenover de voorstellen van het voorzitterschap, evenals de andere lidstaten en de Commissie. De standpunten van de lidstaten met betrekking tot het beheer van SIS II op de lange termijn lopen thans nog uiteen.

2. (evt.) Verslag van de Commissie aan de Raad betreffende regelingen met derde landen inzake de wederkerigheid van de ontheffing van de visumplicht overeenkomstig artikel 2 van verordening (EG) nr. 851/2005 van de Raad van 2 juni 2005 tot wijziging van verordening (EG) nr. 539/2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld, wat betreft het wederkerigheidsmechanisme

document:5370/06 VISA 14 AUS 2 AMLAT 5 ASIE 1 CDN 1 USA 4 COMIX 53 (NL)
status document:openbaar
rechtsgrondslag:niet van toepassing
instemmingsrecht:niet van toepassing

Verordening (EG) nr. 851/2005 van de Raad van 2 juni 2005 tot wijziging van verordening (EG) nr. 539/2001 bevat een nieuw wederkerigheidsmechanisme, dat ten doel heeft door middel van passende maatregelen te zorgen voor wederkerigheid ten aanzien van derde landen die voor een verblijf van minder dan 90 dagen nog een visum verlangen van burgers van de lidstaten, terwijl de betrokken EU-lidstaten een dergelijke visumplicht niet meer opleggen aan de burgers van die derde landen. Op grond van deze wijziging dienden de lidstaten uiterlijk op 24 juli 2005 kennis te geven van alle bestaande situaties van niet-wederkerigheid met verschillende derde landen. Deze kennisgevingen zijn bekendgemaakt in het Publicatieblad van 11 oktober 2005. Naar aanleiding hiervan heeft de Europese Commissie met de autoriteiten van deze landen overleg gevoerd. Vervolgens heeft de Europese Commissie op 10 januari 2006 onderhavig verslag aangeleverd over de ondernomen inspanningen ter opheffing van de bestaande situaties van niet-wederkerigheid.

Uit het verslag blijkt dat voor vier landen (Costa Rica, Nicaragua, Panama en Venezuela) de wederkerigheid van de visumontheffing reeds een feit is en dat voor Brazilië de juridische oplossing reeds is aangekondigd. Verder is voor vier landen (Brunei Darussalam, Maleisië, Singapore en Uruguay) reeds een oplossing voor de niet-wederkerigheidsproblemen in zicht, maar deze moet de komende maanden nog verder ten uitvoer worden gelegd en/of onderzocht. Tenslotte is voor drie landen (Australië, Canada en de VS) weliswaar reeds enige vooruitgang geboekt op het gebied van de doorzichtigheid, maar is nog geen vooruitgang geboekt wat de uitbreiding betreft van de ontheffing van de visumplicht tot de burgers van alle lidstaten van de EU.

Gezien de vooruitgang die door de derde landen, zij het tegen een verschillend tempo, is geboekt, is de Europese Commissie van mening dat het in dit stadium niet nodig is om voorstellen voor maatregelen, zoals tijdelijke herinvoering van de visumplicht, in te voeren. De Europese Commissie zal de vooruitgang evenwel nauwgezet blijven volgen, teneinde te garanderen dat de door de derde landen aangegane verbintenissen worden nagekomen.

Nederland kan instemmen met de door de Europese Commissie gekozen weg.

Aanvulling

Zie hierboven agendapunt 12.

Aanvulling

3. Initiatief van de Franse Republiek tot wijziging van de beschikking van de Raad houdende wijziging van bijlage 12 bij de Gemeenschappelijke Visuminstructies en van bijlage 14 a bij het Gemeenschappelijk Handboek inzake de legesrechten ter dekking van de administratieve kosten van de behandeling van de visumaanvraag.

Zie hierboven agendapunt 13.


XNoot
1

De beschikbare documenten met als status «openbaar» zijn ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer. De beschikbare documenten met als status «niet openbaar» zijn ter inzage gelegd, alleen voor de leden, bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

XNoot
1

http://register.consilium.eu.int/utfregister/frames/introfsNL.htm.

XNoot
2

Zie voor annotatie en verslag: 23 490 nrs 396 + 399.

XNoot
1

PB C 247, d.d. 15 oktober 2003.

XNoot
2

PB C 375 d.d. 12 december 1996.

XNoot
1

Zie voor de geannoteerde agenda en de aanvullende geannoteerde agenda van deze bijeenkomst van de Raad, 23 490 nrs. 396 en 399.

XNoot
1

Zie voor annotatie en verslag: 23 490 nr 390 en 395.

XNoot
1

Zie voor het verslag van deze informele bijeenkomst van de ministers JBZ, 23 490 nr. 403.

Naar boven