23 251
Partiële wijziging van het Wetboek van Strafvordering (herziening van het gerechtelijk vooronderzoek)

nr. 9
NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 19 januari 1995

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel I wordt als volgt gewijzigd:

I

In onderdeel B wordt artikel 12k vervangen door: 12i.

II

Na onderdeel C worden de onderdelen Ca en Cb ingevoegd die als volgt luiden:

Ca

Na artikel 36 worden de artikelen 36a tot en met 36e ingevoegd, die luiden:

Artikel 36a

1. De verdachte, jegens wie door of vanwege de Staat een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald feit in Nederland een vervolging zal worden ingesteld, kan de rechter-commissaris binnen wiens rechtsgebied de handeling is verricht, verzoeken dienaangaande enig onderzoek in te stellen.

2. Indien ter zake van een bepaald feit de vervolging is aangevangen doch geen gerechtelijk vooronderzoek is ingesteld, kan de verdachte, zolang het onderzoek op de terechtzitting nog niet is aangevangen, een verzoek bedoeld in het eerste lid indienen bij de rechter-commissaris binnen wiens rechtsgebied het feit wordt vervolgd.

3. Het verzoek wordt schriftelijk gedaan. Het behelst een opgave van het feit en van de handelingen van onderzoek die door de rechtercommissaris dienen te worden verricht, en is met redenen omkleed.

Artikel 36b

1. De rechter-commissaris geeft de verdachte schriftelijk bericht van de ontvangst van het verzoek en zendt de officier van justitie onverwijld een afschrift daarvan.

2. De verdachte wordt, tenzij hij in zijn verzoek kennelijk niet ontvankelijk of het verzoek kennelijk ongegrond is, gehoord althans behoorlijk opgeroepen. De verdachte is bevoegd zich bij het verhoor door een raadsman te doen bijstaan.

3. De rechter-commissaris stelt de officier van justitie op de hoogte van tijd en plaats van het verhoor. De officier van justitie is bevoegd het verhoor bij te wonen en daarbij de nodige opmerkingen te maken.

4. De rechter-commissaris beslist zo spoedig mogelijk. De beschikking is met redenen omkleed en wordt schriftelijk ter kennis van de verdachte en de officier van justitie gebracht. In geval van toewijzing van het verzoek, vermeldt de beschikking het feit waarop het onderzoek betrekking heeft en verricht de rechter-commissaris zo spoedig mogelijk de verzochte handeling van onderzoek.

5. Nadat de onderzoekshandeling is voltooid, zendt de rechter-commissaris de daarop betrekking hebbende stukken aan de officier van justitie. Een afschrift zendt hij aan de verdachte.

Artikel 36c

1. Op het onderzoek van de rechter-commissaris zijn de bepalingen van de tweede tot en met vijfde afdeling van de Derde Titel van het Tweede Boek van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 207, 208, derde lid, en 232 tot en met 234.

2. Van de beëindiging van het onderzoek wordt door de rechter-commissaris aan de officier van justitie en aan de verdachte schriftelijk kennis gegeven.

Artikel 36d

Een verzoek bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, 36a, eerste lid, of 36a, tweede lid, kan ook door de raadsman van de verdachte worden gedaan.

Artikel 36e

1. Zolang de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, kan de rechter-commissaris ten aanzien van het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, ambtshalve bepaalde handelingen van onderzoek verrichten.

2. Artikel 36c is van overeenkomstige toepassing.

Cb

Na nummering van de leden van artikel 44 komt onderdeel a van het eerste lid van dit artikel als volgt te luiden:

a. in geval van enig onderzoek door de rechter-commissaris, door deze of door hem die in opdracht van de rechter-commissaris met het verhoor is belast, bij het eerste verhoor:

III

Onderdeel F komt als volgt te luiden:

F

Na artikel 55 wordt een nieuw artikel 55a ingevoegd, dat luidt:

Artikel 55a

1. In geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, kan iedere opsporingsambtenaar ter aanhouding van de verdachte elke plaats doorzoeken. Hij behoeft daartoe de machtiging van de officier van justitie, behoudens in geval van dringende noodzakelijkheid. In het laatste geval wordt de officier van justitie onverwijld van de doorzoeking op de hoogte gesteld.

2. Indien de officier van justitie aan een opsporingsambtenaar een machtiging heeft verleend ter aanhouding van de verdachte een woning zonder toestemming van de bewoner te doorzoeken, is voor het binnentreden in die woning door de betrokken opsporingsambtenaar geen machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden vereist.

IV

Onderdeel G wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 96, eerste lid, vervalt de laatste volzin.

V

Onderdeel H wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 96b, eerste lid, wordt «het woongedeelte waarvan de toegang door de bewoner wordt geweigerd» vervangen door: het woongedeelte zonder toestemming van de bewoner.

2. In artikel 96c, eerste lid, wordt «een woning waarvan de toegang door de bewoner wordt geweigerd» vervangen door: een woning zonder toestemming van de bewoner.

VI

Onderdeel I wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 97 wordt als volgt gewijzigd:

In het eerste lid, onder a, worden de woorden «een woning waarvan de toegang door de bewoner wordt geweigerd» vervangen door de woorden: een woning zonder toestemming van de bewoner.

2. In het tweede lid vervallen de tweede en derde volzin en wordt een nieuwe zin toegevoegd, luidende: Deze machtiging is met redenen omkleed.

