23 030
Afschaffing fiscale grenzen

nr. 19
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 24 september 1996

Hierbij bied ik u aan de effectrapportage afschaffing fiscale grenzen over de periode januari–juni 1996. Deze rapportage zond ik heden eveneens aan de Voorzitter van de Eerste Kamer.

In het eerste halfjaar van 1996 vallen vooral ontwikkelingen rond de intracommunautaire transacties te melden. Het gaat daarbij om de volgende zaken.

Uit matching van aangiftegegevens voortvloeiende administratieve boetes blijken een positief effect op het aangiftegedrag van ondernemers te hebben.

Beleid van de belastingdienst inzake het gebruik van uit andere lidstaten ontvangen gegevens betreffende intracommunautaire verwervingen door Nederlandse ondernemers is verder uitgewerkt.

Het aantal verzoeken door andere lidstaten om aanvullende informatie over intracommunautaire transacties is dit eerste halfjaar aanmerkelijk toegenomen.

De Staatssecretaris van Financiën,

W. A. F. G. Vermeend

Effectrapportage afschaffing fiscale grenzen (januari–juni 1996)

1. Inleiding

In deze notitie wordt in vervolg op de effectrapportage over het tweede halfjaar van 1995 (Kamerstukken II 1995/96, 23 030, nr. 18) ingegaan op ontwikkelingen met betrekking tot het overgangsstelsel voor de btw en het communautaire accijnsstelsel in het eerste halfjaar van 1996.

2. EU-ontwikkelingen

In het overleg in het BTW-Comité tussen de Europese commissie en de lidstaten wordt bezien of ook na de invoering per 1 januari jl. van de Tweede Vereenvoudigingsrichtlijn-BTW, waarvan in de vorige effectrapportage melding werd gemaakt, er nog casusposities zijn, waarin het systeem van heffing verder kan worden vereenvoudigd.

3. Nationale positie bedrijfsleven

3.1. BTW

In de ministeriële regeling van 4 juni 1996, Stcrt. 107, tot wijziging van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 en van de ministeriële regeling van 22 december 1995 in verband met de bestrijding van constructies met betrekking tot onroerende zaken (Stcrt. 250) alsmede tot intrekking van een tweetal ministeriële regelingen is op verzoek van het bedrijfsleven een wijziging opgenomen van de lijsten van goederen opgenomen in bijlagen I en K bij de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Door vermelding van nieuwe goederen in deze bijlagen kunnen meer goederen worden gebracht onder de regeling voor een niet-plaatsgebonden entrepot dan wel een plaatsgebonden entrepot. Bij plaatsing onder een zodanige regeling kunnen de desbetreffende goederen worden verhandeld tegen een btw-tarief van nihil. Het gaat in deze gevallen om goederen waarin veel internationale handel plaats vindt en die zonder nadere be- of verwerking niet geschikt zijn voor verkoop voor verbruik door particulieren.

3.2. Accijnzen

Voor de accijnzen vallen voor deze verslagperiode geen bijzondere ontwikkelingen te melden.

4. Uitvoeringsaspecten

4.1. BTW

4.1.1. Intracommunautaire transacties

Sinds medio 1995 is het mogelijk om op grond van artikel 40 van de Wet op de omzetbelasting 1968 aan ondernemers die de opgaaf betreffende intracommunautaire leveringen niet, niet tijdig of niet volledig indienen, een boete op te leggen. Op grond van dit artikel zijn tot op heden circa 4 000 boetes opgelegd, met een gemiddeld boetebedrag van f 275,–. Reeds nu kan worden geconstateerd dat aan de doelstelling van dit boetesysteem, het verbeteren van de volledigheid en de betrouwbaarheid van de gegevens betreffende intracommunautaire leveringen die aan andere lid-staten ter beschikking worden gesteld, wordt voldaan. De betrouwbaarheid van deze gegevens is gestegen van circa 90% naar circa 95%.

Het beleid met betrekking tot het gebruik van de uit andere lidstaten ontvangen gegevens betreffende intracommunautaire verwervingen door Nederlandse ondernemers is verder uitgewerkt. Tussen de centrale eenheid ICT en de eenheden (grote) ondernemingen zijn afspraken gemaakt over de wijze waarop de gegevens verder zullen worden gebruikt. De kern van dit beleid is dat de ICT-gegevens zoveel mogelijk dienstbaar zijn aan de door de competente eenheid (grote) ondernemingen met betrekking tot een bepaalde belastingplichtige uitgestippelde controlestrategie. Zo is het mogelijk dat een eenheid (grote) ondernemingen aangeeft van een bepaalde belastingplichtige alle mismatches te willen ontvangen. Ook kunnen speciale selecties plaatsvinden ter ondersteuning van landelijke acties. Als extra beveiliging zullen ook door de centrale eenheid ICT aanvullende analyses worden uitgevoerd.

