nr. 9
TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING
Het voorstel van wet wordt gewijzigd als volgt:
A
Het in artikel I, onderdeel B, voorgestelde artikel 3a wordt gewijzigd
als volgt:
1. Aan het begin van het derde lid wordt een volzin ingevoegd, luidende:
Een aanzegging kan uitsluitend ambtshalve geschieden.
2. In het vijfde lid wordt na «deze ambtshandeling» een punt
geplaatst en wordt de tekst achter de punt vervangen door een volzin, luidende:
Een ambtshandeling die is verricht in strijd met de eerste volzin is nietig.
3. In het zesde lid wordt de punt achter de eerste volzin vervangen door
een komma en wordt de tweede volzin vervangen door: heft het beslag op en
maakt de gevolgen daarvan ongedaan.
4. Een nieuw lid wordt toegevoegd, luidende:
7. De president kan, rechtdoende in kort geding, de gevolgen van de aanzegging,
bedoeld in het vijfde lid, eerste volzin, en de verplichtingen, bedoeld in
het zesde lid, opheffen, onverminderd de bevoegdheid van de gewone rechter.
Indien de ambtshandeling een beslag behelst is artikel 438, vierde lid, van
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing.
B
Na vernummering van artikel II tot III wordt een artikel ingevoegd, luidende:
ARTIKEL II
Aan onderdeel A van de bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht wordt
een subonderdeel toegevoegd, luidende:
7. Artikel 3a, tweede lid, van de Gerechtsdeurwaarderswet.
Toelichting
A.4 en B. Deze wijzigingen zijn in de nota naar aanleiding van het verslag
reeds in algemene zin toegelicht.
A.1. De aanzegging is een besluit in de zin van art. 1:3 Algemene wet
bestuursrecht. Door te bepalen dat een aanzegging uitsluitend ambtshalve kan
geschieden, wordt verduidelijkt dat het initiatief voor een aanzegging alleen
van de Minister van Justitie kan uitgaan. Het is met het oog daarop dat gerechtsdeurwaarders
worden verplicht om de minister te informeren wanneer zij een opdracht tot
het verrichten van een ambtshandeling ontvangen die redelijkerwijs strijdig
kan zijn met de volkenrechtelijke verplichtingen van de Staat. In dit systeem
past niet dat partijen die zich op immuniteit zouden willen beroepen de Minister
van Justitie eenvoudigweg zouden kunnen verzoeken om een gerechtsdeurwaarder
aan te zeggen dat een aan hem opgedragen of op te dragen ambtshandeling in
strijd is met de volkenrechtelijke verplichtingen van de Staat.
A.2. Deze wijziging is van wetstechnische aard. Van de ene, lange volzin
van het vijfde lid, zijn twee volzinnen gemaakt, opdat in het nieuw voorgestelde
zevende lid, naar de eerste volzin van het vijfde lid kan worden verwezen.
A.3. Met betrekking tot het zesde lid wordt een technisch-juridische wijziging
voorgesteld. Het betreft het geval dat het beslagexploot al is uitgebracht
op het moment dat de gerechtsdeurwaarder een aanzegging ontvangt. Voorgesteld
wordt om de (plicht tot) betekening van de aanzegging te handhaven. In aansluiting
daarop wordt thans voorgesteld om te bepalen dat de gerechtsdeurwaarder het
beslag opheft en de gevolgen daarvan ongedaan maakt. Aldus wordt eenzelfde
constructie toegepast als bij de ontbinding van een overeenkomst. Zij heeft
geen terugwerkende kracht (zie artikel 269 Boek 6 BW), maar lost op in een
verbintenis tot ongedaanmaking van de gevolgen (zie artikel 271 Boek 6 BW).
Deze constructie heeft een aantal voordelen boven de aanvankelijk voorgestelde
constructie waarin de rechtsgevolgen van het beslagexploot middels betekening
van de aanzegging, voor de toekomst van rechtswege ophouden te bestaan. Ten
eerste wordt tegengegaan dat de rechtstoestand van het desbetreffende goed
verschilt van de feitelijke toestand ervan en derden, afgaande op die –
onjuiste – feitelijke situatie, daaromtrent een onjuiste voorstelling
maken. Een ander voordeel is dat de thans voorgestelde constructie onderkent
dat in bepaalde gevallen nog een feitelijke handeling van de deurwaarder nodig
is om de gevolgen van het beslag ongedaan te maken. Zo zullen in bewaring
gegeven zaken moeten worden teruggegeven. Voorts dient bewerkstelligd te worden
dat ingeval beslag is gelegd op een registergoed, een aantekening daaromtrent
in het desbetreffende register wordt doorgehaald. Ten slotte sluit de nieuwe
constructie nauw aan bij de in het zevende lid neergelegde stelsel van rechtsbescherming
bij de burgerlijke rechter. De daarin neergelegde bevoegdheid van de president,
rechtdoende in kort geding, om de gevolgen van de aanzegging op te heffen,
alsmede de verwijzing naar artikel 438, vierde lid, Rv, is niet werkbaar indien
de rechtsgevolgen van het exploot van rechtswege teniet gaan.
A.4. De eerste volzin van het zevende lid geeft de president van de rechtbank,
oordelende in kort geding, de bevoegdheid de aanzegging te toetsen en de gevolgen,
genoemd in het vijfde en zesde lid, op te heffen. Zulks doet niet af aan de
bevoegdheid van de gewone rechter. Een wettelijke bepaling van deze strekking
is noodzakelijk, omdat het opheffen van voormelde gevolgen niet het karakter
draagt van een voorlopige maatregel. Zonder wettelijke bepaling zou de president
rechtsprekende in kort geding daartoe derhalve niet bevoegd zijn, terwijl
de behoefte aan een snelle rechterlijke beoordeling van de aanzegging en de
gevolgen daarvan, daartoe alleszins aanleiding geeft. Op vergelijkbare gronden
is thans reeds in de artikelen 438, tweede lid en 705 Rv, een voorziening
getroffen ten aanzien van de opheffing van beslagen. De redactie van het nieuwe
zevende lid is dan ook op genoemde bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering afgestemd.
De tweede volzin zoekt, ingeval de ambtshandeling een beslag betreft,
aansluiting bij artikel 438, vierde lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
(Rv), dat een regeling geeft voor gevallen waarin de gerechtsdeurwaarder die
met de executie is belast en daarbij op een bezwaar stuit dat een onverwijlde
voorziening nodig maakt. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing op
conservatoir beslag (zie artikel 702, eerste lid, Rv). De gerechtsdeurwaarder
kan zich op de voet van artikel 438 met een door hem opgemaakt proces-verbaal
bij de president van de rechtbank vervoegen, ten einde het gerezen bezwaar
in kort geding tussen de betrokken partijen te doen beslissen. Indien de (opdrachtgever
van de) gerechtsdeurwaarder zich niet aanstonds wenst neer te leggen bij de
ministeriële aanzegging ziet de gerechtsdeurwaarder zich geplaatst voor
het dilemma van enerzijds zijn ministerieplicht en anderzijds de aanzegging.
Desalniettemin dient de gerechtsdeurwaarder in zo'n geval met enige spoed
te handelen. Er doet zich in die situatie dus een «een bezwaar voor
dat onverwijlde voorziening nodig maakt». Artikel 438 biedt de gerechtsdeurwaarder
dan een uitweg die leidt tot een rechterlijke toetsing van de aanzegging in
de context van het beslag.
De Staatssecretaris van Justitie,
M. J. Cohen