Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2002-2003 | 23490 nr. 284 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2002-2003 | 23490 nr. 284 |
Vastgesteld 17 juni 2003
Binnen de vaste commissie voor Justitie1 hebben enkele fracties de behoefte over de brief van de minister van Justitie d.d. 25 maart 2003 inzake de besprekingen over strafrechtelijke samenwerking tussen de Verenigde Staten en Nederland (Just-03279) enkele vragen en opmerkingen aan de minister voor te leggen. Bij brief van 16 juni 2003 heeft de minister geantwoord. Vragen en antwoorden zijn hieronder afgedrukt.
Wat is de juridische/diplomatieke status van de medewerkers van het State Department en van de Drug Enforcement Administration (DEA), die zijn aangesteld bij de Amerikaanse ambassade en/of elders?
De door een andere Staat aangemelde, in Nederland gestationeerde buitenlandse opsporingsambtenaren voor politiële en justitiële strafrechtelijke samenwerking (verbindingsofficieren), waaronder ook vallen de medewerkers van de Drug Enforcement Administration die met dit doel in Nederland werkzaam zijn, hebben een diplomatieke status en dienen conform het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer (Trb 1962, 101) hun werkzaamheden uit te voeren met inachtneming van de Nederlandse wet- en regelgeving. Nadere reglementering is te vinden in de Regeling buitenlandse verbindingsofficieren van 8 maart 2002, Staatscourant 27 maart 2002, nr. 61. Deze regeling geeft het kader aan waarbinnen de in Nederland gestationeerde verbindingsofficieren hun werkzaamheden dienen te verrichten. Bindend uitgangspunt is dat de buitenlandse verbindingsofficier niet zelfstandig enig onderzoeks- of opsporingshandeling, als onder meer bedoeld in het Wetboek van Strafvordering mag verrichten.
Zijn er in Nederland ook op andere plaatsen of bij andere instanties Amerikaanse justitiële ambtenaren aangesteld/werkzaam en, zo ja, hoeveel en waar?
Voorzover in Nederland andere Amerikaanse ambtenaren in Nederland gestationeerd zijn, die met een ander doel dan politiële en justitiële strafrechtelijke samenwerking hier aanwezig zijn (zoals douane-verbindingsofficieren: US customs officers) zullen hun werkzaamheden vallen binnen kaders door de daarvoor verantwoordelijke departementen gesteld (zoals in genoemd voorbeeld het Ministerie van Financiën). Indien hun werkzaamheden op het terrein komen van politiële en/of justitiële strafrechtelijke samenwerking, zijn zij voor deze werkzaamheden gebonden aan de in de beantwoording van vraag 1 genoemde Regeling buitenlandse verbindingsofficieren. De US customs officers zijn als zodanig aangemeld. In Nederland zijn er op dit moment enkele douane verbindingsofficieren, ook in het kader van het project Container Security Initiative, werkzaam. Tenslotte zijn er, weliswaar buiten Nederland gestationeerd, maar wel aangemeld (geaccrediteerd) voor Nederland, 2 FBI verbindingsofficieren werkzaam (geplaatst in Brussel) en 1 verbindingsofficier van de secret service (geplaatst in Parijs), die, voorzover zij hun werkzaamheden verrichten ten behoeve van strafrechtelijke samenwerking tussen de Verenigde Staten en Nederland, vallen onder het de beantwoording van vraag 1 genoemde regime.
Wat wordt verstaan onder «strafrechtelijk onderzoek van wederzijds belang»? En wie bepaalt of dat het geval is?
Met «strafrechtelijke onderzoeken van wederzijds belang» worden die onderzoeken bedoeld waarin bij een succesvolle afronding ervan zowel de Nederlandse als de Amerikaanse opsporings- en vervolginginstanties een belang hebben. De vraag of hiervan in een bepaalde situatie sprake is wordt beantwoord in overleg tussen de justitiële autoriteiten in beide landen.
Wat wordt verstaan onder «informatiebronnen inzake strafrechtelijke samenwerking»? En zijn er ook strafrechtelijke informatiebronnen die niet toegankelijk zijn voor Amerikaanse ambtenaren? Zo ja, welke?
Onder «informatiebronnen inzake strafrechtelijke samenwerking» worden, naast openbare bronnen en gegevensbestanden aanwezig bij derden, politiële en justitiële gegevensbestanden bedoeld. De vraag of, en onder welke voorwaarden, in een concrete situatie informatie uit deze Nederlandse gegevensbestanden aan de Amerikaanse autoriteiten ter beschikking kan worden gesteld wordt beantwoord op basis van de Nederlandse wet en regelgeving op dit vlak. Er zijn geen gegevensbestanden waarin informatie is opgeslagen die altijd en onder alle omstandigheden aan buitenlandse opsporings- en vervolgingsautoriteiten moet worden onthouden. Wel kan zich de situatie voordoen dat een derde partij die over gegevens beschikt weigert deze aan Nederlandse opsporingsambtenaren ter beschikking te stellen.
Wat wordt verstaan onder «operationele strafrechtelijke samenwerking»?
