Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal1994-199523237-(R1476) nr. 8

23 237 (R 1476)
Wijziging van de Schepenwet

nr. 8
TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 27 februari 1995

Het voorstel van Rijkswet wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel I, onderdeel C, worden de woorden «geen bezwaar tegen de voorgenomen reis bestaat» vervangen door: geen bedenkingen tegen de voorgenomen reis bestaan.

2. In artikel I, onderdeel I, worden in het voorgestelde artikel 6 het tweede en derde lid vervangen door de volgende vier leden:

2. De ambtenaren van de Scheepvaartinspectie zijn belast met het verrichten van onderzoeken als bedoeld in artikel 3a, derde lid. Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur kan worden bepaald dat deze onderzoeken geheel of ten dele worden verricht door daartoe door Onze Minister aangewezen natuurlijke personen of rechtspersonen.

3. Aan een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid kunnen voorschriften worden verbonden. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot aan een aanwijzing te verbinden voorschriften, alsmede met betrekking tot de schorsing en de intrekking van een aanwijzing.

4. Onze Minister kan slechts door hem erkende natuurlijke personen of rechtspersonen aanwijzen. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de wijze van erkenning van deze natuurlijke personen of rechtspersonen, de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om voor erkenning in aanmerking te komen, en de intrekking van de erkenning indien niet meer aan deze voorwaarden wordt voldaan.

5. Besluiten tot aanwijzing of erkenning van natuurlijke personen of rechtspersonen, besluiten tot schorsing van een aanwijzing, alsmede besluiten tot intrekking van een aanwijzing of erkenning, worden bekendgemaakt in de Staatscourant, in de Curaçaosche Courant en in de Landscourant van Aruba.

3. In artikel I, onderdeel J, komt artikel 7, eerste lid, onderdeel b, als volgt te luiden:

b. de tijdens de geldigheidsduur daarvan verplicht gestelde onderzoeken niet of niet tijdig hebben plaatsgevonden, behoudens in bij algemene maatregel van rijksbestuur omschreven bijzondere gevallen.

4. In artikel I, onderdeel R, komt artikel 17, eerste lid, als volgt te luiden:

1. De ambtenaar van de Scheepvaartinspectie die een schip heeft aangehouden, maakt het besluit tot aanhouding of tot opheffing van de aanhouding schriftelijk bekend aan de eigenaar en aan de kapitein van het schip en deelt dit besluit mede aan de betrokken ambtenaar van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane.

5. In artikel I, onderdeel QQ, worden de woorden «hem tot bekendmaking verplicht of uit zijn taak bij de uitvoering van deze wet de noodzaak tot bekendmaking voortvloeit» vervangen door: hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.

Toelichting

1. Het woord «bezwaar» wordt vervangen door het woord «bedenkingen», omdat het woord «bezwaar» in artikel 1:5 van de Algemene wet bestuursrecht een specifieke betekenis heeft die hier niet wordt bedoeld.

2. Uiterlijk op 31 december 1995 dient de richtlijn nr. 94/57/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 november 1994 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties en voor de desbetreffende werkzaamheden van maritieme instanties (PbEG L 319) in de Nederlandse wetgeving te zijn geïmplementeerd.

Het voornemen bestaat om de richtlijn te implementeren in een ministeriële regeling op basis van het nieuwe artikel 6 van de Schepenwet. Met het oog op een juiste implementatie van deze richtlijn wordt door middel van deze wijziging artikel 6 aangepast.

3. In zeer bijzondere gevallen kan het voorkomen dat een onderzoek niet tijdig doorgang kan vinden, bijvoorbeeld omdat er onverwacht geen inspecteur beschikbaar is of omdat het schip door onvoorziene omstandigheden van zijn voorgenomen route heeft moeten afwijken. Als in die gevallen de certificaten zouden vervallen, moet het schip worden voorzien van een volledige set geheel nieuwe certificaten, en zou verlenging van de afgegeven certificaten niet meer mogelijk zijn. Aangezien dit voor de Scheepvaartinspectie een onnodige hoeveelheid administratief werk met zich mee brengt en voor de reder onnodige extra kosten tot gevolg heeft, dient te worden voorzien in een mogelijkheid om de geldigheid van het betreffende certificaat in deze gevallen te behouden. Deze mogelijkheid tot behoud van de geldigheid van een certificaat zal, uitgaande van de huidige praktijk, overigens slechts incidenteel worden toegepast. In de algemene maatregel van rijksbestuur ter uitvoering van artikel 7, eerste lid, onderdeel b, zal worden aangegeven in welke gevallen van deze mogelijkheid gebruik gemaakt kan worden.

4. Deze bepaling is in de actieve vorm herschreven en voorts aangepast aan de artikelen 3:41 en 3:44 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. De bepaling inzake de geheimhoudingsplicht is aangepast aan artikel 2:5 van de Algemene wet bestuursrecht. Zij geldt ook voor ambtenaren in de Nederlandse Antillen en in Aruba.

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

A. Jorritsma-Lebbink