23 030
Afschaffing fiscale grenzen

nr. 181
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 4 april 1996

Hierbij bied ik u aan de effectrapportage afschaffing fiscale grenzen over de periode juli – december 1995. Deze rapportage zond ik heden eveneens aan de Voorzitter van de Eerste Kamer.

Zoals in het algemeen overleg met de vaste commissie voor Financiën van de Tweede Kamer nader overeengekomen heeft deze rapportage in het vervolg betrekking op een halfjaarsperiode.

De Staatssecretaris van Financiën,

W. A. F. G. Vermeend

EFFECTRAPPORTAGE AFSCHAFFING FISCALE GRENZEN (JULI–DECEMBER 1995)

1. Inleiding

In deze notitie wordt in vervolg op de effectrapportage over het tweede kwartaal van 1995 (kamerstukken II 1994/95, 23 030, nr. 15) ingegaan op ontwikkelingen met betrekking tot het overgangsstelsel voor de btw en het communautaire accijnsstelsel in het tweede halfjaar van 1995.

2. EU-ontwikkelingen

Op 13 september 1995 heeft de Commissie haar eerste evaluatieverslag uitgebracht over de minimumtarieven voor de accijnzen. Dit verslag beperkte zich tot een inventarisatie van knelpunten, met het oog op door de Commissie noodzakelijk geachte nadere analyses in overleg met de nationale overheden, bedrijfsleven en andere belangengroepen. In aansluiting hierop heeft op 13 tot en met 15 november 1995 de door de Commissie georganiseerde consultatie-conferentie over de accijnzen plaatsgevonden. Hierover is gerapporteerd bij mijn brief van 6 december 1995 (nr. WV 95/856 U) aan de vaste commissie voor Financiën uit de Tweede Kamer, welke tijdens het algemeen overleg op 17 januari 1996 is besproken.

Voorts is in de rapportage-periode een tweetal richtlijnen op het gebied van de accijnzen vastgesteld. Dit betreft een richtlijn inzake het merken van gasolie en kerosine, alsmede een richtlijn inzake de accijns op tabaksfabrikaten. Beide richtlijnen zijn op 27 november 1995 door de Raad aangenomen. De eerstbedoelde richtlijn legt het gebruik vast van een geharmoniseerde chemische merkstof voor laagbelaste gasolie en kerosine. De merkstof zelf dient nog te worden vastgesteld. De tweede richtlijn heeft geen materiële betekenis en vergt geen implementatiewetgeving. Zij behelst alleen een codificatie van de tot dusverre over meer richtlijnen verspreide regelgeving op het gebied van de tabaksaccijns.

3. Nationale positie bedrijfsleven

3.1. BTW

In het tweede halfjaar van 1995 is de implementatie van de zogenoemde Tweede Vereenvoudigingsrichtlijn-btw afgerond. De daartoe strekkende wet is in werking getreden met ingang van 1 januari 19961 . Met de inwerkingtreding van die wet is opnieuw een aantal knelpunten weggenomen dat zich na het afschaffen van de fiscale grenzen per 1 januari 1993 heeft geopenbaard op btw-gebied.

Zo ziet de wet onder meer op een vereenvoudiging van de btw-heffing over de zogenoemde veredelingsdiensten die een ondernemer aan een goed laat verrichten dat daartoe tijdelijk wordt overgebracht naar een andere lid-staat. Daarnaast is er een vereenvoudigde regeling tot stand gekomen met betrekking tot het zogenoemde kop-staart vervoer. Dit is het vervoer van goederen dat begint en eindigt binnen dezelfde lid-staat en dat onmiddellijk voorafgaat aan dan wel onmiddellijk volgt op een intracommunautair vervoer van goederen. De vereenvoudiging is bereikt door op het kop-staart vervoer dezelfde regels van toepassing te verklaren als op het intracommunautaire vervoer van goederen. Ook is in de wet voorzien in een nieuwe regeling voor plaatsgebonden btw-entrepots. Die regeling maakt het mogelijk dat bepaalde bij ministeriële regeling aan te wijzen goederen in een plaatsgebonden entrepot kunnen worden verhandeld zonder dat er ter zake verplichtingen bestaan met betrekking tot de btw-heffing. Deze regeling is vooral van belang voor buitenlandse handelaren die handelen in goederen die bijvoorbeeld in Nederlandse havengebieden zijn opgeslagen. De entrepot-regeling heeft betrekking op goederen waarin veel internationale handel is en die zonder nadere be- of verwerking niet geschikt zijn voor verbruik in de particuliere sfeer. Voor een nadere toelichting op de hiervoor bedoelde wet verwijs ik naar de parlementaire behandeling (kamerstukken II 1995–96, 24 466).

Voorts is bij ministeriële regeling van 22 december 1995, Stcrt. 250, tot wijziging van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 in verband met de totstandkoming van de Tweede Vereenvoudigingsrichtlijn-btw, de lijst van goederen opgenomen in bijlage I bij de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968, op verzoek van het bedrijfsleven opnieuw uitgebreid. Door vermelding van goederen in bijlage I kunnen deze goederen worden gebracht onder de regeling voor een niet-plaatsgebonden entrepot en onder die regeling worden verhandeld tegen een btw-tarief van nihil. Het gaat daarbij, net als bij de regeling voor het plaatsgebonden entrepot, om goederen waarin veel internationale handel geschiedt en die zonder nadere be- of verwerking niet geschikt zijn voor afname in de particuliere verbruikssfeer.

3.2. Accijnzen

In het Accijnscomité werd overeenstemming bereikt over de wijze waarop door internationale strijdkrachten en organisaties moet worden aangetoond dat recht op vrijstelling van accijns bestaat in gevallen waarin accijnsgoederen worden betrokken vanuit een accijnsgoederenplaats (belastingentrepot). Dit heeft geresulteerd in een Verordening van de Commissie van 10 januari 1996, nr. 31/96/EG.