3. Onder vernummering van het vierde tot het vijfde lid wordt een nieuw vierde lid ingevoegd, dat luidt:

4. Indien de rechter-commissaris aan een hulpofficier van justitie machtiging heeft verleend ter inbeslagneming een woning zonder toestemming van de bewoner te doorzoeken, is voor het binnentreden in die woning door de betrokken hulpofficier van justitie geen machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden vereist.

VII

Onderdeel R wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 110, vierde lid, vervalt.

VIII

Onderdeel V komt als volgt te luiden:

V

De artikelen 125f tot en met 125h worden vernummerd tot de artikelen 125a tot en met 125c.

IX

Onderdeel W wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 125b, eerste lid, wordt tussen de woorden «telecommunicatieinfrastructuur» en «doen» gevoegd: of via een telecommunicatie-inrichting die wordt aangewend voor dienstverlening aan het publiek.

X

Onderdeel Z wordt als volgt gewijzigd:

In de artikelen 125g en 125k, eerste lid, vervallen de woorden «in Nederland».

XI

Na onderdeel NN wordt een nieuw onderdeel NNa ingevoegd, dat luidt:

NNa

In artikel 170 vervalt het tweede lid. Voor de tekst van het eerste lid vervalt het cijfer 1.

XII

Onderdeel PP wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 177a vervallen de woorden: zo spoedig als het belang van het onderzoek dat toelaat.

XIII

Onderdeel SS wordt als volgt gewijzigd:

De laatste vier leden van artikel 184 komen te vervallen.

XIV

In onderdeel MMMM wordt artikel 486 vervangen door artikel 487.

XV

Onderdeel NNNN vervalt.

XVI

In onderdeel UUUU wordt «zesde lid» vervangen door: zevende lid, en wordt «telefoongesprekken» vervangen door: telecommunicatie.

XVII

Onderdeel VVVV wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 565 vervalt de tweede volzin.

XVIII

In onderdeel WWWW wordt «125d» vervangen door: 125n.

B

1. De Artikelen II, III, IV, VI en VII vervallen.

2. Na Artikel I worden de Artikelen I A tot en met I G ingevoegd, die luiden:

ARTIKEL I A

Artikel 4 van de Absintwet 1909 (Stb. 1909, 402) wordt als volgt gewijzigd:

In het tweede lid, onderdeel a, wordt «voer- en vaartuigen» vervangen door: vervoermiddelen.

ARTIKEL I B

Artikel 7 van de Wet op sera- en vaccins (Stb. 1927, 91) wordt als volgt gewijzigd:

In het tweede lid, onderdeel a, wordt «voer- en vaartuigen» vervangen door: vervoermiddelen.

ARTIKEL I C

Artikel 34 van de Wet bestrijding infectieziekten en opsporing van ziekteoorzaken (Stb. 1928, 265) wordt als volgt gewijzigd:

In het tweede lid wordt «voer- en vaartuigen» vervangen door: vervoermiddelen.

ARTIKEL I D

Artikel 22 van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag (Stb. 1952, 361) wordt als volgt gewijzigd:

In het eerste lid wordt «huiszoeking» vervangen door: doorzoeking.

ARTIKEL I E

Artikel 61 van de Oorlogswet voor Nederland (Stb. 1964, 337) wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 54, eerste lid, wordt «huiszoeking» vervangen door: doorzoeking.

2. In artikel 61, eerste lid, wordt «huiszoeking» vervangen door: doorzoeking.

ARTIKEL I F

Artikel 9 van de Opiumwet (Stb. 1976, 425) wordt als volgt gewijzigd:

In het eerste lid wordt «voer- en vaartuigen» vervangen door: vervoermiddelen.

ARTIKEL I G

In artikel 49 van de Wet wapens en munitie (Stb. 1986, 41) wordt «huiszoeking» vervangen door: doorzoeking.

TOELICHTING

Algemeen deel

Zoals ik in de nota naar aanleiding van het eindverslag heb opgemerkt, heb ik het onderhavige wetsvoorstel heroverwogen en ben tot de conclusie gekomen dat de mini-instructie op verzoek van de verdachte en de machtiging vooraf door de rechter-commissaris bij de spoeddoorzoeking van een woning en bij een kantoor van een geheimhouder, moet worden ingevoerd. Vanwege het belang dat ik hecht aan deze voorstellen zal ik deze voorstellen eerst toelichten. Daarna zal ik de overige voorstellen uit de nota van wijziging toelichten. Deze zijn voornamelijk technisch van aard.

1. De mini-instructie op verzoek van de verdachte (artikelen 36a tot en met 36e)

Het voorgestelde artikel 36a verschaft de verdachte het recht om de rechter-commissaris te verzoeken bepaalde onderzoekshandelingen te verrichten. Aan dit voorstel liggen de volgende overwegingen ten grondslag. De bevoegdheden van politie en openbaar ministerie zijn het afgelopen decennium drastisch uitgebreid. Ook het onderhavige wetsvoorstel draagt hieraan bij. Hoewel ik de noodzaak van deze uitbreiding van bevoegdheden onderken, acht ik het tevens van belang dat de verdachte de gelegenheid wordt geboden zich adequaat te verdedigen. Met het oog hierop stel ik voor de verdachte jegens wie door of vanwege de Staat een onderzoekshandeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hij zal worden vervolgd, de bevoegdheid te geven zich tot een onafhankelijke rechter te wenden met het verzoek bepaalde onderzoekshandelingen te verrichten zodat ontlastend materiaal kan worden verzameld. Bijvoorbeeld om getuigen à décharge die op het punt staan naar het buitenland te vertrekken te doen ondervragen of om een contra expertise te laten verrichten. Voorts kan door de mini-instructie vertraging van het onderzoek ter terechtzitting worden voorkomen, omdat de verdachte zich reeds in het voorbereidend onderzoek tot de rechter-commissaris heeft kunnen wenden.

