23 057
Wijziging van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (sluiten Wuv voor de na-oorlogse generatie)

nr. 14
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Rijswijk, 9 maart 1995

Inleiding

Bij brief van 21 januari 1994 heeft mijn ambtsvoorgangster u geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot de immateriële hulpverlening aan oorlogsgetroffenen uit de Tweede Wereldoorlog en de na-oorlogse generatie (Kamerstukken II 1993/94, 23 057, nr. 11). Deze stand van zaken is aan de orde geweest tijdens het mondeling overleg van de toenmalige vaste Commissie voor Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur met mijn ambtsvoorgangster op 16 juni 1994 over wijziging van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 (Kamerstukken II 1993/94, 23 057, nr. 13). In de brief werd gewezen op ontwikkelingen in de hulpvraag aan oorlogsgetroffenen uit de Tweede Wereldoorlog respectievelijk die van recente geweldsgetroffenen. Daarbij werd aangekondigd dat bezien zou worden òf en in hoeverre de capaciteit en deskundigheid, beschikbaar op het terrein van hulpverlening aan getroffenen van de Tweede Wereldoorlog, via een versnelde integratie in de algemene hulpverlening zou kunnen worden ingezet ten behoeve van nieuwe geweldsgetroffenen.

In het afgelopen jaar is deze kwestie aan de orde geweest in gesprekken met de afzonderlijke instellingen en in een inventariserend onderzoek onder de leden van de Stuurgroep Netwerkontwikkeling voor de hulpverlening aan oorlogs- en geweldsgetroffenen (Stuurgroep). In november 1994 hebben enkele leden van de vaste Commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan de hand van de gezamenlijke notitie «De Tweede Wereldoorlog: ook een oorlog van vandaag» kennis kunnen maken met de betrokken instellingen en hun visie. Zelf ben ik onlangs in de gelegenheid geweest met de instellingen nader van gedachten te wisselen over de gezamenlijke notitie in een kennismakingsbijeenkomst die het karakter droeg van een ronde-tafel-gesprek.

Kort geleden heeft zich nog een aantal andere ontwikkelingen voorgedaan. Tegen deze achtergrond leek het mij goed u op dit moment wederom op de hoogte te stellen van de voortgang op het terrein van de immateriële hulpverlening aan oorlogsgetroffenen uit de Tweede Wereldoorlog. In het onderstaande schets ik u de huidige stand van zaken.

1. De begeleidende instellingen voor oorlogsgetroffenen

De zogenoemde begeleidende instellingen voor oorlogsgetroffenen zijn specifieke instellingen in de eerstelijnszorg, te weten de Stichting Joods Maatschappelijk Werk, de Stichting 1940–1945, de Stichting Pelita en de Stichting Burger-oorlogsgetroffenen. In gesprekken met deze instellingen is gebleken, dat zij op dit moment geen mogelijkheid zien om de daar aanwezige capaciteit en deskundigheid in te zetten voor nieuwe doelgroepen. Een zelfde conclusie komt voort uit eerder genoemd inventariserend onderzoek onder de leden van de Stuurgroep, waarin ook de begeleidende instellingen vertegenwoordigd zijn. Gezien de demografische ontwikkelingen, waardoor in de toekomst sprake zal zijn van een afname van de hulpvraag van de verschillende groepen oorlogsgetroffenen, zal noodzakelijkerwijs een afbouw-op-termijn dienen plaats te vinden van de immateriële hulpverlening. Over dit perspectief vindt op dit moment ambtelijk overleg plaats.

Inmiddels heb ik van de begeleidende instellingen een brief ontvangen waarin zij de zorg uitspreken dat ook in de toekomst voor hun doelgroepen een adequate hulpverlening beschikbaar blijft. Met het oog hierop verklaren zij zich bereid tot samenwerking te komen en zouden graag de mogelijkheden hiertoe onderzocht willen zien.

Ik deel de door de instellingen uitgesproken zorg en ben dan ook voornemens een externe deskundige onderzoek te laten uitvoeren naar de mogelijkheid om op termijn tot een gezamenlijk hulpaanbod te komen door de verschillende instellingen op te laten gaan in één organisatie. Een dergelijke samenwerking zou naar mijn mening beschouwd kunnen worden als een zinvolle overbruggingsfase in het proces van integratie van specifieke in algemene hulpverlening.

2. Stichting Informatie- en Coördinatie-orgaan Dienstverlening Oorlogsgetroffenen (ICODO)

Anders dan de begeleidende instellingen richt de Stichting ICODO zich op ondersteuning van de professionele hulpverlening door middel van voorlichting, deskundigheidsbevordering en het doen van wetenschappelijk onderzoek. Daarnaast biedt zij ondersteuning aan vrijwilligersorganisaties en verschaft zij algemene informatie en juridische ondersteuning aan oorlogsgetroffenen zelf. Voor oorlogsgetroffenen, hulpverleners en onderzoekers houdt deze Stichting een documentatiecentrum in stand. De Stichting ICODO werkt, onder andere in het kader van de eerder genoemde Stuurgroep, reeds geruime tijd op projectbasis samen met de Stichting Pharos, een zorgondersteunende instelling voor vluchtelingen en asielzoekers.

