Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal1994-199523250 nr. 9

23 250
Regels voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (Wet vervoer gevaarlijke stoffen)

nr. 9
NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 23 mei 1995

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 8, eerste lid, komt te luiden:

1. De regels, bedoeld in artikel 3, onderdeel b, kunnen worden gesteld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Defensie, voor zover het betreft de onderwerpen, bedoeld in artikel 6, onderdelen a, b, g, h, l en m en voor zover het tevens betreft de handelingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, met ontplofbare stoffen en voorwerpen, verricht met of ten aanzien van vervoermiddelen die in eigendom toebehoren aan of zich bevinden onder de verantwoordelijkheid van de krijgsmacht of van de krijgsmacht van een andere mogendheid.

B

Toegevoegd wordt een artikel, luidend:

Artikel 44b

De uitreiking van gerechtelijke mededelingen in zaken betreffende overtredingen van het bepaalde bij of krachtens deze wet, begaan door een niet in Nederland gevestigde onderneming, kan eveneens geschieden aan de bestuurder van het betrokken voertuig of aan de schipper van het betrokken vaartuig die zich bereid verklaart de mededeling onverwijld te doen toekomen aan degene voor wie zij is bestemd.

C

Artikel 46 vervalt.

D

Artikel 59a, onderdeel B, tweede lid, komt te luiden:

2. Het tweede lid komt te luiden:

2. Bij de opsporing van overtredingen van voorschriften gesteld bij of krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen komen de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 21 en 22, slechts toe aan de krachtens artikel 44a van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen aangewezen ambtenaren van de Rijksverkeersinspectie en van het militair Korps controleurs gevaarlijke stoffen.

E

Artikel 60 komt te luiden:

In geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden welke gevaren opleveren voor de uit- of inwendige veiligheid van de Staat, kan bij koninklijk besluit worden bepaald, dat Onze Minister van Defensie, voor zover militaire belangen zulks vorderen, de krachtens deze wet uitgevaardigde regelen en voorschriften buiten werking kan stellen of ervan kan afwijken.

F

Artikel 61 vervalt.

G

In artikel 62 vervalt «, met uitzondering van artikel 61,».

TOELICHTING

Algemeen

In deze nota van wijziging zijn enkele zaken opgenomen, waarvan het meenemen in deze fase van de procedure wenselijk is gebleken. Dit wordt bij de afzonderlijke onderdelen toegelicht.

Over deze nota van wijziging heeft afstemming plaatsgevonden met mijn ambtgenoten van Defensie (onderdeel A), Justitie (onderdelen B, C en D) en Binnenlandse Zaken (onderdelen C, E en F).

Onderdelen

A

Bij het militaire vervoer van gevaarlijke stoffen is het streven er steeds meer op gericht, dat wordt aangesloten bij de overeenkomstige regels voor het civiele vervoer. Met het oog daarop verdient het de voorkeur, dat de imperatieve bevoegdheid van de Minister van Defensie om regels ter zake voor te dragen, wordt gewijzigd in een facultatieve. Op deze wijze behoeven geen regels (meer) gesteld te worden, indien daarvoor de noodzaak niet (langer) aanwezig is.

Tegelijkertijd is ervoor gekozen door een andere redactie duidelijker te laten uitkomen dat de regels, bedoeld in artikel 3, onderdeel b, mede de regels van artikel 8 omvatten. Daarmee wordt buiten twijfel gesteld, dat artikel 8 onder het handhavingsbereik van de Wet op de economische delicten valt (artikel 5 juncto artikel 59a WVGS).

B

Deze bepaling is nagenoeg gelijkluidend aan de bepalingen die in de Rijtijdenwet 1936 (artikel 12a) en de Wet goederenvervoer over de weg (artikel 54) zijn opgenomen1 .

Dit artikel voorziet in de mogelijkheid om dagvaardingen, bestemd voor buitenlandse ondernemingen, uit te reiken aan de bestuurder van het voertuig of de schipper van het vaartuig. Het gaat hierbij om een praktisch goed hanteerbare aanvulling op de artikelen 529, 530 en 588 van het Wetboek van Strafvordering. Omdat de vervolging van met name buitenlandse overtreders in de praktijk op veel problemen stuit, is het wenselijk een beleid conform dat van beide genoemde wetten ook in het vervoer van de gevaarlijke stoffen te entameren.