De mini-instructie op verzoek van de verdachte draagt er voorts toe bij dat het contradictoire karakter van het voorbereidend onderzoek wordt vergroot en de onafhankelijke positie van de rechter-commissaris wordt versterkt. De voorlopig gehechte verdachte beschikt reeds over deze bevoegdheid. Zijn belang hierbij is duidelijk, namelijk de bewerkstelliging van zijn invrijheidstelling. Niettemin kan het belang van de niet gehechte verdachte die vermoedt dat hij zal worden vervolgd bij deze bevoegdheid ook groot zijn.

Zoals opgemerkt kan hij met de hulp van deze bevoegdheid invloed uitoefenen op de beslissing om hem al dan niet te vervolgen. Tevens kan hij op de beslissing tot vervolging invloed uitoefenen; op de richting en omvang van de vervolging.

De voorgestelde mini-instructie op verzoek van de verdachte wordt blijkens de ingewonnen adviezen over het rapport van de Commissie herijking Wetboek van Strafvordering (Commissie-Moons) gesteund door de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) en de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA).

Ook de Raad van State toonde zich in zijn advies over het wetsvoorstel een uitdrukkelijke voorstander van de mini-instructie. Het openbaar ministerie en de politie staan daarentegen kritisch tegenover dit voorstel. Hun bezwaren kunnen als volgt worden samengevat.

In de eerste plaats zou de mini-instructie op verzoek van de verdachte niet passen in het stelsel van strafvordering omdat de rechter-commissaris dan onderzoekshandelingen moet verrichten zonder dat een formele inbeschuldigingstelling op tafel ligt. Daardoor zouden het vervolgingsmonopolie van het openbaar ministerie en het opportuniteitsbeginsel onder druk komen te staan.

Voorts zou het ontbreken van de inbeschuldigingstelling tot gevolg hebben dat de rechter-commissaris ieder houvast voor het onderzoek mist.

Ten slotte is erop gewezen dat de mini-instructie het opsporingsonderzoek kan doorkruisen en kan worden misbruikt door de verdachte om te achterhalen of hij zal worden vervolgd.

Het eerste en tweede bezwaar overtuigen niet. De rechter-commissaris die op verzoek van de verdachte een getuige hoort, verricht geen daad van vervolging, maar verricht een handeling die de verdachte in staat stelt zich tegen de beschuldiging te verweren. Het onderzoek kan hooguit de vervolgingsbeslissing van het openbaar ministerie beïnvloeden, maar kan niet zelf als een daad van vervolging worden beschouwd. De mini-instructie laat het vervolgingsmonopolie van het openbaar ministerie dus volledig in tact. Ook het bezwaar dat de rechter-commissaris voor zijn onderzoek elk houvast ontbeert, overtuigt niet. De verdachte moet namelijk feiten en omstandigheden aangeven waaruit blijkt dat jegens hem een handeling is verricht die erop duidt dat een vervolging tegen hem zal worden ingesteld en voorts concreet omschrijven welke onderzoekshandeling hij door de rechter-commissaris uitgevoerd wil zien. De rechter-commissaris behoeft dus zeker niet in het luchtledige te zwemmen.

Ten slotte het bezwaar van misbruik dat van deze bevoegdheid kan worden gemaakt. Ook dit argument overtuigt niet. Ik zal hierop uitvoerig ingaan omdat de vrees voor misbruik de voornaamste reden was om dit voorstel niet over te nemen. Bij het ontwerpen van de mini-instructie is uitdrukkelijk rekening gehouden met deze mogelijkheid. De voorgestelde artikelen 36a–36e bevatten voldoende waarborgen om te voorkomen dat de verdachte voortijdig kan achterhalen of tegen hem een opsporingsonderzoek loopt. Ik som deze waarborgen puntsgewijs op.

In de eerste plaats kan de rechter-commissaris een verzoek dat kennelijk ongegrond of niet ontvankelijk is zonder verhoor van de verdachte afwijzen. In de tweede plaats heeft de rechter-commissaris een grote discretionaire bevoegdheid bij de beslissing op het verzoek van de verdachte.

In de derde plaats moet de verdachte zijn belang bij de gevraagde onderzoekshandeling ondubbelzinnig kunnen aantonen. Kan hij niet aan de hand van feiten of omstandigheden aantonen dat hij verwacht dat tegen hem een vervolging zal worden ingesteld, dan kan de rechter-commissaris dit verzoek zonder meer afwijzen. De bewijslast ligt dus bij de verdachte.

In de vierde plaats heeft de verdachte geen rechtsmiddel tegen een afwijzende beslissing.

In de vijfde plaats moet de verdachte aantonen dat jegens hem een handeling door of vanwege de Staat is verricht, waaraan hij in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem terzake van een bepaald feit een vervolging zal worden ingesteld. Niet iedere verdachte kan dus maar in het wilde weg verzoeken indienen teneinde te achterhalen of tegen hem een opsporingsonderzoek gaande is.