Onder «operationele samenwerking» wordt in het algemeen die samenwerking verstaan die gericht is op de voorkoming of opsporing en vervolging van strafbare feiten. Voor zover het de samenwerking in het kader van de opsporing van strafbare feiten betreft, zal daaraan veelal een rechtshulpverzoek ten grondslag liggen. Op basis van de Wet en het Besluit politieregisters kan er in beperkte mate op politie-niveau informatie worden uitgewisseld zonder dat daarvoor aan Nederlandse zijde de tussenkomst van het OM vereist is.
Als Amerikaanse ambtenaren bijstand of assistentie hebben verleend in een strafrechtelijk onderzoek dat wordt voorgelegd aan een Nederlandse rechter, wordt die bijstand of assistentie dan altijd vermeld in het proces-verbaal en, zo ja, kunnen die ambtenaren door de Nederlandse rechter altijd worden gehoord als getuige? Zo neen, waarom niet?
Indien Amerikaanse ambtenaren assistentie hebben verleend ten behoeve van een Nederlands strafrechtelijk onderzoek naar aanleiding van een Nederlands rechtshulpverzoek, zullen de resultaten hiervan zich bevinden in het Nederlandse strafdossier. Indien Amerikaanse ambtenaren assistentie hebben verleend middels spontane informatieverstrekking aan Nederland ten behoeve van een Nederlands strafrechtelijk onderzoek, zal daarvan door een Nederlandse opsporingsambtenaar een proces verbaal worden opgemaakt, hetgeen ook zal worden toegevoegd aan het betreffende strafdossier. Ditzelfde geldt ook voor informatie afkomstig van voor de in Nederland gestationeerde buitenlandse verbindingsofficieren. Algemeen geldt dat Amerikaanse ambtenaren kunnen worden opgeroepen als getuige. Voor de in Nederland gestationeerde verbindingsofficier geldt dat ook, maar deze kan zich, gezien zijn diplomatieke status, beroepen op diplomatieke onschendbaarheid. Mocht dat zich voordoen, dan kan de betreffende Nederlandse opsporingsambtenaar, die het proces-verbaal over de informatieverstrekking heeft opgemaakt, of zijn leidinggevende, ter zitting een toelichting geven op (de totstandkoming van) het proces-verbaal. Op zich is dit vergelijkbaar met de in Nederland geaccepteerde de auditu-doctrine, waarmee het gebruik van een verklaring van horen zeggen (hier dus dat proces-verbaal) onder bepaalde voorwaarden kan worden gebruikt zonder dat de originele bron daarbij wordt betrokken.
Acht de minister het mogelijk dat er door de Amerikaanse ambtenaren in Nederland opsporingsmethoden worden toegepast die in het Nederlandse recht verboden zijn?
Amerikaanse ambtenaren, zoals bij voorbeeld de in Nederland werkzame liaison-officers, hebben in Nederland geen opsporingsbevoegdheid. In de Regeling buitenlandse verbindingsofficieren (Staatscourant 27 maart 2002, nr. 61) is dit uitdrukkelijk vastgelegd. Wel kunnen onder omstandigheden in Nederlandse opsporingsonderzoeken (op Nederlands grondgebied) buitenlandse politie-ambtenaren als infiltrant worden ingezet. Dit geschiedt dan onder gezag en verantwoordelijkheid van het Nederlandse OM en onder directe en strakke aansturing door de Nederlandse politie. Dat er sprake zou kunnen zijn van het gebruik van in Nederland niet toegestane opsporingsmethoden door Amerikaanse ambtenaren lijkt dus onwaarschijnlijk.
Wie of wat is de centrale autoriteit DIN, wat is haar taak en wie is daar politiek verantwoordelijk voor?
Op basis van het bepaalde in de Wet Politieregisters en het besluit Politieregisters is de tot het Korps Landelijke Politiediensten behorende Dienst Internationale Netwerken de instantie die verantwoordelijk is voor de informatie uitwisseling met andere landen. Deze dienst is daartoe aangewezen als de z.g. Nationale Autoriteit. De politieke verantwoordelijkheid voor het functioneren van de DIN (als onderdeel van het KLPD) is een gedeelde verantwoordelijkheid tussen de Minister van BZK in diens rol van beheerder van het Korps Landelijke Politiediensten en de Minister van Justitie als verantwoordelijk bewindspersoon voor de opsporing en vervolging van strafbare feiten. De werkzaamheden die de DIN in dat kader uitvoert, worden onder het gezag van de Hoofdofficier van het Landelijke Parket verricht.
Is bekend hoe vaak de Verenigde Staten ten aanzien van Nederlandse gedetineerden niet artikel 36 Verdrag van Wenen hebben nageleefd? Zo ja, hoe vaak is dat dan het geval geweest?
Artikel 36 van het verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen (Trb. 1981, 143) regelt dat zodra in een Staat een onderdaan van een andere Staat wordt gearresteerd, deze persoon geïnformeerd wordt over de mogelijkheid een verzoek te doen tot consulaire bijstand. Indien de betrokken persoon daarvan gebruik wil maken, wordt de consulaire post ingelicht. Bekend is dat de Verenigde Staten soms in gebreke blijven om aangehouden onderdanen van andere Staten (incl. Nederlanders) van deze mogelijkheid op de hoogte te stellen.voorkomt. Ter verbetering hiervan wordt door Nederland gezamenlijk met andere EU lidstaten frequent overleg gevoerd met de Verenigde Staten.
