23 030
Afschaffing fiscale grenzen

nr. 21
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 16 september 1997

Hierbij bied ik u aan de effectrapportage afschaffing fiscale grenzen over de periode januari – juni 1997. Deze rapportage zond ik heden eveneens aan de Voorzitter van de Eerste Kamer.

Het eerste halfjaar van 1997 geeft het volgende beeld.

Fiscale regelgeving met betrekking tot de interne markt functioneert nu ruim vier jaar. Aanloopproblemen met deze regelgeving lijken overwonnen. Het invoeren van een ordeboete heeft een positieve invloed gehad op het BTW-aangiftegedrag van ondernemers. De matching (vergelijking van de BTW-gegevens met betrekking tot intracommunautaire transacties) blijft aandachtspunt. De administratieve samenwerking tussen de lidstaten van de Europese Unie verloopt steeds efficiënter. Bij de FIOD werd in het kader van de fraudebestrijding een Centraal Punt Carrouselfraude ingesteld.

Ik ben voornemens de effectrapportage in de huidige vorm te doen opgaan in het Beheersverslag Belastingdienst. Dit verslag, dat ook aan het Parlement ter informatie wordt gezonden, geeft een overzicht van de resultaten van de primaire en de ondersteunende processen. Zo wordt in het Beheersverslag 1996 in paragraaf 2.2.4 al uitgebreid aandacht besteed aan de internationale fiscale gegevensuitwisseling. In toekomstige beheersverslagen zal daarnaast meer specifiek aandacht worden besteed aan de intracommunautaire transacties.

Met betrekking tot de uitvoeringsaspecten (intracommunautaire transacties en administratieve samenwerking) en het aspect fraude van de interne markt zal ik zodoende aan de Eerste en Tweede Kamer blijven rapporteren.

De Staatssecretaris van Financiën,

W. A. F. G. Vermeend

Effectrapportage afschaffing fiscale grenzen (januari – juni 1997)

1. Inleiding

In deze notitie wordt in vervolg op de effectrapportage over het tweede halfjaar van 1996 (Kamerstukken II 1996/97, 23 030, nr. 20) ingegaan op ontwikkelingen met betrekking tot het overgangsstelsel voor de BTW en het communautaire accijnsstelsel in het eerste halfjaar van 1997.

In het eerste halfjaar van 1997 zijn er geen ontwikkelingen geweest op het terrein van de Europese fiscale regelgeving met betrekking tot de interne markt, die dezerzijds tot vermelding in de rapportage aanleiding geven. Ik heb de indruk, dat de oneffenheden die bij invoering van deze regelgeving bleken, na ruim vier jaar langzamerhand geëgaliseerd zijn. Hetzelfde geldt voor ontwikkelingen met betrekking tot de nationale positie van het bedrijfsleven. Deze lijkt langzamerhand uitgekristalliseerd te zijn; opstartproblemen met betrekking tot de BTW en de accijnzen, die specifiek vanuit de interne markt-optiek van invloed waren op de nationale positie van het bedrijfsleven, lijken thans wel te zin opgelost. Derhalve wil ik de onderhavige rapportage beperken tot aspecten van de uitvoerbaarheid en van de fraude met betrekking tot de interne markt.