In de zesde plaats kan de rechter-commissaris, indien de verdachte zijn belang bij de onderzoekshandeling heeft aangetoond, de officier van justitie niet verplichten tot vervolging over te gaan. Immers de beslissing van de officier van justitie om tot vervolging over te gaan impliceert dat de officier van justitie zijn kaarten op tafel moet leggen en een concrete beschuldiging in zijn vordering moet vastleggen. Het vervolgingsbeleid van de officier van justitie mag niet langs deze weg worden doorkruist. Ten slotte kan het verzoek van de verdachte worden afgewezen indien de officier van justitie van oordeel is dat het lopende opsporingsonderzoek zich tegen het verrichten van die onderzoekshandeling verzet.

Gelet op deze waarborgen deel ik niet de vrees van het openbaar ministerie en de politie voor het misbruik dat van deze bevoegdheid kan worden gemaakt.

2. De spoeddoorzoeking van woningen en kantoren van geheimhouders (art. 97)

De Commissie-Moons heeft voorgesteld de bevoegdheid van de officier van justitie om in geval van spoed een woning te doorzoeken te handhaven. In plaats van de voorwaarde dat hij een vordering tot een gerechtelijk vooronderzoek moet doen, is een voorafgaande machtiging van de rechtercommissaris voorgesteld. Mijn toenmalige ambtsvoorganger heeft deze voorafgaande machtiging vervangen door een machtiging achteraf. Hieraan liggen twee argumenten ten grondslag. In de eerste plaats wordt betwijfeld of de organisatie van het rechter-commissariaat wel in staat is om ervoor te zorgen dat permanent een rechter-commissaris beschikbaar is. In de tweede plaats wordt daarnaast een door de vergadering van procureurs-generaal gepresenteerd geval van ontdekking op heterdaad geschetst waarbij de vereiste spoed de tussenkomst van de rechter-commissaris onmogelijk zou maken. Een politieambtenaar ziet een man op straat drugs verhandelen. Hij loopt op de verdachte af, die dat opmerkt , waarna hij zijn huis binnen vlucht en alle deuren op slot doet. Terwijl de politie-ambtenaar, tevens hulpofficier van justitie, de vereiste machtiging van de rechter-commissaris tracht te krijgen, spoelt de verdachte de drugs door het toilet.

Ik acht deze bezwaren niet overtuigend. Het bezwaar dat het rechtercommissariaat niet altijd bereikbaar kan zijn houdt onvoldoende rekening met het bestaan van moderne telecommunicatiemiddelen, zoals de draagbare telefoon. Het tweede bezwaar berust op een misverstand. In de casus die de procureurs-generaal schetsen zal de opsporingsambtenaar niet op grond van het Wetboek van Strafvordering optreden, maar op grond van artikel 9, derde lid, van de Opiumwet. Dit artikellid vereist geen machtiging van de rechter-commissaris.

Gelet hierop stel ik voor de aan de spoeddoorzoeking voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris alsnog op te nemen in het wetsvoorstel. Ik acht een versterking van de controle door de rechter-commissaris op de spoeddoorzoeking van een woning in navolging van de Commissie-Moons gewenst vanwege het feit dat het binnentreden van een woning zowel in artikel 12 van de Grondwet als in de internationale mensenrechtenverdragen (art. 8, eerste lid, EVRM en art. 17, eerste lid, IVBPR) een bijzondere bescherming geniet. De Raad van State, de NVvR en de NOvA onderschrijven dit voorstel.

Voor een nadere toelichting op dit voorstel verwijs ik naar de artikelsgewijze toelichting.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Onderdeel A

I

Het betreft hier een technische wijziging van het wetsvoorstel.

II

Artikel 36

Dit artikel verschaft de verdachte het recht om de rechter-commissaris te verzoeken bepaalde onderzoekshandelingen te verrichten. Deze onderzoekshandelingen kunnen zich uitstrekken tot alle strafbare feiten, dus ook de overtredingen. Nu een gerechtelijk vooronderzoek ook ten aanzien van deze categorie van strafbare feiten kan worden ingesteld, bestaat er geen aanleiding de reikwijdte van het artikel in dit opzicht te beperken.

Het ligt voor de hand dat een verdachte, als hij belang heeft bij een onderzoek door de rechter-commissaris, bijvoorbeeld omdat hij bevreesd is dat een getuige à décharge zonder door een rechter te zijn gehoord naar het buitenland vertrekt, zich eerst tot de officier van justitie wendt. Als leidinggever is de officier van justitie volledig op de hoogte van de stand van zaken met betrekking tot het opsporingsonderzoek ter zake van het desbetreffende feit. Hij kan het beste beoordelen of het voorbereidend onderzoek al is voltooid en, zo niet, of een gerechtelijk vooronderzoek noodzakelijk is dan wel of het opsporingsonderzoek voortgang dient te vinden. Besluit de officier van justitie een gerechtelijk vooronderzoek te vorderen en stelt de rechter-commissaris een onderzoek in, dan kan de verdachte zich rechtstreeks tot de rechter-commissaris wenden met het verzoek om bepaalde onderzoekshandelingen te verrichten. Weigert de officier van justitie een gerechtelijk vooronderzoek te vorderen, dan kan zulks voor de verdachte aanleiding vormen om een verzoek als bedoeld in het eerste lid, te doen. Het is niet nodig om met het oog op de ontvankelijkheid van het verzoek als voorwaarde in de wet op te nemen dat van een dergelijke weigering sprake moet zijn geweest.