De Rijksverkeersinspectie heeft inmiddels de nodige ervaring opgedaan met het zelfstandig afhandelen van overtredingen van de Rijtijdenwet 1936.

De werkwijze is deze. Ingeval van overtreding door een buitenlandse onderneming kan verdere strafvervolging worden voorkomen door ter plaatse een transactie aan te gaan. Wanneer het niet tot een transactie komt, wordt door de Rijksverkeersinspectie een dagvaarding uitgereikt aan de chauffeur, indien hij zich bereid verklaart deze onverwijld aan de ondernemer te overhandigen. De ervaring tot nu toe leert dat in verreweg de meeste gevallen onmiddellijk wordt betaald. In die gevallen waarin een dagvaarding wordt uitgereikt, wordt voor het leeuwedeel van de gevallen alsnog het transactiebedrag voldaan.

In 1994 werd in het kader van dit zogenoemde lik-op-stuk beleid aan 13 764 buitenlandse chauffeurs een transactie aangeboden. Het gemiddelde transactiebedrag was f 1 203,– (in 1993 was dat f 1 159,–), het hoogste bedrag was f 6 000,–.

Gelet op de positieve ervaringen met dit instrument, is nu het aangewezen moment om de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (WVGS) dienovereenkomstig aan te vullen.

Ter uitvoering daarvan is overleg met het Openbaar Ministerie aangevangen. In dat kader zal nog nadere afstemming plaatsvinden en zal een met de «Instructie OM-transacties buitenlanders t.b.v. de rijkscontroleurs van het verkeer»2 vergelijkbare instructie worden ontwikkeld.

C

Deze wijziging sluit aan bij het wetsvoorstel tot afschaffing van de adviesverplichtingen3 . Artikel 46 is nagenoeg gelijkluidend aan het bij dat wetsvoorstel4 in te trekken artikel 6 van de Wet gevaarlijke stoffen.

D

Ingevolge het artikel 23a, tweede lid, van de Wet op de economische delicten (WED), zijn opsporingsambtenaren die niet behoren tot de RVI maar tot de reguliere politie, niet alleen onbevoegd tot het nemen van monsters (artikel 21) of het openen van verpakkingen (artikel 22), maar ook tot het toepassen van artikel 23 WED. Dit laatste betreft het normale doen stilhouden van verdachte voertuigen.

Deze situatie bestaat al sinds de inwerkingtreding van artikel 23a per 1 april 1994.

De consequentie van artikel 23a is ongewenst. Immers een veel voorkomende opsporingsmethodiek is het doen stilhouden en controleren van de papieren door de gewone politie, gevolgd door gericht onderzoek van de RVI.

Om laatstgenoemde opsporingswijze weer te laten herleven, wordt de verwijzing naar artikel 23 WED uit artikel 23a, tweede lid geschrapt.

Voor de helderheid is het voorgestelde nieuwe tweede lid in deze nota van wijziging in zijn geheel opgenomen.

E, F en G

De artikelen 60 en 61 zijn ontleend aan een voorontwerp van de Invoeringswet Coördinatiewet uitzonderingstoestanden. Thans blijken deze artikelen niet meer geheel te sporen met het inmiddels ingediende wetsvoorstel voor deze Invoeringswet1. Om een dergelijke discrepantie te voorkomen, zal in een nota van wijziging op laatstgenoemd wetsvoorstel een bepaling worden opgenomen waarbij de WVGS wordt gewijzigd in plaats van de in te trekken Wet Gevaarlijke Stoffen, zodra de WVGS in werking treedt. Met het oog daarop is in artikel 60 vooralsnog de tekst van artikel 21 van de Wet Gevaarlijke Stoffen gehandhaafd. Zodra zowel genoemde Invoeringswet als de WVGS in werking zijn getreden, zal artikel 60 zoals thans voorgesteld, door twee nieuwe artikelen vervangen worden, welke in overeenstemming zijn met artikel XXIV van de Invoeringswet.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

A. Jorritsma-Lebbink


XNoot
1

Stb. 1992, 145.

XNoot
2

Uitgave van de Inspecteur-Generaal van het verkeer, 's-Gravenhage, augustus 1992.

XNoot
3

Kamerstukken I 1994/95, 23 983, nr. 242.

XNoot
4

Hoofdstuk VII, artikel 3.

XNoot
1

Kamerstukken II 1993/94, 23 791, nr. 2, artikel XXIV.