Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1997-1998 | 23207 nr. 9 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 1997-1998 | 23207 nr. 9 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
's-Gravenhage, 27 oktober 1997
Tijdens het wetgevingsoverleg van 26 mei jl. over het wetsvoorstel tot herziening van het afstammingsrecht en de regeling van adoptie (Kamerstukken I 1996/97 24 649, nr. 285) heb ik toegezegd u, nadat daarover in het kabinet gesproken zou zijn, nader te informeren over de verdere gang van zaken met het wetsvoorstel donorgegevens kunstmatige inseminatie (Kamerstukken II 1992/93, 23 207, nrs. 1–2 e.v.). Deze toezegging is terug te vinden in het verslag van dit wetgevingsoverleg (Kamerstukken II 1996/97, 24 649 en 25 189, nr. 35, blz. 8 en 9). Graag voldoen de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en ik aan deze toezegging.
Deze brief heeft de volgende opzet. Na een korte inleiding, waarin de problematiek wordt afgebakend, wordt de inhoud van het wetsvoorstel donorgegevens kunstmatige inseminatie (Kamerstukken II 1992/93, 23 207, nrs. 1–2 e.v.) gememoreerd. Vervolgens wordt ingegaan op de belangrijkste argumenten die gewisseld zijn ter zake van de vraag of een kind onder omstandigheden de persoonsidentificerende gegevens van een donor zou moeten kunnen krijgen. Mede in het licht van een aantal ontwikkelingen sinds de stopzetting van de behandeling van genoemd wetsvoorstel worden deze argumenten gewogen, waarna tot een afronding wordt gekomen. Het gaat om een vraagstuk waarmee zorgvuldig en voorzichtig moet worden omgegaan, gelet op de belangen van de verschillende betrokkenen die in uiteenlopende situaties een rol spelen.
Een kind heeft, voor zover mogelijk, het recht zijn of haar ouders te kennen en door hen verzorgd en opgevoed te worden. Dit recht is neergelegd in artikel 7 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. De Hoge Raad heeft duidelijk gemaakt dat aan grondrechten als het recht op respect voor het privéleven, het recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst en het recht op vrijheid van meningsuiting een algemeen persoonlijkheidsrecht ten grondslag ligt dat mede omvat het recht om te weten van welke ouders men afstamt (HR 15 april 1994, NJ 608).
Het recht om te weten van welke ouders men afstamt, kan in allerlei situaties betekenis krijgen. Zij variëren van het te vondeling gelegd zijn tot adoptie, van het geboren zijn uit een vrouw die afstand doet van haar kind tot anonieme eiceldonatie. Maar ook als het vaderschap van de echtgenoot van de moeder met succes is ontkend of als een erkenning is vernietigd, kan het recht om te weten wie dan wel de vader is, aan de orde komen.
Het wetsvoorstel donorgegevens kunstmatige inseminatie betreft alleen een regeling voor de opslag, bewaring en verstrekking van donorgegevens. Inmiddels komt ook anonieme eiceldonatie en anonieme embryodonatie af en toe voor.
De opslag, bewaring en verstrekking van afstammingsgegevens bij (interlandelijke) adoptie verloopt in de praktijk zeer zorgvuldig. Er is geen goede reden om in die zorgvuldige praktijk te gaan ingrijpen. Ten slotte zijn er de gevallen waarin de vader en/of de moeder anders dan in verband met adoptie of kunstmatige bevruchting onbekend zijn. In die gevallen is opslag en bewaring van afstammingsgegevens niet mogelijk. Er is dan immers geen derde betrokken die de beschikking kan hebben over deze afstammingsgegevens.
Inhoud van de Wet donorgegevens kunstmatige inseminatie
Deze wet beoogt een regeling te geven voor de bewaring, het beheer en de verstrekking van gegevens van donoren bij kunstmatige donorinseminatie.
Bepaalde gegevens omtrent donoren dienen door personen die kunstmatige inseminatie (doen) verrichten verzameld te worden en vervolgens ter beschikking gesteld te worden aan een centraal opslag- en bewaarpunt. Het gaat om drie categorieën gegevens. In de eerste plaats betreft het medische gegevens die van belang kunnen zijn voor een gezonde ontwikkeling van een kind. In de tweede plaats betreft het de fysieke kenmerken, de opleiding en het beroep van de donor alsmede gegevens omtrent de sociale achtergrond van de donor en een aantal persoonlijke kenmerken. Deze gegevens mogen afzonderlijk of in combinatie niet herleidbaar zijn tot de individuele donor. Ten slotte dienen de geslachtsnaam, voornamen, geboortedatum en woonplaats van de donor verschaft te worden.