2. Uitvoeringsaspecten

2.1. BTW

2.1.1. Intracommunautaire transacties

De invoering van de zogenoemde ordeboete (een administratieve boete indien een ondernemer niet of onvolledig aan de listingverplichting voldoet) heeft ertoe geleid dat er thans geen ondernemers meer zijn die weigeren aan deze verplichting te voldoen. Hierdoor kan een verbetering worden bereikt van de kwaliteit van de gegevens die aan andere lidstaten ter beschikking worden gesteld. Wat betreft de vergelijking van de gegevens die uit andere lidstaten worden ontvangen, de matching, valt weinig nieuws te melden. De selectie van te controleren posten is nu volledig afgestemd op de wensen van de lokale eenheden van de Belastingdienst. Een overload aan informatie wordt daardoor voorkomen. Het totale aantal mismatches blijft schommelen rond de 85%. Indien wordt gekeken naar het financiële belang is het beeld echter gunstiger. In geldomvang is de afwijking bij de vergelijking tussen de gegevens die vanuit andere lidstaten worden ontvangen en de gegevens van de aangiften omzetbelasting 5 à 6%. Vermeldenswaardig is verder nog een actie van de centrale eenheid ICT om het gebruik van onjuiste BTW-identificatienummers terug te dringen. Het gaat hierbij om BTW-identificatienummers die technisch wel kunnen bestaan, maar niet (meer) geldig zijn. De medewerking van de ondernemers die deze onjuiste BTW-identificatienummers op de listing vermelden, is positief te noemen.

2.1.2. Administratieve samenwerking

De doorlooptijden van uit andere lidstaten ontvangen verzoeken om informatie is gemiddeld 3,6 maanden. De gemiddelde doorlooptijd van aan andere lidstaten gezonden verzoeken om informatie is met 3 maanden iets korter. In het permanent comité voor administratieve samenwerking (SCAC) in Brussel zijn op verzoek van Nederland procedureafspraken gemaakt om urgente gevallen sneller te kunnen afhandelen. Dit houdt in dat lidstaten in het vervolg zullen aangeven of een verzoek om informatie een spoedeisend karakter heeft. Indien dit het geval is wordt het betreffende verzoek binnen een maand afgedaan. In de overige gevallen is deze termijn in beginsel uiterlijk 3 maanden.

Daarnaast zijn verdere initiatieven ontplooid om te komen tot multilaterale controles. In dit kader zijn reeds twee controle-experimenten uitgevoerd waarbij internationaal werkende concerns tegelijkertijd zijn gecontroleerd in de verschillende lidstaten door controlemedewerkers uit die lidstaten. In een op korte termijn te houden derde experiment zal Nederland een coördinerende rol vervullen.

3. Fraude

In het onder het SCAC ressorterende Anti-fraude comité zijn stappen gezet om te komen tot uitwisseling van ervaringen met betrekking tot fraudemechanismes en detectiemethoden in internationaal verband. De eerste resultaten van een door de Commissie uitgevoerd onderzoek naar BTW-fraude over 1995 tonen aan dat met name bij carrouselfraude het totaal ontdoken bedrag aan belasting aanmerkelijk hoger ligt dan bij andere vormen van BTW-fraude.

Om de slagvaardigheid van de Belastingdienst op dit terrein te vergroten en beter te coördineren is in de verslagperiode het Centraal Punt Carrouselfraude (CPC) bij de FIOD ingesteld.

Het CPC functioneert als informatiecentrum voor de gehele Belastingdienst met betrekking tot dit soort fraudes en coördineert de fiscale behandeling van (potentiële) carrouselfraudeurs.

Daarnaast is een coördinatiegroep opgericht die een meer structurele oplossing voor de carrouselfraude moet ontwikkelen.

Naar aanleiding van FIOD-onderzoeken zijn in het eerste halfjaar van 1997 63 naheffingsaanslagen opgelegd met een totaal bedrag van ruim 25 miljoen gulden.

4. Conclusie

Fiscale regelgeving met betrekking tot de interne markt functioneert nu ruim vier jaar. Aanloopproblemen met deze regelgeving lijken overwonnen. Het invoeren van een ordeboete heeft een positieve invloed gehad op het BTW-aangiftegedrag van ondernemers. De matching (vergelijking van de BTW-gegevens met betrekking tot intracommunautaire transacties) blijft aandachtspunt. De administratieve samenwerking tussen de lidstaten van de Europese Unie verloopt steeds efficiënter. Bij de FIOD werd in het kader van de fraudebestrijding een Centraal Punt Carrouselfraude ingesteld.

Naar boven