Waarom heeft Nederland met betrekking tot een aantal afspraken eenzijdig een verplichting op zich genomen en geldt deze verplichting dus niet onverkort voor de Verenigde Staten?
Bij de formulering van de afspraken in het «Agreed Steps»-document is steeds bezien of een bepaalde afspraak zowel in Nederland als in de VS tot maatregelen of actie aanleiding dient te geven of dat dit slechts in één van beide landen tot actie moet leiden. De meeste afspraken in het document zijn wederkerig, enkele afspraken zullen, gezien hun aard, alleen aan Amerikaanse dan wel aan Nederlandse zijde moeten worden uitgevoerd.
De leden van de SP-fractie maken zich zorgen over de strafrechtelijke samenwerking tussen Nederland en de Verenigde Staten. Deze leden krijgen de indruk dat Nederland te weinig probeert haar eigen beleid te maken dan wel daar aan vasthoudt en al te gemakkelijk de wensen van de Amerikanen overneemt. Waarom stuurt de minister de Amerikaanse agenten niet naar de Verenigde Staten om op deze manier eigen onderzoek te doen? Bovendien dringt zich aan deze leden het beeld op dat Nederland, bij de uitleveringen naar de Verenigde Staten, «het beste jongetje van de klas» probeert te zijn en bereid is hierbij de zorgvuldige behandeling van de eigen onderdanen op te offeren. De leden van de SP-fractie vinden dit onacceptabel. De leden van de SP-fractie hebben de navolgende vragen.
Wat is de reden dat er nog meer agenten van de DEA naar Nederland komen? Zijn de alternatieven van zelf vervolgen en zelf anders opleiden van nieuwe agenten wel onderzocht? Zijn Nederlandse agenten niet in staat goed werk te leveren op dit gebied? Zo neen, waarom niet? Zo ja, wat is de meerwaarde van de DEA hier? Hoeveel DEA agenten zijn in Nederland (wel eens) actief? Hoeveel «global issues officers» zijn er op dit moment?
De reden waarom buitenlandse verbindingsofficieren naar Nederland komen, is dezelfde als waarom Nederlandse verbindingsofficieren gestationeerd worden in het buitenland, namelijk bevordering van de wederzijdse samenwerking. Dat staat los van de vraag in hoeverre Nederlandse agenten zelf in staat zijn goed werk te leveren op dit gebied. De meerwaarde van aanwezigheid van buitenlandse opsporingsambtenaren op Nederlands grondgebied, waaronder DEA officieren, is derhalve gelegen in het belang dat Nederland en de Verenigde Staten gezamenlijk stellen in het bestrijden van internationale criminaliteit en het gegeven dat een daartoe nabij aanwezige en directe aanspreekpartner een dergelijke samenwerking kan bevorderen en bespoedigen. Voor wat betreft het aantal buitenlandse verbindingsofficieren dat gestationeerd kan worden in Nederland gelden de bepalingen van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer (Trb 1962, 101), dat o.a. regelt dat de zendstaat vrij is te bepalen hoeveel personeelsleden met diplomatieke status (inclusief verbindingsofficieren) worden aangesteld in de ontvangende staat, waarbij de ontvangende staat (i.c. Nederland) kan eisen dat het totale aantal binnen redelijke grenzen blijft. Tenslotte zijn er op dit moment totaal 3 global issues officers aanwezig in Nederland, die de inzet van de diverse hiervoor genoemde verbindingsofficieren coördineren.
Wordt de controle in de Rotterdamse haven de facto door de Verenigde Staten uitgevoerd? Hoe liggen de verhoudingen in de controle van de havencontainers: hoeveel Amerikaanse tegenover hoeveel Nederlandse agenten doen dit? Wordt er samen in groepen gewerkt of apart? Is er sprake van een hiërarchische relatie tussen de Nederlandse en Amerikaanse agenten? Zo neen, waarom niet? Zo ja, welke relatie?
Op 25 juni 2002 hebben de Minister van Financiën van Nederland en de Douanedienst van de Verenigde Staten een Beginselverklaring (Declaration of Principles) getekend inzake een pilot voor de plaatsing van Amerikaanse douaneambtenaren in de haven van Rotterdam. Op dit moment zijn er vijf Amerikaanse douaneambtenaren geplaatst. Gegevens over containers met bestemming de Verenigde Staten van Amerika worden zowel door de Amerikaanse als door Nederlandse douane separaat geanalyseerd. Hiermee zijn vier Nederlandse douaneambtenaren belast. Over het resultaat van de analyse wordt overleg gevoerd tussen de Nederlandse en de Amerikaanse douane. Uiteindelijk is het de Nederlandse douane die beslist of een container wordt gecontroleerd. De controle zelf wordt ook door de Nederlandse douane verricht. Daarom is een formele hiërarchieke relatie tussen de Nederlandse en de Amerikaanse douaneambtenaren niet noodzakelijk. Wel heeft het ministerie van Financiën richtlijnen opgesteld voor de dagelijkse werkzaamheden.