Al deze gegevens worden gedurende tachtig jaar na de dag van ontvangt bewaard.
De medische gegevens van de donor worden op verzoek aan de huisarts van het kid-kind verstrekt. De overige, niet-persoonsidentificerende gegevens van de donor worden op verzoek van het kind van twaalf jaar of ouder dat weet of vermoedt dat het door kid is verwekt, aan hem of haar verstrekt. Als het kind nog geen zestien jaar is, wordt aan de ouders van het kind mededeling van de verstrekking van de gegevens aan het kind gedaan. Hiervan wordt het kind op de hoogte gesteld.
De persoonsidentificerende gegevens van de donor worden op verzoek van het donorkind, dat de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, verstrekt, indien de donor met deze verstrekking schriftelijk instemt. Als de donor daarmee niet instemt of als de instemming geacht moet worden te zijn geweigerd, worden de gegevens van de donor toch verstrekt als, na afweging van de belangen van de verzoeker bij verstrekking van deze gegevens en die van de donor bij niet-verstrekking, alle omstandigheden in aanmerking genomen, de belangen van de verzoeker zo zwaar wegen dat verstrekking niet achterwege dient te blijven. Tegen een voornemen tot verstrekking kan de donor bezwaar maken en in beroep gaan.
Tot zover de belangrijkste elementen van de voorgestelde wettelijke regeling.
Argumenten voor en tegen opheffing van de anonimiteit van de donor
Het wetsvoorstel impliceert dat onder omstandigheden de anonimiteit van de donor, ook als hij dat niet wil, doorbroken wordt. Het wetsvoorstel vooronderstelt een recht van het kind op kennis omtrent de afstamming. Duidelijk wordt echter dat dit persoonlijkheidsrecht geen absoluut recht is. Tegenover dit recht staat het recht van de donor en van de moeder (en juridische vader) van het kind op bescherming van hun privéleven. Vraag is in de eerste plaats welk recht voorrang heeft. Verder speelt de vraag of er andere maatschappelijke belangen en gevolgen zijn die zwaarder wegen dan het «vitale belang»1 van het kind bij kennis omtrent de afstamming. Bij die andere maatschappelijke belangen en gevolgen kan bij voorbeeld gedacht worden aan een te verwachten terugloop van het aantal donoren, als zij weten dat onder omstandigheden hun identiteit aan het kind bekend gemaakt wordt. Ook bestaat het risico van een vermindering van de openheid over de verwekking via KID van ouders tegenover hun kind. Verder zou het aantal inseminaties buiten een zaadbank om kunnen toenemen. Ten slotte zou een mogelijke regeling ontweken kunnen worden door naar het buitenland te gaan.
De genoemde maatschappelijke belangen en gevolgen zijn van uiteenlopende aard. De consequentie van een uitwijken naar het buitenland accepteren wij. Weliswaar zal een aantal ki-kinderen dan nog steeds geen toegang kunnen krijgen tot hun afstammingsgegevens, het grootste deel van de kinderen zal die mogelijkheid wel hebben.
De terugloop van het aantal donoren zal leiden tot langere wachttijden voor paren met een kinderwens. Hier moet naar onze mening het belang van deze paren bij een snelle vervulling van hun kinderwens wijken voor het belang van het kind.
De mogelijkheid van inseminatie buiten de zaadbank om bestaat altijd. Toch ligt het niet zo voor de hand dat paren deze weg kiezen en kunnen vinden. Tenzij er een vorm van organisatie is om te bewerkstelligen dat de donor anoniem is, zal in de meeste gevallen van inseminatie buiten de zaadbank om de donor niet anoniem zijn. De kans dat bij een zekere vorm van organisatie de anonieme-donorinseminaties aan het licht komen, is relatief groot. Het zal niet gemakkelijk zijn een dergelijke organisatie langere tijd clandestien te laten functioneren.
Het is uiteraard in het belang van het toekomstige kind zelf dat de inseminatie plaatsvindt met zaad van een donor dat op het ontbreken van bepaalde aandoeningen is gescreend. Wij beschouwen het primair als de verantwoordelijkheid van de toekomstige ouder(s) om bij een keuze voor wegen buiten de gezondheidszorg hun motieven te wegen tegenover het belang van het kind.