De rechter-commissaris kan alleen bepaalde onderzoekshandelingen verrichten. De rechter-commissaris is niet bevoegd de officier van justitie te bevelen de instelling van een gerechtelijk vooronderzoek te vorderen. Zulks zou afbreuk doen aan de positie van de officier van justitie als vervolgende partij. Immers de beslissing van de officier van justitie om tot vervolging over te gaan impliceert dat de officier van justitie zijn kaarten op tafel moet leggen en een concrete beschuldiging in zijn vordering moet vastleggen. Het vervolgingsbeleid van de officier van justitie mag niet langs deze weg worden doorkruist. Voorts zou de rechter-commissaris vervolgens zelf op die vordering een beslissing dienen te nemen.

Het verzoek tot enig onderzoek kan worden gedaan door een verdachte. Krachtens artikel 27, eerste lid, Sv wordt, voordat de vervolging is aangevangen, als verdachte aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeit. Het vermoeden van schuld in de zin van het gedaan hebben moet steunen op feiten en omstandigheden en moet, naar objectieve maatstaven gemeten, «redelijk» zijn. Het betreft hier een toetsing «ex post». De rechter-commissaris zal dus aan de hand van de door de verdachte en de door het openbaar ministerie verschafte gegevens moeten vaststellen of verzoeker als een verdachte kan worden aangemerkt.

Niet iedere verdachte kan een verzoek als bedoeld in het eerste lid doen. Het moet in casu gaan om een verdachte, jegens wie door of vanwege de Staat een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald feit in Nederland een vervolging zal worden ingesteld. Deze beperkende voorwaarde, die is ontleend aan de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot het beginpunt van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, is nodig ten einde te voorkomen dat te snel in een fase, waarin nog niet valt te voorzien of een vervolging zal worden ingesteld, een verzoek wordt gedaan. Het betreft hier een voorwaarde voor de ontvankelijkheid van het verzoek. De verdachte zal voldoende feiten en omstandigheden moeten aandragen, waaruit kan worden afgeleid dat door of vanwege de Staat een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald feit een vervolging zal worden ingesteld.

Er moet sprake zijn van een dreigende vervolging «in Nederland». Een kennisgeving van de officier van justitie als bedoeld in artikel 552t, tweede lid, Sv of een kennisgeving van de Minister van Justitie als bedoeld in artikel 552u, tweede lid, Sv in verband met het voornemen de strafvervolging aan een vreemde staat over te dragen is mitsdien geen handeling als bedoeld in het eerste lid.

Ten aanzien van deze verdachte dient door of vanwege de Staat «een handeling» te zijn verricht. Zulks is in de eerste plaats nodig met het oog op de vraag welke rechter-commissaris relatief bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen. Zonder een duidelijk aanknopingspunt te dier zake zou een verdachte zich met een verzoek tot de rechter-commissaris van zijn keuze kunnen wenden. Voorts strekt dit vereiste ertoe te voorkomen dat iedere verdachte maar in het wilde weg verzoeken indient ten einde te achterhalen of tegen hem een opsporingsonderzoek gaande is.

De beperking van de handelingen tot die welke «door of vanwege de Staat» zijn verricht, brengt mede dat daartoe bijvoorbeeld niet mogen worden gerekend onderzoeken van particuliere instanties, zoals detectivebureau's, veiligheidsdiensten of verzekeringsmaatschappijen.

Blijkens het voorgestelde eerste lid kan niet worden volstaan met onderzoekshandelingen «door of vanwege het openbaar ministerie». Weliswaar zal het in het merendeel van de gevallen gaan om handelingen van de justitiële politie of van de officier van justitie, doch alsdan zou discussie kunnen ontstaan over de vraag of handelingen van een bijzondere opsporingsdienst zoals de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst «vanwege het openbaar ministerie» zijn verricht en aldus een grondslag voor het indienen van een verzoek als bovengenoemd kunnen bieden.

De opneming van de woorden «door of vanwege de Staat» in het eerste lid doet de vraag rijzen of hiermede niet allerlei onderzoeken van uiteenlopende overheidsdiensten, ook voorzover deze een toezichthoudend of controlerend karakter dragen, onder de reikwijdte van de onderhavige procedure vallen. Dit probleem wordt evenwel door de koppeling aan het vereiste dat de verdachte aan die handeling in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald feit een vervolging zal worden ingesteld, voldoende afgedekt.

Het eerste lid spreekt nadrukkelijk over «handeling» en niet over «handeling van onderzoek» opdat bijvoorbeeld ook mededelingen van de zijde van de politie of het openbaar ministerie daaronder kunnen worden gerekend.

Het recht om een verzoek als bedoeld in het eerste lid in te dienen komt de verdachte toe, zolang geen vervolging is ingesteld. Daarop wijzen de woorden «dat hij aan de handeling in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald feit een vervolging zal worden ingesteld». Is eenmaal een gerechtelijk vooronderzoek ingesteld, dan kan de verdachte zich rechtstreeks tot de rechter-commissaris wenden met het verzoek een bepaalde onderzoekshandeling ambtshalve te verrichten. Is het gerechtelijk vooronderzoek gesloten of geëindigd, dan staat voor de verdachte de procedure voorzien in artikel 241 Sv open. Is het onderzoek ter terechtzitting aangevangen, dan kan hij op de voet van artikel 316 Sv verzoeken de zaak naar de instructie terug te wijzen.