Welke persoonlijke gegevens over verdachten of mogelijke verdachten worden momenteel uitgewisseld, c.q. geleverd, aan de Verenigde Staten? Hoe verhoudt deze uitwisseling zich tot de Nederlandse wetten op bescherming van persoonsgegevens?
Gegevens over verdachten of mogelijke verdachten kunnen slechts tussen de Verenigde Staten en Nederland worden uitgewisseld conform de bepalingen van de Wet Politieregisters en het besluit Politieregisters, voorzover het gegevens betreft uit politieregisters. Derhalve vindt dergelijke gegevensuitwisseling in beginsel slechts plaats door tussenkomst van de centrale Nederlandse autoriteit. (de Dienst Internationale Netwerken van het korps Landelijke Politiediensten). Voor zover het persoonsgegevens betreft uit andere gegevensverzamelingen vindt informatie-uitwisseling plaats conform de Wet Bescherming Persoonsgegevens.
Klopt het dat de bevoegdheid van de Amerikaanse ambtenaren om contact op te nemen met de politie in Nederland met het verzoek iemand te arresteren is uitgebreid? Waarom is dit gedaan? Waren de Verenigde Staten ontevreden over de snelheid van handelen van Nederlandse politieagenten? Zal het criterium dat wordt gehanteerd «waarin tijdig en doelmatig overleg essentieel is» in de praktijk niet worden opgerekt zodat er geen controle meer is op het gedrag van de Amerikaanse agenten en de Nederlandse opsporingsdiensten? Vindt u dat een wenselijke ontwikkeling?
De hoofdregel, ook nadrukkelijk vastgelegd in de voor buitenlandse liaisons geldende «Regeling buitenlandse verbindingsofficieren» (Staatscourant 27 maart 2002, nr. 61), is dat deze liaisons zich voor de door hen gewenste contacten met regiokorpsen eerst wenden tot de DIN, die als Nationale Autoriteit voor de internationale gegevensuitwisseling is aangewezen. Deze regeling werkt in het algemeen vlot en tot tevredenheid van de buitenlandse liaisons. Van Amerikaanse zijde is er wel op gewezen dat er zich situaties zouden kunnen voordoen (b.v. wanneer er direct en onmiddellijk gevaar voor mensenlevens dreigt) waarin nodeloze vertraging in het leggen van contact met de betrokken politie-instantie moet worden vermeden. In die gevallen, die zich overigens hoogst zelden zullen voordoen, is het de liaisons, in afwijking van het bepaalde in de hierboven genoemde regeling, toegestaan om zich rechtstreeks tot een politiekorps te wenden en dit contact ten spoedigste achteraf aan de DIN te melden. Dat de hoofdregel gerespecteerd blijft wordt mede gegarandeerd door het zeer regelmatige contact en overleg dat functionarissen van de DIN met buitenlandse liaisons hebben. Ik ben derhalve niet bevreesd dat de zeldzame uitzondering op de regel zal leiden tot het verminderen van het zicht op de activiteiten van Amerikaanse liaisons.
Kunnen goederen vóór een veroordeling van een strafbaar feit in beslag worden genomen of moet iemand veroordeeld zijn voor een delict? Als inbeslagneming kan bij een verdenking, zijn er dan voldoende waarborgen dat het inbeslaggenomene automatisch naar de rechtmatige eigenaar terug gaat? Zo neen, waarom niet?
De SP-fractie stelt naar aanleiding van de afspraak om nader te discussiëren over de versterking van samenwerking op het gebied van de voordeelsontneming een aantal inhoudelijke vragen op dit gebied. Alvorens op deze vragen in te gaan, wil ik voorop stellen dat de samenwerking tussen Nederland en de VS van Amerika op het gebied van de voordeelsontneming is gebaseerd op de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de VS van Amerika inzake de wederzijdse samenwerking bij de opsporing inbeslagneming en confiscatie van opbrengsten van en hulpmiddelen bij het plegen van misdrijven en de verdeling van geconfisqeerde voorwerpen (Trb 1993, 5). Dit verdrag is reeds vanaf 1 juni 1994 in werking. Voor de achtergronden van dit verdrag verwijs ik u naar TK, 1992–1993 en 1993–1994, 23 173 (R1474). Bij tenuitvoerlegging van rechtshulpverzoeken op basis van dit verdrag is (onder andere) van toepassing de wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (Wots). Verdrag en wet (Afdeling B van de Wots) voorzien, zoals gebruikelijk bij de internationale samenwerking op het gebied van de voordeelsontneming, in de mogelijkheid op verzoek van een verdragspartner in Nederland conservatoir beslag te leggen voorafgaand aan een buitenlandse rechterlijke uitspraak strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De Wots bepaalt tevens de wijze waarop en de voorwaarden waaronder een buitenlandse, dus ook Amerikaanse, rechterlijke beslissing in verband met wederrechtelijk verkregen voordeel in Nederland tenuitvoer kan worden gelegd. Tevens is in de Wots geregeld of en zo ja de wijze waarop derde belanghebbenden hun rechten geldend kunnen maken. Zie hiervoor artikel 13e en artikel 31a WOTS.
