Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 10 april 2026
Op 19 maart jl. veroordeelde Nederland in een gezamenlijke verklaring, waarbij inmiddels
meer dan dertig landen zich aansloten, de recente aanvallen van Iran op onbewapende
commerciële vaartuigen, civiele infrastructuur, alsmede de feitelijke afsluiting van
de Straat van Hormuz (Kamerstuk 23 432, nr. 669 d.d. 20 maart 2026). De verklaring beschrijft tevens de beginselbereidheid om bij
te dragen aan passende inspanningen ter waarborging van een veilige doorvaart door
de Straat van Hormuz. Op 7 april jl. kwamen Iran, Israël en de Verenigde Staten tot
een tweeweeks staakt-het-vuren. Nederland heeft op 8 april jl. samen met onder andere
Frankrijk, Italië, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en de EU dit staakt-het-vuren
verwelkomd en nogmaals de bereidheid bevestigd om bij te dragen aan waarborgen van
vrije doorvaart in de Straat van Hormuz. Hoewel de situatie nog onzeker blijft, staan
er voor Nederland grote belangen op het spel.
In overeenstemming met het Toetsingskader 2014, informeert het kabinet uw Kamer hierbij
dat het de wenselijkheid en mogelijkheid van eventuele Nederlandse militaire inzet
onderzoekt. Zodra daartoe aanleiding is zal het kabinet uw Kamer nader informeren.
Op dit moment brengt Nederland de verschillende mogelijkheden tot militaire bijdrage
in kaart, om operationele voorbereidingen te kunnen treffen en bij eventuele inzet,
tijdige inzet mogelijk te maken. De planning vindt plaats in nauw contact met de landen
in de Golf-regio. Uiteraard is een eventuele militaire bijdrage onderdeel van een
bredere inzet waarbij ook diplomatieke en economische middelen ingezet kunnen worden.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
T.B.W. Berendsen
De Minister van Defensie,
D. Yeşilgöz-Zegerius