Op grond van het huidige artikel 184, tweede lid, Sv heeft alleen de verdachte die zich in voorlopige hechtenis bevindt, het recht om de instelling van een gerechtelijk vooronderzoek te verzoeken ter zake van het feit waarover de voorlopige hechtenis is bevolen. Dit betekent dat genoemd artikellid niet geschreven is voor de verdachte wiens voorlopige hechtenis is geschorst. Deze beperking past niet meer in het gekozen systeem. Ook een verdachte, wiens voorlopige hechtenis is geschorst of opgeheven, kan er belang bij hebben de rechter-commissaris te kunnen verzoeken bepaalde onderzoekshandelingen te verrichten. Voorlopig gehechte verdachten kunnen echter geen verzoek als bedoeld in het eerste lid indienen. Het gaat hier immers om verdachten ten aanzien van wie reeds een vervolging is ingesteld.

Het voorgestelde tweede lid verschaft de verdachte, ingeval ter zake van een bepaald feit de vervolging is aangevangen, doch geen gerechtelijk vooronderzoek is ingesteld het recht de rechter-commissaris te verzoeken bepaalde onderzoekshandelingen te verrichten. In de regel zal de vervolging in een dergelijke situatie steeds aanvangen door de vordering tot voorlopige hechtenis. Ook de vordering tot een telefoontap doet de vervolging ter zake van het in die vordering omschreven feit een aanvang nemen. De verdachte kan een dergelijk verzoek doen zolang het onderzoek op de terechtzitting nog niet is aangevangen. Het onderzoek van de rechtercommissaris wordt begrensd door het feitencomplex, zoals de officier van justitie dat in zijn vordering heeft omschreven. Deze omschrijving behoort door de rechter-commissaris te worden gerespecteerd. Hij mag alleen onderzoekshandelingen verrichten die betrekking hebben op de door de officier van justitie bij de aanvang van de vervolging geformuleerde beschuldiging. Strekt het verzoek van de verdachte zich ook tot andere feiten uit, dan is er in zoverre sprake van een verzoek als bedoeld in het eerste lid. Dit verzoek zal de rechter-commissaris dus in het licht van de in dat artikellid gestelde vereisten moeten beoordelen. Een verzoek van de verdachte kan dus deels op het eerste lid en deels op het tweede lid van het voorgestelde artikel berusten.

Het voorgestelde derde lid schrijft allereerst voor dat het verzoek schriftelijk moet worden gedaan. Voorts dient het verzoek een opgave te behelzen van het feit waarvan de verdachte meent te worden verdacht, en van de handelingen van onderzoek die door de rechter-commissaris moeten worden verricht. Het verzoek dient met redenen te zijn omkleed. Aan een verzoek van de verdachte worden derhalve bepaalde vormvereisten gesteld. De verdachte zal in zijn verzoek aannemelijk moeten maken dat hij belang heeft bij een onderzoek van de rechter-commissaris. Dit brengt mede dat de verdachte zo nauwkeurig mogelijk moet omschrijven van welk feit hij wordt verdacht en welke onderzoekshandelingen hem voor ogen staan. Hierbij zal met name moeten worden gedacht aan het verhoor van een bepaalde getuige of de benoeming van een bepaalde deskundige, bijvoorbeeld een psychiater. In het verzoek zal voorts de identiteit van die getuige of deskundige zo nauwkeurig mogelijk moeten zijn omschreven. Als het verzoek de persoonsgegevens van de getuige niet vermeldt, omdat de verdachte de identiteit van de getuige niet kenbaar wil maken, behoeft het verzoek dus niet door de rechter-commissaris te worden ingewilligd.

Artikel 36b

Artikel 36b bevat een aantal noodzakelijke vormvoorschriften. Ingevolge het voorgestelde eerste lid dient de rechter-commissaris aan de verzoeker een bericht van ontvangst en aan de officier van justitie een afschrift van het verzoek te sturen. Het voorgestelde tweede lid schrijft een verplicht verhoor althans behoorlijke oproeping van de verdachte voor. Analoog aan artikel 12c Sv bepaalt dit artikellid dat de rechter-commissaris van een verhoor of oproeping kan afzien, indien de verdachte in zijn verzoek kennelijk niet ontvankelijk is of het verzoek kennelijk ongegrond is.

Lichtvaardig ingediende en ongemotiveerde verzoeken kunnen zodoende op eenvoudige wijze door de rechter-commissaris worden afgedaan, zodat geen onnodig beslag wordt gelegd op de toch al aanzienlijke werkdruk van de rechter-commissarissen. De verdachte kan zich tijdens het verhoor door een raadsman doen bijstaan. De raadsman is bevoegd hierbij de nodige opmerkingen te maken.

De rechter-commissaris dient voorts ingevolge het voorgestelde derde lid de officier van justitie op de hoogte te stellen van tijd en plaats van het verhoor. De officier van justitie is bevoegd het verhoor bij te wonen en daarbij de nodige opmerkingen te maken. Hij kan uiteraard deze opmerkingen ook schriftelijk aan de rechter-commissaris doen toekomen. Voorts kan de officier van justitie, de rechter-commissaris vertrouwelijk informeren over het opsporingsonderzoek.