Kan de minister toelichten hoeveel feitelijke autoriteit Nederland nog heeft over de Amerikaanse dienders in Nederland? Is het hem bijvoorbeeld bekend dat als deze ambtenaren worden gekoppeld aan een ambassade, zij dan onschendbaar zijn in Nederland en zo dus vrijuit gaan als zij bijvoorbeeld bijzondere bevoegdheden incorrect inzetten? Wat vindt de minister daar van? Is de minister bereid de politie en andere ambtenaren van de Verenigde Staten veel steviger onder controle te houden?
Met de inwerkingtreding van de Regeling buitenlandse verbindingsofficieren, zoals vermeld bij de beantwoording van vraag 1 PvdA, is gerealiseerd dat Nederland meer controle kan houden op buitenlandse verbindingsofficieren. Deze huidige dwingende Regeling buitenlandse verbindingsofficieren is tot stand gekomen naar aanleiding van de parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden en heeft de in de periode daarvoor geldende Richtlijn met betrekking tot de stationering van liaison officers van 21 maart 1994 vervangen. Met de huidige Regeling buitenlandse verbindingsofficieren is dwingend gereglementeerd dat de buitenlandse verbindingsofficieren, voorzover hun werkzaamheden op het terrein komen van politiële en/of justitiële strafrechtelijke samenwerking, gehouden zijn aan Nederlandse regels. Ook is een rapportageverplichting opgenomen. Op basis van deze regeling is een voldoende controle op de werkzaamheden van buitenlandse verbindingsofficieren gewaarborgd. Voor wat betreft hun diplomatieke status wordt verwezen naar beantwoording van vraag 1 PvdA. In aanvulling daarop geldt op basis van artikel 9 van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer dat Nederland de buitenlandse verbindingsofficier in geval van onrechtmatig optreden kan verklaren tot persona non grata.
Wat is de reden dat er wordt gewerkt aan de versnelling en standaardisering van de uitleveringsprocedure terwijl er momenteel door een rechter wordt gezegd dat er juist zorgvuldiger op deze zaken moet worden in gegaan? Is de minister van mening dat een standaardisering van dit proces een individuele en zorgvuldige benadering ontmoedigt? Kan de minister toelichten hoe hij de niet geringe kritiek vanuit de juridische wereld, van bijvoorbeeld de Amsterdamse strafrechter Blekxtoon, de advocaten Weski, Teurlings en Koppe, de hoogleraren Schalken en Cohen, pareert dat het Nederlandse rechtssysteem wordt «geminacht»?
In het afgelopen bilaterale overleg met de Amerikaanse autoriteiten zijn afspraken gemaakt over de behandeling van Amerikaanse uitleveringsverzoeken. Informatieverschaffing in lopende uitleveringsverzoeken speelde daarbij een belangrijke rol. Ook termijnen in de uitleveringsprocedure, bijvoorbeeld binnen welke termijn verzoeken van de uitleveringsrechter om aanvullende informatie aan de Amerikaanse autoriteiten worden voorgelegd, zijn onderwerp van bespreking geweest. Dergelijke afspraken staan geenszins aan de zorgvuldige behandeling van een uitleveringsverzoek in de weg, integendeel, zij kunnen deze juist ten goede komen. Het is mij bekend dat er kritiek wordt geuit op de huidige uitleveringspraktijk met de VS. Deze komt voor een groot deel voort uit vooronderstellingen over de uitleveringsprocedure, zoals over de zogenaamde terugkeergaranties en over het Amerikaanse rechtssysteem. De uitlevering met de VS vindt plaats aan de hand van het bilaterale uitleveringsverdrag dat aan beide landen verplichtingen oplegt. Een van de grondslagen van dit verdrag is het internationaal erkende vertrouwensbeginsel dat inhoudt dat er op mag worden vertrouwd dat het Amerikaanse strafproces, waaraan middels uitlevering medewerking wordt gegeven, aan de elementaire vereisten van internationale mensenrechtenverdragen als het EVRM en IVBPR voldoet. Ik wijs in dit verband naar het arrest van 5 juni 2003 van het Gerechtshof Den Haag waarin het Gerechtshof oordeelde dat bij uitlevering naar de VS, een land dat het IVBPR heeft ondertekend, er in beginsel op dient te worden vertrouwd dat de in het EVRM en IVBPR neergelegde beginselen worden gewaarborgd. Het Hof heeft voorts beslist dat in de desbetreffende zaken niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat in deze zaken dit vertrouwen niet gerechtvaardigd is en vervolgens het tussenvonnis van de voorzieningenrechter vernietigd. Bij de toepassing van het bilaterale verdrag is tot op heden niet gebleken dat dit vertrouwen niet op zijn plaats is. Dat geldt ook voor de gerechtvaardigde verwachting dat Nederlanders die ter vervolging aan de VS worden uitgeleverd, na hun veroordeling in de VS tot een vrijheidsstraf, naar Nederland kunnen terugkeren om hier hun straf te ondergaan.
Gaat Nederland een terugkeergarantie eisen van de Verenigde Staten als er wordt uitgeleverd? Zo neen, waarom niet?
