nr. 8
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET NADER VERSLAG
Algemeen
3. Immuniteit van executie
De wijzigingen die het onderhavige wetsvoorstel beoogt, hebben onder meer
tot gevolg dat de regering zelf, zonder tussenkomst van de rechter, maatregelen
kan nemen teneinde een reeds gelegd beslag teniet te doen indien dat beslag
in strijd is met de volkenrechtelijke verplichtingen van de Staat (art. 3a
lid 6 Gerechtsdeurwaarderswet). De leden van de PvdA-fractie vragen zich in
dat verband af wat de gevolgen voor de Staat kunnen zijn, indien het ingrijpen
van de regering – d.w.z. de aanzegging aan de gerechtsdeurwaarder –
achteraf niet terecht blijkt te zijn geweest. In de memorie van toelichting
(p. 5, onder 3) is in dit verband aangegeven dat belanghebbenden altijd achteraf
afzonderlijk kunnen procederen over de vraag of de regering gezien de omstandigheden
wel gerechtigd was deze stap te doen. De leden van de PvdA-fractie vragen
zich naar aanleiding hiervan af of de wetgever niet teveel op de stoel van
de rechter gaat zitten en of dit gezien de traditionele scheiding der machten
wel wenselijk is. Deze leden zouden graag de visie van de regering hieromtrent
willen vernemen.
Naar aanleiding hiervan merkt de regering het volgende op. Inderdaad kan
de Minister van Justitie in het voorgestelde stelsel een eenmaal gelegd beslag
middels een aanzegging teniet doen. Hoewel met de in dit wetsvoorstel opgenomen
informatieplicht eerst en vooral wordt beoogd om de minister in staat te stellen
tijdig in actie te komen opdat met het volkenrecht strijdige beslagen kunnen
worden voorkómen, kan niet geheel uitgesloten worden dat zich ook in
de toekomst situaties zullen voordoen waarin dit niet lukt, bijvoorbeeld omdat
de minister niet op de hoogte is gesteld van een beslaglegging. In zo'n geval
zou een ten onrechte gelegd beslag door de Staat alleen via een gerechtelijke
procedure kunnen worden opgeheven. Dit is echter, als het alleen om een beslag
gaat, een omslachtige en tijdrovende weg, te meer omdat ingevolge het volkenrecht
een verbod van executie (inclusief conservatoire maatregelen) geldt ten aanzien
van eigendommen van een vreemde staat, bestemd voor diens openbare dienst.
Om de regering ook in die gevallen een slagvaardig instrument
in handen te geven kan de aanzegging ook een reeds gelegd beslag treffen,
waarmee de executie op voor de openbare dienst bestemde goederen van een vreemde
staat – waarvoor volkenrechtelijke immuniteit geldt – alsnog kan
worden afgewend.
Inderdaad is de ministeriële aanzegging te allen tijde toetsbaar
door de rechter. Zoals ook in de nota naar aanleiding van het verslag is aangegeven
(p. 1 en 4) ligt het laatste woord over de vraag of een vreemde Staat of een
organisatie recht heeft op immuniteit van (rechtspraak en) executie binnen
de Nederlandse rechtsorde bij de rechter. Dat de wetgever met deze regeling
op de stoel van de rechter zou gaan zitten, zie ik daarom niet in.
Dit neemt overigens niet weg dat een vreemde staat de Staat der Nederlanden
volkenrechtelijk aansprakelijk kan houden voor uitspraken van de Nederlandse
rechter. Een vraag die hiermee verband houdt is wel, of het wetsvoorstel de
rechtsbescherming tegen de aanzegging adequaat organiseert. Aangezien de gevolgen
van de aanzegging – in de rechtsverhouding tussen de betrokken partijen –
vermogensrechtelijk van aard zijn, ligt een civielrechtelijke rechtsbescherming
in de rede. Omdat echter de aanzegging een overheidsbesluit in de zin van
de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, staat daartegen de bestuursrechtelijke
rechtsgang open (bijv. Vz. ARRvS 24-11-1986, KG 1987, 38). De regering acht
een dergelijke bestuursrechtelijke rechtsbescherming bij nader inzien evenwel
minder gelukkig en geeft er, gelet op de betrokken vermogensrechtelijke belangen,
de voorkeur aan de rechtsbescherming tegen de aanzegging vorm te geven in
een civielrechtelijke context, waarbij aansluiting wordt gezocht bij het beslagrecht.
De regering stelt daarom in bijgevoegde nota van wijziging voor om de president
van de rechtbank, oordelende in kort geding, de bevoegdheid te geven de aanzegging
te toetsen en de gevolgen ervan op te heffen. In verband hiermee voorziet
de nota van wijziging er tevens in, dat het aanzeggingsbesluit op de zgn.
negatieve lijst bij de Awb (art. 8:5) wordt geplaatst. Gevolg hiervan is dat
tegen het aanzeggingsbesluit geen Awb-beroep meer openstaat.
Artikelen
Artikel 3a
Eerste lid
De leden van de PvdA-fractie zouden nader gepreciseerd willen zien wanneer
er voor de gerechtsdeurwaarder een plicht tot inkennisstelling van de minister
aanwezig is. Met deze leden ben ik van mening dat het voor de praktijk van
groot belang is dat daarover duidelijkheid bestaat. Het criterium van het
wetsvoorstel is «redelijkerwijs rekening moeten houden met de mogelijkheid
dat het verrichten van een ambtshandeling in strijd is met de volkenrechtelijke
verplichtingen van de Staat». Globaal gezegd gaat het daarbij om alle
gevallen waarin opdracht wordt ontvangen tot het betekenen van een dagvaarding
aan of het leggen van beslag ten laste van een vreemde mogendheid of een internationale
organisatie, of haar vertegenwoordiging hier te lande of personeel van die
vertegenwoordiging. Voor zover het gaat om aan vreemde staten gelieerde entiteiten
die in de praktijk als zodanig niet herkenbaar zijn, bevat het woord «redelijkerwijs»
voor de gerechtsdeurwaarder een ontsnappingsclausule. In overleg met de KVG
zal worden bezien in hoeverre het mogelijk en zinvol is om nadere criteria
ter beoordeling door de gerechtsdeurwaarders te geven. In verband met de eventuele
verzwaring van de werkdruk voor gerechtsdeurwaarders is het van belang op
te merken dat het, naar onze eigen inschatting en die van de KVG, om niet
meer dan enkele gevallen per jaar zal gaan. Voor de ministeriële regeling
waarin moet worden aangegeven op welke wijze het ministerie van Justitie dient te worden geïnformeerd geldt uiteraard, dat deze gereed moet zijn
op het moment dat de wet in werking treedt. Qua inhoud zal deze regeling eenvoudig
kunnen zijn. Belangrijk is inderdaad dat op de ministeries van Justitie en
van Buitenlandse Zaken de benodigde organisatorische voorzieningen worden
getroffen.
Zesde lid
De leden van de PvdA-fractie menen dat het vanzelf spreekt dat de regering
de kosten van het tweede exploot draagt. De laatste volzin van dit lid zegt
dit ook met zoveel woorden.
De Staatssecretaris van Justitie,
M. J. Cohen