Ingevolge het voorgestelde vierde lid dient de rechter-commissaris zo spoedig mogelijk op het verzoek te beslissen. De beschikking dient met redenen te zijn omkleed en wordt schriftelijk ter kennis van de verdachte en de officier van justitie gebracht. Het vierde lid bevat geen specifiek toetsingscriterium. De toe- of afwijzing van het verzoek staat ter discretie van de rechter-commissaris. Hij zal alle relevante omstandigheden in aanmerking nemend, waaronder het verloop van het opsporingsonderzoek en het belang van de verdachte bij het verrichten van de betreffende onderzoekshandeling, dienen te beoordelen of het verzoek voor inwilliging vatbaar is. Zo kan hij een verzoek tot het horen van bepaalde getuigen afwijzen, indien de opgave redelijke grenzen overschrijdt (zie art. 208, eerste lid, Sv) of indien de oproeping van een bepaalde getuige zinloos moet worden geacht.

Voorts kan hij het verzoek afwijzen, indien de officier van justitie aannemelijk kan maken dat het opsporingsonderzoek zich tegen de gevraagde onderzoekshandeling verzet.

In geval van toewijzing van het verzoek vermeldt de beschikking het feit waarop het onderzoek betrekking heeft. Doel hiervan is het feit te fixeren voor de duur van het onderzoek. Een schriftelijke kennisgeving van de beschikking aan de verdachte en de officier van justitie is toereikend. Een betekening van de beschikking kan als regel achterwege blijven, nu het hier gaat om een door de verdachte ingediend verzoek en tegen de beschikking van de rechter-commissaris in het algemeen geen rechtsmiddel openstaat (zie art. 445 Sv). Het vierde lid schrijft ten slotte voor dat de rechtercommissaris in geval van toewijzing van het verzoek zo spoedig mogelijk de verzochte onderzoekshandeling verricht.

Artikel 36c

Het onderzoek van de rechter-commissaris heeft niet het karakter van een gerechtelijk vooronderzoek. De rechter-commissaris heeft alleen de taak desgevraagd bepaalde onderzoekshandelingen te verrichten. Ter uitvoering hiervan dient hij over de bevoegdheden te beschikken die hem ook tijdens het gerechtelijk vooronderzoek toekomen. Daarom bepaalt artikel 36c de bepalingen inzake het gerechtelijk vooronderzoek van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 207, 208, derde lid, en 232 tot en met 234.

Artikel 207 wordt uitgezonderd omdat het niet de bedoeling is dat de verdachte bij zijn verhoor afschriften van stukken krijgt die door de officier van justitie aan de rechter-commissaris zijn overgelegd. Artikel 208, derde lid, wordt uitgezonderd omdat de verdachte niet de bevoegdheid heeft tegen een afwijziging van zijn verzoek beroep of bezwaar aan te tekenen. De artikelen 232 tot en met 234 worden uitgezonderd omdat als op verzoek van de verdachte een deskundige is gehoord, hij niet opnieuw een deskundige moet kunnen aanwijzen.

Artikel 36d

Artikel 36d schrijft uitdrukkelijk voor dat een verzoek als bedoeld in de artikelen 36, 36a, eerste lid, of 36a, tweede lid, ook door de raadsman van de verdachte kan worden gedaan. Mede in het licht van de beschikking van de Hoge Raad van 1 september 1987, NJ 1988, 194 m. nt A. C. 't Hart, waarin de cassatierechter heeft beslist dat verzoeken op grond van artikel 89 Sv niet door een advocaat-gemachtigde kunnen worden ingediend, dient zulks uitdrukkelijk in de wet te worden opgenomen. Op de voet van artikel 42, derde lid, Sv kan de verdachte die geen raadsman heeft, een raadsman worden toegevoegd.

Artikel 36e

In geval van toepassing van voorlopige hechtenis dient de bevoegdheid van de rechter-commissaris om ambtshalve bepaalde onderzoekshandelingen te verrichten te blijven bestaan. De bevoegdheid van het huidige artikel 184, tweede lid, Sv is aan de rechter-commissaris toegekend om hem in staat te stellen het door hem noodzakelijk geachte onderzoek voor het beoordelen van de vorderingen tot voorlopige hechtenis te doen. Deze doelstelling blijft onverminderd van kracht. Zo dient de rechter-commissaris een psychiatrisch rapport te kunnen aanvragen of een bevel tot observatie als bedoeld in artikel 196 Sv te kunnen geven. Deze bevoegdheid behoeft niet tot de periode van de bewaring te worden beperkt. In geval van gevangenhouding of gevangenneming kan de raadkamer voorts krachtens het bepaalde in artikel 23, eerste lid, Sv de rechter-commissaris bevelen deze onderzoekshandelingen te verrichten. Gezien de beperkte duur van de voorlopige hechtenis tot aan het onderzoek ter terechtzitting behoort dit onderzoek zo goed mogelijk te worden voorbereid. De rechter-commissaris moet er mitsdien op kunnen toezien dat tijdens het voorbereidend onderzoek de voor een behoorlijke berechting nodige gegevens worden verzameld. Artikel 36c is van overeenkomstige toepassing verklaard.