Ook de Stichting ICODO heeft zich het afgelopen jaar beraden over de vraag of de bij haar aanwezige kennis en capaciteit ten aanzien van hulpverlening aan oorlogsgetroffenen ingezet zou kunnen worden voor nieuwe geweldsgetroffenen. Dit heeft ertoe geleid dat zij onlangs besloten heeft tot een belangrijke koerswijziging waarbij zij zich geleidelijk ook op nieuwe geweldsgetroffenen gaat richten. Momenteel levert zij een bijdrage aan het Project training (vrouwen-)hulpverlening na (seksueel) geweld in het voormalig Joegoslavië, waarin naast de Stichting Pharos ook de Stichting Admira (vrouwenhulpverlening) participeert.

Al met al constateer ik dat bij de Stichting ICODO een ontwikkeling in gang is gezet, waarin wordt geanticipeerd op de hulpvraag van nieuwe geweldsgetroffenen.

3. Stuurgroep Netwerkontwikkeling voor de hulpverlening aan oorlogs- en geweldsgetroffenen

Reeds in het in 1989 uitgebrachte Regeringsstandpunt over het Eindadvies van de Projectgroep Behandeling Oorlogs- en Geweldsgetroffenen is als uitgangspunt van beleid geformuleerd, dat de hulpverlening aan oorlogs- en geweldsgetroffenen in principe vanuit de algemene hulpverlening dient te worden georganiseerd.

Als belangrijk beleidsinstrument is in december 1990 de Stuurgroep Netwerkontwikkeling door de toenmalige ministers van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en van Defensie in het leven geroepen met de opdracht samenwerkingsverbanden tot stand te brengen tussen specifieke èn algemene hulpverlening. Hierin spelen kennisoverdracht en deskundigheidsbevordering een centrale rol. In het afgelopen tijdsbestek zijn de activiteiten van de Stuurgroep gericht geweest op het totstandbrengen van regionale en lokale samenwerkingsverbanden en een onderwijspakket voor huisartsen.

De Stuurgroep heeft zich onlangs bezonnen op haar oorspronkelijke taken en deze geplaatst in het licht van de huidige maatschappelijke ontwikkelingen. Daarbij constateert zij dat door de toenemende hulpvraag van nieuwe geweldsgetroffenen in veel plaatsen op spontane wijze netwerken voor vluchtelingen ontstaan. Voor nieuwe, van bovenaf gestuurde, geïntegreerde netwerken voor de hulpverlening aan oorlogs- èn geweldsgetroffenen blijkt minder interesse te bestaan. Inmiddels heeft de algemene hulpverlening de weg gevonden naar de Stichting ICODO en de Stichting Pharos voor consultatie en advies over verwijzing van oorlogs- en geweldsgetroffenen. Eén en ander heeft voor de Stuurgroep tot de conclusie geleid dat, nu zij haar bijdrage heeft geleverd aan de uitwisseling en samenwerking tussen specifieke en algemene instellingen op het terrein van hulpverlening aan oorlogs- en geweldsgetroffenen, zij geen extra rol meer voor zichzelf ziet weggelegd. Met het oog hierop heeft zij bij mij het advies ingediend om opgeheven te worden en daarbij voorgesteld haar werkzaamheden, voor zover nodig, op zorgvuldige wijze elders onder te brengen. Hierbij wordt een belangrijke, gezamenlijke rol toebedeeld aan de Stichting ICODO en de Stichting Pharos.

Het advies van de Stuurgroep is als bijlage bij deze brief gevoegd1 . Naar de mening van de Stuurgroep kunnen de gerealiseerde lokale netwerken voor hulpverlening aan oorlogs- en geweldsgetroffenen voortaan zelfstandig voortbestaan en zonodig gebruik maken van ondersteuning door de Stichting ICODO en de Stichting Pharos. De uitwisselingsfunctie van de Stuurgroep zou kunnen worden voortgezet middels periodiek te organiseren bijeenkomsten voor specifieke en algemene instellingen. De huidige projecten, die door de Stichting ICODO en de Stichting Pharos gezamenlijk worden uitgevoerd op het gebied van kennisoverdracht en deskundigheidsbevordering, zouden kunnen worden uitgebreid.

Ik onderschrijf het advies van de Stuurgroep om haar werkzaamheden te beëindigen en zal in overleg met mijn ambtgenoot van Defensie de Stuurgroep per 1 juli 1995 conform haar aanbevelingen opheffen.

Voor het uitvoeren van de elders onder te brengen werkzaamheden zie ik evenals de Stuurgroep een belangrijke rol weggelegd voor de Stichting ICODO en de Stichting Pharos. De werkzaamheden sluiten aan bij de reguliere taken van beide instellingen. Eén en ander zal in de nabije toekomst een nauwere samenwerking vragen dan nu het geval is.

Ik ben van plan mij ook hierover door een externe deskundige te laten adviseren.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. Borst-Eilers


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

Naar boven