Antwoord (tevens antwoord op vraag 5 van de GL-fractie): Ingevolge artikel 8 van het bilateraal uitleveringsverdrag bestaat voor partijen de verplichting om eigen onderdanen ter fine van strafvervolging uit te leveren. In een notawisseling tussen Nederland en de VS van 11 juli 1991 is bepaald dat de VS in beginsel geen bezwaar heeft tegen de overbrenging van Nederlandse onderdanen om de aan hen in de VS opgelegde straf in Nederland te ondergaan en dat verzoeken daartoe door de Amerikaanse autoriteiten welwillend in overweging worden genomen. Nederland heeft aangegeven dat de hiervoor genoemde Amerikaanse verklaring als voldoende garantie wordt beschouwd voor de uitlevering van Nederlandse onderdanen en dat geen aanvullende garanties in individuele zaken zijn vereist. In vervolg op het Algemeen Overleg met uw kamer op 11 april 2002 heb ik uw kamer bij brief van 28 november 2002 medegedeeld dat ik aan het Amerikaanse Department of Justice heb verzocht om te bevestigen dat met de Amerikaanse toezegging dat «in beginsel» geen bezwaar bestaat tegen de overbrenging van Nederlanders om de aan hen in de VS opgelegde straf in Nederland te ondergaan wordt bedoeld dat overbrenging van een uitgeleverde Nederlander wordt toegestaan wanneer aan de vereisten van het Europees Verdrag inzake de Overbrenging van Gevonniste Personen van 21 maart 1983 is voldaan. Het Amerikaanse Department of Justice heeft mij geantwoord dat dit het geval is en dat tot nu toe geen enkel verzoek om teruglevering van een uitgeleverde Nederlander is geweigerd. Tot nu toe is inderdaad gebleken dat de VS zich aan hun terugleveringsverplichting houden. Er bestaat dan ook geen aanleiding om in de toekomst aanvullende terugkeergaranties te verzoeken. In een in september gepland specifiek overleg met de VS over de WOTS-procedure zullen over de snelheid waarmee deze procedure wordt uitgevoerd nadere afspraken worden gemaakt.
Wat vindt de minister van de suggestie om een officier van justitie in Nederland eerst te laten motiveren waarom het onmogelijk of hoogst onwenselijk is om de verdachte in Nederland te berechten voordat er zelfs overwogen wordt iemand te laten uitleveren?
Antwoord (tevens antwoord op vraag 5 van de GL-fractie): In een aantal gevallen wordt door de VS de uitlevering gevraagd van een Nederlandse onderdaan waarbij soms tevens het betreffende strafbare feit (mede) op Nederlands grondgebied is gepleegd. Vooral in dat soort gevallen rijst bij sommigen de vraag waarom in plaats van uit te leveren Nederland niet zelf de strafvervolging overneemt. De beantwoording van deze vraag hangt samen met de goede rechtsbedeling. De vraag waar een vervolging het beste kan plaatsvinden behoeft echter niet alleen beantwoord te worden aan de hand van de pleegplaats en de nationaliteit van de verdachte. De vragen waar de rechtsorde is geschokt, waar het bewijs voorhanden is en waar medeverdachten worden vervolgd of reeds zijn veroordeeld, zijn eveneens van groot belang. Dit vereist telkens een individuele afweging aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. Bedacht moet tevens worden dat voor een overname van een Amerikaanse strafvervolging in plaats van uitlevering de instemming van de Amerikaanse autoriteiten is vereist, welke niet afdwingbaar is. Daarnaast mag er in het algemeen op worden vertrouwd dat ook de VS bij het doen van een verzoek tot uitlevering acht heeft geslagen op het belang van een goede rechtsbedeling. In het bilaterale overleg van maart jongstleden is wel de afspraak gemaakt om in het geval van dubbele rechtsmacht in een zo vroeg mogelijk stadium in onderling overleg te bezien waar een vervolging het beste kan plaatsvinden. Hierbij wordt echter vooral gedoeld op het beginstadium van een grensoverschrijdend strafrechtelijk onderzoek, juist met het doel om het doen van uitleveringsverzoeken te voorkomen, indien dat niet noodzakelijk is.
Wat is de huidige regeling met betrekking tot het al dan niet kunnen uitvoeren van de doodstraf? Hoe verhoudt deze zich tot het Europees Verdrag voor de rechten van de Mens (EVRM)? Wat vindt de minister van de suggestie dat de formulering in het verdrag met de Europese Unie niet in overeenstemming is met het Verdrag?
Het eerste lid van artikel 7 van het tussen Nederland en de VS gesloten uitleveringsverdrag bepaalt dat in het geval in de VS op het betreffende feit de doodstraf is gesteld, Nederland het toestaan van de uitlevering afhankelijk kan stellen van de voorafgaande garantie dat de opgeëiste persoon na uitlevering niet tot de doodstraf veroordeeld zal worden, dan wel dat een dergelijke straf niet tenuitvoergelegd zal worden. In voorkomend geval vindt dan ook zonder toereikende garanties geen uitlevering plaats. Een vergelijkbare bepaling is eveneens in de ontwerpovereenkomst betreffende uitlevering tussen de EU en de VS opgenomen. Beide bepalingen zijn geheel in overeenstemming met het zesde protocool bij het EVRM.
Wat is de reden dat er met Nederland een aparte serie afspraken wordt gemaakt naast de afspraken met de Europese Unie? Wat zullen laatstgenoemde afspraken voor effecten hebben op de op 13 en 14 maart 2003 gemaakte afspraken tussen Nederland en de Verenigde Staten?