Een mogelijke toeneming van de terughoudendheid bij ouders om het kind te vertellen dat het door kid is verwekt, zal door algemene voorlichting en door specifieke voorlichting aan paren die een ki-behandeling wensen, beperkt kunnen worden.
Ten slotte willen wij ingaan op het recht op bescherming van het privéleven van de volwassenen die rechtstreeks betrokken zijn bij de inseminatie, te weten de moeder en de eventuele juridische vader van het kind, alsmede de donor. Naar ons oordeel dient de mede-verantwoordelijkheid van de moeder en de eventuele juridische vader voor het bestaan van het kind ertoe te leiden dat hun recht op bescherming van hun privéleven moet wijken voor dat van het kind op kennis omtrent zijn afstamming. In het wetsvoorstel is dan ook terecht, als het gaat om de verstrekking van persoonsidentificerende gegevens, geen rekening gehouden met een afweging van belangen tussen die van de ouders bij geheimhouding en die van het kind bij verstrekking van deze gegevens.
De mede-verantwoordelijkheid van de donor voor het bestaan van het kind is afstandelijker dan die van de ouders zelf. Hij heeft naar ons oordeel wel een zekere medeverantwoordelijkheid. Hij weet immers dat het zaad, dat hij afstaat, ten behoeve van inseminatie van een vrouw zal worden gebruikt. Naar ons oordeel dient dit ertoe te leiden dat, indien de donor toestemming weigert of geacht wordt te hebben geweigerd tot verschaffing van zijn persoonsidentificerende gegevens, steeds een afweging plaatsvindt tussen zijn rechten en belangen bij niet-verstrekking en die van het kind bij verstrekking. Het valt tevoren moeilijk te voorspellen tot welke uitkomst een dergelijke afweging leidt. Dat hangt sterk samen met de omstandigheden van het geval. Daarbij spelen bij voorbeeld een rol de mate waarin het kind lijdt onder het niet weten wie zijn of haar biologische vader is en de aard van de bezwaren van de donor tegen de verstrekking. Een dergelijke belangenafweging is in het wetsvoorstel in artikel 3, tweede lid, voorgesteld. Voor zover de tekst van het wetsvoorstel in dit opzicht nog niet scherp genoeg is geformuleerd, zullen wij trachten die te verbeteren.
In de praktijk wordt thans gewerkt met zogenoemde A- en B-loketten. Het A-loket kent anonieme donoren, het B-loket kent bekende donoren. Het B-loket blijkt vooral te worden gebruikt door vrouwen zonder mannelijke partner. Ongeveer eenderde van alle inseminaties vindt thans plaats met zaad van een bekende donor, tweederde met zaad van een anonieme donor. Een wettelijke regeling van dit systeem lijkt niet nodig. Het is immers onwaarschijnlijk dat het kind de naam van de bekende donor niet zal vernemen. Het wetsvoorstel donorgegevens kunstmatige inseminatie is juist bedoeld om binnen het A-loket openheid te bewerkstelligen.
Uit het voorgaande vloeit voort dat de uitgangspunten van het wetsvoorstel donorgegevens kunstmatige inseminatie door ons gedeeld worden.
Onderzoek naar de gevolgen die het voor kinderen kan hebben om geen toegang te hebben tot de afstammingsgegevens is niet gestart en zal ook niet gestart worden, gelet op de problemen die de uitvoering van dergelijk onderzoek met zich brengt. Dat onderzoek zou jaren vergen en geen antwoord kunnen geven op de vraag welke de gevolgen zijn van anonimiteit van de donor voor kinderen die niet zijn ingelicht over de wijze waarop zij zijn verwekt. Daarenboven geldt dat feitelijke constateringen die uit goed onderzoek voortvloeien weliswaar meer inzicht zouden kunnen bieden in de waarde van bepaalde maatschappelijke belangen en gevolgen, zoals hiervoor aangegeven, maar dat de beslissing tot een regeling die uitgaat van de verschaffing van persoonsidentificerende gegevens van de donor in bepaalde gevallen van andere orde is. Deze kan daarom ook los van deze feitelijke gegevens genomen worden.
Omdat, zoals hiervoor is aangeduid, anonieme eiceldonatie en anonieme embryodonatie zo af en toe in de praktijk voorkomen, zullen wij het wetsvoorstel tevens van toepassing laten zijn op eicel- en embryodonatie.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-23207-9.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.