23 030
Afschaffing fiscale grenzen

nr. 201
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 19 maart 1997

Hierbij bied ik u aan de effectrapportage afschaffing fiscale grenzen over de periode juli – december 1996. Deze rapportage zond ik heden eveneens aan de Voorzitter van de Eerste Kamer.

Het tweede halfjaar van 1996 heeft vooral positieve ontwikkelingen rond de uitvoering van het btw-systeem voor intracommunautaire transacties te zien gegeven. Het aangiftegedrag van de ondernemers verbeterde, het renseigenementensysteem werkte beter, terwijl bij de informatieverstrekking in het kader van administratieve samenwerking tijdwinst werd geboekt. Bij vermoeden van fraude bedraagt de behandeltijd van verzoeken om inlichtingen nu minder dan twee maanden. In de verslagperiode werd voor een totaalbedrag van ruim 20 miljoen aan naheffingsaanslagen opgelegd.

De Staatssecretaris van Financiën,

W. A. F. G. Vermeend

1. Inleiding

In deze notitie wordt in vervolg op de effectrapportage over het eerste halfjaar van 1996 (kamerstukken II 1995/96, 23 030, nr. 19) ingegaan op ontwikkelingen met betrekking tot het overgangsstelsel voor de btw en het communautaire accijnsstelsel in het tweede halfjaar van 1996.

2. EU-ontwikkelingen

In het overleg in het BTW-Comité tussen de Europese Commissie en de lidstaten wordt bezien of ook na de invoering per 1 januari jl. van de Tweede Vereenvoudigingsrichtlijn-BTW, waarvan in de vorige effectrapportage melding werd gemaakt, er nog casusposities zijn, waarin het systeem van heffing verder kan worden vereenvoudigd.

3. Nationale positie bedrijfsleven

3.1. BTW

Voor de btw vallen voor deze verslagperiode geen bijzondere ontwikkelingen te melden.

3.2. Accijnzen

Begin juli 1996 heeft in Brussel een workshop plaatsgevonden betreffende het intra-communautair verkeer met minerale oliën. Aan deze workshop werd naast vertegenwoordigers van de lid-staten eveneens deelgenomen door vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven. Tijdens de workshop werd van gedachten gewisseld over:

– problemen die zich voordoen bij vervoer van minerale olie over het water;

– de wijze waarop wordt omgegaan met het administratief geleidedocument;

– problemen ten aanzien van de verantwoordelijkheid voor geconstateerde verschillen tussen hoeveelheden minerale olie vermeld op de begeleidende documenten en de werkelijke hoeveelheden;

– het stellen van zekerheid en de verantwoordelijkheid voor de accijns bij vervoer;

– het voorkomen en bestrijden van onregelmatigheden en fraude.

De resultaten van de workshop worden door de Commissie nader uitgewerkt waarna bespreking in het Accijnscomité plaats vindt.

In de verslagperiode zijn zowel met België en Luxemburg als met Duitsland administratieve overeenkomsten afgesloten inzake de controle op het verkeer van bepaalde soorten minerale oliën tussen Nederland en de genoemde landen en omgekeerd. Omtrent deze overeenkomsten heb ik u bericht in onderdeel A van de toelichting op de Nota van Wijziging op het wetsvoorstel tot wijziging van enkele belastingwetten (belastingplan 1996), kamerstukken 24 463, nr. 8. De betreffende overeenkomsten zullen overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, zesde lid, van de Wet op de accijns worden opgenomen in de Uitvoeringsregeling accijns.

4. Uitvoeringsaspecten

4.1. BTW

4.1.1. Intracommunautaire transacties

Op dit punt valt weinig nieuws te melden.

Het aantal ondernemers dat op de aangiften omzetbelasting melding maakt van intracommunautaire transacties vertoont nog steeds een geringe stijging. Ook de omvang van de intracommunautaire transacties neemt nog toe, echter niet in dezelfde mate als het aantal transacties.

De invoering van de mogelijkheid om op grond van artikel 40 van de Wet op de omzetbelasting 1968 een administratieve boete op te leggen aan ondernemers die de opgaaf betreffende intracommunautaire leveringen niet, niet tijdig of niet volledig indienen, heeft nog steeds een gunstige invloed op de kwaliteit van deze opgaven. Het aantal opgelegde boeten neemt daardoor enigszins af, hetgeen als een positieve ontwikkeling kan worden gezien.

Op basis van het gewijzigde beleid met betrekking tot het gebruik van de uit andere lid-staten ontvangen gegevens betreffende intracommunautaire verwervingen door Nederlandse ondernemers – ik heb u hierover bij de vorige effectrapportage geïnformeerd – heeft de centrale eenheid ICT ruim 10 000 renseignementen aan de eenheden (grote) ondernemingen gezonden. De resultaten hiervan worden in het tweede kwartaal van dit jaar verwacht.