Dit nieuw geformuleerde beleid heeft ertoe geleid dat de matching over de eerste twee kwartalen van 1995 opnieuw heeft plaatsgevonden, en wel gezamenlijk met de gegevens van het derde en het vierde kwartaal van 1995. Het resultaat van deze matching zal, tezamen met het resultaat van de matching over het eerste kwartaal 1996, overeenkomstig de gemaakte afspraken binnenkort worden aangeboden aan de eenheden (grote) ondernemingen. Op deze eenheden wordt vervolgens bepaald of een afzonderlijke ICT-controle noodzakelijk is, dan wel dat de gegevens binnen de normale controlecyclus aan een onderzoek zullen worden onderworpen.

4.1.2. Administratieve samenwerking

In het Permanent Comité voor Administratieve Samenwerking (hierna: SCAC) wordt voortdurend onderzocht op welke wijze de lid-staten de wederzijdse bijstand op het terrein van de indirecte belastingen kunnen intensiveren. In dat kader is ook aandacht geschonken aan de uitwisseling van inlichtingen betreffende teruggaven van BTW door de belastingdienst van de ene lid-staat aan een ondernemer in een andere lid-staat (deze teruggaaf vindt plaats op grond van Richtlijn 79/1072/EEG, ook wel genoemd de achtste BTW-richtlijn).

Het Nederlandse beleid, dat uitgaat van het voorkomen van fraude naast het bestrijden daarvan, is op dit punt gericht op het maken van afspraken met andere lid-staten om deze gegevens massaal te kunnen uitwisselen. Zo is in de Regeling tussen de bevoegde autoriteiten van Nederland en Frankrijk inzake de uitwisseling van inlichtingen, die op 2 en 11 juli 1996 door respectievelijk de Nederlandse en de Franse autoriteiten is ondertekend, in artikel 1, letter a, bepaald dat de teruggaven van BTW op grond van de eerder genoemde richtlijn met ingang van het jaar 1996 automatisch tussen Frankrijk en Nederland zullen worden uitgewisseld. Deze regeling is gepubliceerd in de Staatscourant van 7 augustus 1996, nr. 150, en zal ook aan het SCAC worden gemeld.

Het aantal verzoeken om aanvullende informatie op grond van artikel 5 van de Verordening 218/92 vertoont nog steeds een stijgende lijn. Vooral het aantal verzoeken door andere lidstaten vertoont een sterke stijging, zoals blijkt uit het volgende overzicht.

jaarverzoeken aan andere lid-statenverzoeken door andere lid-staten
1994112130
1995789438
1996 (1e helft)235510

Van de verzoeken door andere lid-staten hadden er 25 betrekking op zaken die door de desbetreffende lidstaat als frauduleus werden gekenschetst. In deze gevallen zijn de verzochte inlichtingen verstrekt met toepassing van artikel 8 van de Verordening 218/92, hetgeen inhoudt dat de kennisgevingsprocedure als bedoeld in artikel 5 van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen achterwege is gebleven.

5. Fraude

Door het SCAC in Brussel zijn de werkzaamheden van het onder dat comité ressorterende anti-fraude subcomité (hierna: SCAF) nieuw leven ingeblazen. Dit initiatief is door Nederland van harte ondersteund.

De bedoeling is dat het SCAF op het gebied van wederzijdse bijstand bij fraudezaken meer activiteiten gaat ontplooien. Voor wat betreft operationele activiteiten merk ik op dat hiervoor binnen het Secretariaat-Generaal van de Europese Commissie de primaire verantwoordelijkheid door UCLAF (Unité de Coördination de la Lutte Anti-fraude) wordt gedragen. Omdat de werkzaamheden van het SCAF grenzen aan het gebied waarvoor UCLAF verantwoordelijk is, zal met die laatste instantie nauw worden samengewerkt. Daarom is een vertegenwoordiger van UCLAF aan het SCAF toegevoegd.

De laatste tijd is enige toename waarneembaar van het aantal meldingen van grensoverschrijdende fraude op het gebied van intracommunautaire transacties. De wijze van frauderen wijkt in beginsel niet af van de fraude die zich voordeed vóór de afschaffing van de fiscale grenzen (carrouselfraude). Ook vanuit dit oogpunt bezien is het aan het begin van deze paragraaf genoemde initiatief van het SCAC toe te juichen. Daarnaast heb ik in de Fraudenota (u toegezonden bij mijn brief van 28 mei 1996, PFC 96/695M) reeds aangekondigd dat aan carrouselfraude onverkort aandacht moeten blijven worden gegeven.

Naar aanleiding van door de FIOD verrichte onderzoeken zijn in de verslagperiode naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd tot een bedrag van meer dan 10 miljoen gulden.

6. Conclusie

In het eerste halfjaar van 1996 vallen vooral ontwikkelingen rond de intracommunautaire transacties te melden. Het gaat daarbij om de volgende zaken.

Uit matching van aangiftegegevens voortvloeiende administratieve boetes blijken een positief effect op het aangiftegedrag van ondernemers te hebben.

Beleid van de belastingdienst inzake het gebruik van uit andere lidstaten ontvangen gegevens betreffende intracommunautaire verwervingen door Nederlandse ondernemers is verder uitgewerkt.

Het aantal verzoeken door andere lidstaten om aanvullende informatie over intracommunautaire transacties is dit eerste halfjaar aanmerkelijk toegenomen.

Naar boven