Zie antwoord op vraag 12 van de SP-fractie.
Wat zullen deze afspraken betekenen voor het bilaterale uitleveringsverdrag dat nu van kracht is met de Verenigde Staten?
Antwoord (tevens antwoord op vraag 11 van de SP-fractie): In het bilateraal overleg op 13 en 14 maart 2003 stond de bilaterale samenwerking tussen Nederland en de VS centraal. Dit betrof een groot aantal verschillende onderwerpen. De besprekingen van de EU met de VS over de ontwerpovereenkomst inzake rechtshulp en uitlevering zijn van een geheel andere orde. Dit laatste betreft verdragsonderhandelingen, terwijl het eerste betrekking heeft op de praktische samenwerking en de uitvoering van al bestaande verdragen. Daarbij is uiteraard rekening gehouden met de lopende onderhandelingen tussen de EU en de VS. De EU-overeenkomsten inzake kleine rechtshulp en uitlevering, welke nog niet in werking zijn getreden, zijn slechts een (beperkte) nadere invulling van de bestaande bilaterale verdragen. Voor het antwoord op de vraag wat de betekenis is van de EU-ontwerpovereenkomst voor het bilaterale uitleveringsverdrag moge ik u verwijzen naar de antwoorden op vragen met betrekking tot de EU-ontwerpovereenkomst in het kader van het Algemeen Overleg van 3 juni jongstleden over de JBZ-raad.
De leden van de SP-fractie vinden het noodzakelijk dat er bezinning komt over wie het voor het zeggen heeft in Nederland: Nederlanders en de Nederlandse regering of buitenlandse mogendheden?
Zonneklaar is dat de in Nederland bevoegde justitiële en politiële autoriteiten, mede op basis van de «Regeling buitenlandse verbindingsofficieren» (Staatscourant 27 maart 2002, nr. 61) zicht hebben op en zeggenschap over de door buitenlandse liaisons hier te lande ontplooide activiteiten. De op basis van deze regeling met de liaisons en de ambassades waartoe zij behoren gemaakte nadere afspraken bieden voldoende garantie dat er geen sprake zal zijn van ongeoorloofde activiteiten door deze liaisons.
Vragen van de Groen Links-fractie
Kan de minister expliciet aangeven welke criteria hij heeft gehanteerd ter beoordeling van de ruimte om in te gaan op de wensen van de Verenigde Staten om tot een nauwere samenwerking te komen?
Uitgangspunt is geweest dat een intensievere samenwerking zoals die op basis van de «Agreed Steps» kan gaan plaats vinden de gemeenschappelijke doelstellingen en belangen, t.w. een effectievere bestrijding van drugshandel, een betere samenwerking op het terrein van terrorismebestrijding en een soepeler politiële en justitiële samenwerking ten goede zal kunnen komen. De ruimte om in te gaan op wensen van de zijde van de VS voor de concrete invulling van die intensievere samenwerking werd en wordt daarbij uiteraard begrensd door de mogelijkheden die de Nederlandse wet- en regelgeving biedt en de zorgvuldigheid die overigens bij de opsporing en vervolging van strafbare feiten, met name ook jegens diegenen die daarbij als verdachte worden aangemerkt, dient te worden betracht.
Wat is de achterliggende gedachte bij het voornemen om een verplichting in te voeren om het uitvoeren van contant geld onder de aangifteplicht te brengen en geregistreerde gegevens uit te wisselen?
[De Agreed Step (2.6.2) waarop in deze vraag wordt gedoeld luidt: «Nederland is voornemens een maatregel/wet inzake het aangeven van contant geld uit te voeren – rekening houdend met zijn verplichtingen ingevolge Europees gemeenschapsrecht – als onderdeel van aankomst- en vertrekprocedures, en deze gegevens te bewaren alsmede opsporingsdiensten volledige inzage te verlenen.»]. In deze Agreed Step wordt gerefereerd aan een wetsvoorstel dat in het kader van de bestrijding van het witwassen van geld aan de douane de bevoegdheid toekent om grensoverschrijdend vervoer van geld boven een bepaald bedrag te melden aan het het meldpunt ongebruikelijke transacties. Over dit wetsvoorstel is door de Raad van State advies gebracht. Indiening van het wetsvoorstel wordt thans aangehouden in verband met besluitvorming over een ontwerp-Verordening van de Europese Commissie over grensoverschrijdend vervoer van geld. Uw Kamer is daarover geïnformeerd in een brief van de minister van Financiën (mede namens minister van Justitie) aan de Tweede Kamer (TK 28 106, nr. 5, vergaderjaar 2001–2002).
Onder welke voorwaarden is de minister bereid beslagleggingsorders die in de Verenigde Staten zijn verkregen in rem uit te voeren? Houdt de minister daarbij rekening met de in Nederland geldende rechtstatelijke waarborgen?