4.1.2. Administratieve samenwerking

Over het gehele jaar 1996 zijn op grond van artikel 5 van de Verordening 218/92, 396 verzoeken om aanvullende informatie aan andere lid-staten gezonden, terwijl over dezelfde periode 1 099 verzoeken zijn ontvangen. De meeste verzoeken worden gedaan aan en door België (170 resp. 541 verzoeken) en Duitsland (133 respectievelijk 173 verzoeken).

Het financieel belang (bedrag van de transactie) van de ontvangen verzoeken bedraagt gemiddeld 2,8 miljoen per verzoek.

De afhandeling van de binnenkomende verzoeken kost meer tijd dan gewenst is. In ruim 35% van de gevallen wordt de in de Verordening 218/92 genoemde driemaandstermijn overschreden. Dit wordt deels veroorzaakt door de bezwaar- en beroepsprocedures op basis van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen, en deels door de (soms te) lange behandeltijd op de eenheden (grote) ondernemingen.

Ten aanzien van het eerste aspect kan worden gemeld dat in augustus 1996 een beleidswijziging is doorgevoerd, waardoor bezwaar- en beroepsprocedures tegen inlichtingenuitwisseling niet langer leiden tot een ongelimiteerd tijdverlies. Het beleid is nu aldus geformuleerd dat na afdoening van het bezwaarschrift de belanghebbende nog een korte tijd (drie weken) wordt gegund om een voorlopige voorziening aan de rechter te vragen. Na drie weken wordt de informatie verstrekt. Door deze beleidswijziging zal de behandeltermijn naar verwachting in positieve zin worden beïnvloed.

Ten aanzien van het tweede aspect zijn inmiddels door de centrale eenheid ICT extra maatregelen genomen om die behandeltijd terug te dringen, onder andere door het hanteren van een actief rappelsysteem. De eerste resultaten zijn merkbaar en de verwachting bestaat dat ook deze maatregelen in 1997 tot een verkorting van de doorlooptijden zullen leiden.

Op grond van de Richtlijn 77/799 zijn 98 verzoeken om inlichtingen aan andere lid-staten gedaan, en zijn 72 verzoeken om inlichtingen ontvangen. Voor dit soort verzoeken is geen dwingende afdoeningstermijn voorgeschreven, wel is tussen de lid-staten van de Europese Unie de afspraak gemaakt dat de beantwoording van een verzoek zoveel mogelijk binnen drie maanden na binnenkomst moet plaatsvinden. Bij dreigende overschrijding van die termijn wordt de verzoekende lid-staat daarover ingelicht onder vermelding van de reden en de te verwachten datum van afdoening. Bij vermoedens van fraude zijn er met andere lid-staten procedureafspraken gemaakt om een korte doorlooptijd te bewerkstelligen, hetgeen bij deze verzoeken heeft geleid tot een gemiddelde doorlooptijd van iets minder dan twee maanden.

Vermeldenswaard ten slotte is nog het feit dat in 1996 ruim 21 000 maal mededeling aan andere lid-staten is gedaan omtrent omzetbelasting die door de Nederlandse belastingdienst op grond van de achtste BTW-Richtlijn is teruggegeven aan in die lid-staten gevestigde ondernemers.

5. Fraude

Naar aanleiding van fraudesignalen van de FIOD zijn in de tweede helft van 1996 naheffingsaanslagen tot een totaalbedrag van ruim 20 miljoen opgelegd. Daarnaast zijn in een strafrechtelijk onderzoek twee veroordelingen uitgesproken, en wel 3 jaar gevangenisstraf waarvan de helft voorwaardelijk, en 240 uur dienstverlening met 6 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf.

Verder heeft de FIOD een onderzoek uitgevoerd naar carrouselfraude met computeronderdelen, waarbij voor grote bedragen geen omzetbelasting was afgedragen of ten onrechte was teruggevraagd.

6. Conclusie

Het tweede halfjaar van 1996 heeft vooral positieve ontwikkelingen rond de uitvoering van het btw-systeem voor intracommunautaire transacties te zien gegeven. Het aangiftegedrag van de ondernemers verbeterde, het renseigenementensysteem werkte beter, terwijl bij de informatieverstrekking in het kader van administratieve samenwerking tijdwinst werd geboekt. Bij vermoeden van fraude bedraagt de behandeltijd van verzoeken om inlichtingen nu minder dan twee maanden. In de verslagperiode werd voor een totaalbedrag van ruim 20 miljoen aan naheffingsaanslagen opgelegd.


XNoot
1

Eerder abusievelijk gedrukt onder 21 501-07, nr. 182, dat hiermee komt te vervallen.

Naar boven