Artikel 44

Deze wijziging is gelet op het bepaalde in de artikelen 36a–36e noodzakelijk. Een verzoek tot het verrichten van een bepaalde onderzoekshandeling door de rechter-commissaris kan door verdachte worden ingediend zonder dat hij over een raadsman beschikt. Bij zijn eerste verhoor dient de verdachte te worden ingelicht omtrent zijn bevoegdheid om toevoeging van een raadsman te verzoeken.

III, IV, V, VI, VII en XIV en XV

De in deze onderdelen voorgestelde wijzigingen zijn een rechtstreeks gevolg van het feit dat de voorstellen van wet inzake de wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en andere wetten in verband met de herziening van het strafrecht voor jeugdigen (Stb. 1994, 528), de Algemene wet op het binnentreden (Stb. 1994, 572) en de wijziging van de Wet overdracht ten uitvoerlegging strafvonnissen en het Wetboek van Strafvordering met het oog op de internationale samenwerking gericht op de ontneming van het wederrechtelijk genoten voordeel (Stb. 1993, 12), wet zijn geworden.

Over artikel 97 merk ik nog het volgende op.

De spoedeisendheid van het doorzoeken van een woning of kantoor van een geheimhouder brengt niet mee dat geen machtiging aan de rechter-commissaris kan worden gevraagd. De aanvrage voor een machtiging en de daaromtrent gegeven beslissing zijn vormvrij. De rechter-commissaris kan hetzij de gegeven machtiging in een beschikking vastleggen, hetzij daarvan door de griffier proces-verbaal doen opmaken. De machtiging zal vrijwel altijd mondeling (telefonisch) worden gevraagd. De machtiging dient met redenen te zijn omkleed. In de beschikking dient de rechter-commissaris de feiten en omstandigheden te vermelden waaruit afgeleid kan worden dat aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden is voldaan. De toets van de «dringende noodzakelijkheid» berust bij de rechter-commissaris en niet meer bij de (hulp)officier van justitie. De rechterlijke controle op de spoeddoorzoeking van een woning en kantoor van geheimhouder wordt aldus verstevigd. Het rechter-commissariaat dient zodanig georganiseerd te zijn dat steeds de gevraagde machtiging kan worden verleend. De officier van justitie maakt van de verleende machtiging melding in zijn proces-verbaal. Gelet op de leidinggevende positie van de officier van justitie tijdens het opsporingsonderzoek dient in het geval van een doorzoeking door de hulpofficier de machtiging door tussenkomst van de officier van justitie aan de rechtercommissaris te worden gevraagd.

Het van overeenkomstige toepassing verklaren van artikel 96, tweede lid, strekt ertoe de gevallen waarin de rechter-commissaris onderscheidenlijk de officier van justitie niet kan worden afgewacht, te beperken.

VIII en IX

De in deze onderdelen voorgestelde wijzigingen zijn een gevolg van het feit dat inmiddels de Wet mobliele telecommunicatie (Stb. 1994, 628) in werking is getreden.

X

Het voorstel om in de voorgestelde artikelen 125g en 125k de woorden «in Nederland» te schrappen berust op het rapport «Individu en internationale rechtshulp in strafzaken» van de commissie-Swart. In dit rapport wordt nl. geconstateerd dat als ten behoeve van het buitenland gegevensverkeer is afgeluisterd, processen-verbaal en andere voorwerpen die aldus zijn verkregen, moeten worden bewaard tot dat de strafzaak aldaar is geëindigd (blz. 24).

XII

Het voorstel om in artikel 177a de woorden «zo spoedig als het belang van het onderzoek dat toelaat» te schrappen is toegelicht in de nota naar aanleiding van het eindverslag.

XIII

Het voorstel om de laatste vier leden van artikel 184 te schrappen hangt samen met de voorgestelde artikelen 36a tot en met 36e. Op grond van het voorgestelde artikel 36e kan de rechter-commissaris, zolang de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, ten aanzien van het feit waarvoor voorlopige hechtenis is bevolen, ambtshalve bepaalde handelingen van onderzoek bevelen. Gelet hierop is artikel 184, tweede tot en met vierde lid, overbodig geworden.

XVI, XVII en XVIII

Het betreft hier zuiver technische wijzigingen.

B

De Artikelen II en III kunnen vervallen omdat het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de regeling van het opnemen van gesprekken met een technisch hulpmiddel (23 047) voorlopig niet in werking zal treden in verband met de parlementaire enquête naar bijzondere opsporingsmethodes. Indien de behandeling van dit wetsvoorstel na de enquête wordt doorgezet, ben ik voornemens dit wetsvoorstel nog op onderdelen te wijzigen. Een apart wetsvoorstel zal hierin voorzien. Laatstgenoemd wetsvoorstel zal dan tevens kunnen voorzien in een afstemming van het wetsvoorstel 23 047 met het onderhavige wetsvoorstel, in het bijzonder met de hierin voorgestelde regeling van de telefoontap.

De in de Artikelen IV, V, VI en VII genoemde wetsvoorstellen zijn inmiddels wet geworden. Voorgesteld wordt de in deze Artikelen voorgestelde wijzigingen op te nemen in het wetsvoorstel zelf. Zie de onderdelen III, IV, V, VI, VII, XIV en XV.

De Artikelen I A tot en met I G voorzien in een terminologische aanpassing van de termen «huiszoeking» en «voer- en vaartuigen» in de bijzondere wetten aan het onderhavige wetsvoorstel.

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

Naar boven