Tevens werd overeenstemming bereikt over de procedures voor de volledige denaturering van alcohol in verband met de vrijstelling van accijns van Portugal, Finland, Oostenrijk en Zweden. Tevens werd overeenstemming bereikt over het gewijzigde procédé van Italië. Een en ander heeft geresulteerd in een Verordening van de Commissie van 30 oktober 1995, nr. 2546/95/EG tot wijziging van Verordening 3199/93/EEG van de Commissie inzake de wederzijdse erkenning van procedures voor de volledige denaturering van alcohol in verband met de vrijstelling van accijns.

4. Uitvoeringsaspecten

4.1. BTW

4.1.1. Intracommunautaire transacties

Op 9 juni 1995 is in werking getreden de wet van 9 maart 1995 tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met de wijziging van en de invoering van vereenvoudigingsmaatregelen in de Zesde Richtlijn (Stb. 298 d.d. 8 juni 1995). Bij deze wet is in artikel 40 van de Wet op de omzetbelasting 1968 de mogelijkheid geopend om aan ondernemers die de opgaaf betreffende intracommunautaire leveringen niet, niet tijdig of niet volledig indienen, een boete op te leggen. Aan deze bepaling is in de tweede helft van 1995 voor het eerst uitvoering gegeven. Hiervan zijn de ondernemers in september 1995 schriftelijk op de hoogte gesteld. Aangezien hierbij de indruk werd gewekt dat bij ieder verzuim direct een boete zou worden opgelegd, is in oktober een nieuwe mededeling verzonden. Daarin is uit de doeken gedaan dat een boete in het algemeen pas wordt opgelegd nadat een ondernemer in de gelegenheid is gesteld zijn verzuim te herstellen, en daarvan geen gebruik heeft gemaakt.

Na afloop van het derde kwartaal is ruim 12 000 ondernemers die de opgaaf niet of onvolledig hadden ingediend, verzocht de opgaaf alsnog in te dienen dan wel deze te corrigeren. Uiteindelijk zal aan circa 2 000 ondernemers een boete van f 250 (eerste verzuim) worden opgelegd. Daarnaast zijn circa 3 400 zaken aan de lokale inspecteurs voorgelegd, met het verzoek om te onderzoeken of een boete moet worden opgelegd.

Met het opleggen van boetes wordt beoogd de volledigheid en de betrouwbaarheid van de gegevens betreffende intracommunautaire leveringen die aan andere lid-staten ter beschikking worden gesteld, verder te verbeteren. De betrouwbaarheid van deze gegevens stabiliseert zich overigens al enige tijd op een niveau van circa 90%. Verdergaande verbetering versterkt ook de positie van Nederland om bij andere lid-staten aan te dringen op verbetering van de volledigheid en de betrouwbaarheid van de gegevens die aan Nederland worden gezonden.

De matching van de gegevens betreffende intracommunautaire verwervingen tot en met het tweede kwartaal van 1995 heeft inmiddels plaatsgevonden. Het percentage geslaagde matches, uitgaande van een tolerantiegrens van f 500, vertoont slechts een marginale verbetering ten opzichte van 1993. Dat er nog nauwelijks van een verbetering sprake is, komt in de eerste plaats door het feit dat ondernemers pas eind 1994 zijn geconfronteerd met de belangrijkste oorzaak van de mismatches over 1993 (onjuiste administratieve verwerkingen), en derhalve nog nauwelijks in staat zijn geweest om daarmee op de aangiften tot en met het tweede kwartaal 1995 rekening te houden. De tweede helft van 1995 geeft wel een stijging te zien van zowel het aantal ondernemers dat melding maakt van intracommunautaire verwervingen als van de daarmee gepaard gaande bedragen.

In de tweede plaats kan worden betwijfeld of de toetsing aan een voor alle ondernemers gelijk zijnde ondergrens niet altijd tot een relatief hoog percentage aan mismatches zal leiden. Zo zal bij een ondernemer die goederen verwerft uit een groot aantal andere lid-staten alleen door de valutaverschillen al snel een mismatch worden geconstateerd. Daarom denk ik aan een verdere verfijning van het selectieproces, waarbij lering kan worden getrokken uit de tot op heden verrichte matches. Daarnaast zullen acties om ondernemers te bewegen de aangiften omzetbelasting nauwkeuriger in te vullen, worden gecontinueerd.

4.1.2. Administratieve samenwerking

Op grond van artikel 5 van de Verordening 218/92 kunnen lid-staten elkaar aanvullende informatie omtrent intracommunautaire transacties verzoeken. Hoewel het aantal verzoeken fors stijgt (voor Nederland: 1994 verzonden 112, ontvangen 130; 1995 verzonden 789, ontvangen 438), is dit aantal niet zodanig dat daardoor de administratieve lastendruk op ondernemers, die ter zake de nodige medewerking aan de Belastingdienst moeten verlenen, als knellend kan worden ervaren. Om onevenredige inspanningen te voorkomen is met de andere lid-staten afgesproken voor de verzoeken een bepaald minimumbedrag als richtlijn te hanteren.

5. Fraude

Door de FIOD zijn enkele zaken in onderzoek. Zodra daarover meer inzicht bestaat zal ik daarover rapporteren.


XNoot
1

Eerder abusievelijk gedrukt als «Brief van de staatssecretaris van Defensie».

XNoot
1

Wet van 15 december 1995 tot wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met de totstandkoming van de Tweede Vereenvoudigingsrichtlijn-btw, Stb. 1995, 661.

Naar boven