Op de vraag van de GroenLinks fractie naar de mogelijkheid de Amerikaanse zogenaamde in rem procedure in Nederland te volgen, wil ik op de eerste plaats verwijzen naar de vooropstelling bij de beantwoording van de vragen van de SP over de samenwerking op het gebied van de voordeelsontneming. In het daar genoemde bilaterale verdrag tussen Nederland en de VS uit 1993 en in de Wet tenuitvoerlegging strafvonnissen wordt de samenwerking geregeld op het gebied van de voordeelsontneming waarbij rekening is gehouden met het feit dat naar Amerikaans recht confiscatie van opbrengsten van strafbare feiten plaatsvindt in de vorm van objectconfiscatie, veelal via de civielrechtelijke procedure, de zg. in rem procedure, en naar Nederlands recht via de figuur van de waarde confiscatie. Ik moge u verwijzen naar de kamerstukken, TK, vergaderjaar 1992–1993, 1993–1994, 23 173 (R 1474). Uiteraard is bij de regeling rekening gehouden met de in Nederland geldende rechtstatelijke waarborgen. Het tijdens het overleg tussen de VS en Nederland overeengekomen voornemen om op het gebied van de ontneming van crimineel vermogen een bijeenkomst te organiseren van deskundigen dient ertoe om na te gaan ofhet verdrag gelet op ontwikkelingen in beide landen op dit gebied nog in alle opzichten voldoet.
Op welke wijze wordt bij de afzonderlijke samenwerkingsintensiveringen voorzien in rechterlijke, dan wel anderszins onafhankelijke controle, met name bij de uitwisseling van privacygevoelige gegevens?
De afspraken met de VS worden uitgevoerd binnen de kaders van geldende weten regelgeving. In een separate voorziening van rechterlijke dan wel andere controle op de uitvoering van de Agreed Steps is noch aan Nederlandse noch aan Amerikaanse zijde voorzien.
Over welke concrete obstakels is gesproken bij de terugname van in de Verenigde Staten veroordeelde personen? Kan de minister aangeven wat verstaan moet worden onder het begrip «Waar mogelijk» in dit kader? Welke criteria bepalen welk land het meest geschikt is om tot vervolging over te gaan indien er sprake is van samenvallende vervolgingsbevoegdheden?
(zie antwoord op vraag 8 en 9 van de SP-fractie):
Wat houdt «een gezamenlijke beoordeling op te stellen van de doelmatigheid van bestaande procedures op de luchthaven Schiphol voor de screening van documenten van passagiers met bestemming Verenigde Staten» precies in? Wordt hierin ook voorzien in een mogelijkheid om geregistreerde gegevens door te sturen naar de Verenigde Staten?
[Deze vraag verwijst naar Agreed Step 5.2.2 die betrekking heeft op het versterken van de beveiliging luchtvaart, en luidt: «De Verenigde Staten en Nederland zijn voornemens om in het voorjaar van 2003 onder voorzitterschap van het ministerie van Justitie en de Amerikaanse ambassade een gezamenlijke beoordeling op te stellen van de doelmatigheid van bestaande procedures op de Luchthaven Schiphol voor de screening van documenten van passagiers met bestemming VS»].
Op 1 april 2003 zijn afgevaardigden van onder meer de Amerikaanse Vertegenwoordiging en van het ministerie van Justitie bijeengekomen. Ten aanzien van de doelmatige screening van passagiers is overeengekomen dat vertegenwoordigers van het ministerie van Justitie en van de betrokken Amerikaanse autoriteiten in werkgroepverband zullen gaan onderzoeken op welke wijze de aanvoer van, met name, niet en onjuist gedocumenteerde reizigers vanaf de luchthaven Schiphol naar de verschillende luchthavens in de Verenigde Staten kan worden tegengegaan. Dit initiatief moet onder «het beoordelen van de doelmatigheid van de procedures van screening» worden begrepen. Hierbij wordt niet voorzien in de uitwisseling tussen beide autoriteiten van geregistreerde, persoongebonden informatie. De bedoelde werkgroep moet nog bijeenkomen.
Samenstelling:
Leden: Van de Camp (CDA), voorzitter, De Vries (PvdA), Van Heemst (PvdA), Dittrich (D66), Vos (GL), Rouvoet (CU), Adelmund (PvdA), De Wit (SP), Albayrak (PvdA), Eurlings (CDA), Luchtenveld (VVD), Wilders (VVD), Weekers (VVD), Çörüz (CDA), Verbeet (PvdA), ondervoorzitter, Lazrak (SP), Wolfsen (PvdA), Tonkens (GL), De Vries (CDA), Van Haersma Buma (CDA), Eerdmans (LPF), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Varela (LPF), Straub (PvdA), Griffith (VVD), Visser (VVD) en Vacature (CDA).
Plv. leden: Vacature (CDA), Dijsselbloem (PvdA), Timmer (PvdA), Van der Laan (D66), Halsema (GL), Van der Staaij (SGP), Kalsbeek (PvdA), Van Velzen (SP), Tjon-A-Ten (PvdA), Ormel (CDA), Van Baalen (VVD), Blok (VVD), Hirsi Ali (VVD), Jager (CDA), Van Heteren (PvdA), Vergeer-Mudde (SP), Arib (PvdA), Karimi (GL), Buijs (CDA), Sterk (CDA), Nawijn (LPF), Joldersma (CDA), Hermans (LPF), Van Dijken (PvdA), Örgü (VVD), Rijpstra (VVD) en De Pater-van der Meer (CDA).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-23490-284.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.