23 030
Afschaffing fiscale grenzen

24 323
Toepassing van het verlaagde btw-tarief op milieuvriendelijke en energiebesparende goederen en diensten en op arbeidsintensieve diensten

24 406
Emancipatiebeleid 1996

nr. 17
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 21 februari 1996

De vaste commissie voor Financiën1 heeft op 17 januari 1996 overleg gevoerd met minister Zalm van Financiën over zijn brief d.d. 7 september 1995 inzake het emancipatiebeleid 1996 (24 406, nr. 2) en met staatssecretaris Vermeend van Financiën over zijn brieven van:

1. 12 oktober 1995 houdende de rapportage van de commissie Vermindering administratieve verplichtingen bedrijfsleven (commissie-Van Lunteren) (Fin95–451);

2. 31 augustus 1995 inzake het verlaagd BTW-tarief op milieuvriendelijke en energiebesparende goederen en diensten en op arbeidsintensieve diensten (24 323, nr. 1 (herdruk));

– 22 september 1995 inzake spoorboekjes CPB (Fin95–397);

– 11 december 1995 houdende een reactie op een brief van het Bedrijfschap Schildersbedrijf te Rijswijk (Fin95–506 en 565);

3. 13 september 1995 inzake de effectrapportage afschaffing fiscale grenzen over de periode april – juni 1995 (23 030, nr. 15);

– 29 september 1995 houdende een reactie op een memorandum van KPMG Meijburg & Co inzake de afschaffing fiscale grenzen (Fin95–416);

– 6 december 1995 inzake de EU-accijnsconferentie 1995 (Fin95–564);

4. 5 oktober 1995 inzake aanpassing kwijtscheldingsregeling met ingang van 1 januari 1996 (Fin95–420);

– en over de brief van de plv. directeur-generaal voor fiscale zaken van het ministerie van Financiën d.d. 13 december 1995 inzake aanpassing kwijtscheldingsregeling per 1-1-1996 (Fin95–571);

6. 11 december 1995 inzake de au-pairs (Fin95–566).

Van het gevoerde overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Brief van de minister en staatssecretaris van Financiën d.d. 7 september 1995 inzake het emancipatiebeleid 1996 (24 406, nr. 2)

Mevrouw Giskes (D66) juichte het toe dat ook dit ministerie er alles aan doet om de deelname van vrouwen aan betaalde arbeid te bevorderen en vroeg naar de voorlopige opvatting van de regering over de schriftelijke inbreng van de Kamer op het wetsvoorstel-De Korte/Van Rey dat ertoe strekt de overdraagbaarheid van de belastingvrije som af te schaffen, omdat die vaak een belemmering vormt voor deelname van vrouwen aan het arbeidsproces.

Zij vond het opvallend dat deelname aan betaalde arbeid door vrouwen altijd wordt gekoppeld aan zaken als kinderopvang, mogelijkheden van deeltijdarbeid, enz. Helaas zijn dat vaak nog voorwaarden voor vrouwen om te kunnen werken, maar kinderen zijn toch niet alleen van vrouwen? Het is dus voor iedere ouder van belang om de zorg voor kinderen te kunnen combineren met de zorg voor inkomen.

Opvangmogelijkheden zouden zo veel mogelijk door de ouders zelf moeten kunnen worden geregeld. De D66-fractie is dan ook niet zo gecharmeerd van maatregelen die zijn gericht op werkgevers die dan vervolgens kindplaatsen moeten kopen waarvan hun werknemers gebruik kunnen maken. Het is immers een vrij rigide systeem; niet iedere werkende ouder heeft een werkgever. Als er al een werkgever is, heeft die niet altijd een kindplaats gekocht en/of heeft hij die bereidheid ook niet. Bovendien is het vaak lastig om van baan te veranderen als dat direct inhoudt dat daarmee ook de opvangplaats van de kinderen weggaat. Vandaar het pleidooi van de D66-fractie voor een andere, liefst forfaitaire, fiscale aftrek voor werkende ouders met jonge kinderen. Wat is de opvatting van met name de minister hierover?

Wat vinden de bewindslieden van het rapport over de wijze waarop met onbetaalde arbeid wordt omgegaan in de nationale rekeningen?

Mevrouw Giskes had de indruk dat banken en verzekeringen wat soepeler worden met kredietverlening aan vrouwen, maar er moet wel voor worden opgepast dat ze niet zo soepel worden dat daardoor grote problemen ontstaan.

Ten slotte vroeg zij nog de aandacht voor twee door de Kamer aanvaarde moties, in de eerste plaats die waarin wordt gevraagd om de introductie van een kraamverlof voor vaders van vijf dagen en in de tweede plaats die waarin wordt verzocht om een regeling voor verlofsparen. Hoe denken de bewindslieden daaraan nader inhoud te geven?

Mevrouw J.M. de Vries (VVD) complimenteerde de bewindslieden met deze nota over het emancipatiebeleid op hun beleidsterrein. Dat sommige beoogde resultaten niet zijn gehaald, kon zij zich wel enigszins voorstellen.

Tijdens de laatste VN-Vrouwenconferentie te Peking heeft Nederland het actieprogramma zonder voorbehoud aanvaard en zich zo verplicht om in kaart te brengen wat aan onbetaalde arbeid wordt verricht. Het opnemen in nationale rekeningen kan voor sommige landen ongewenste en onbedoelde gevolgen hebben, maar hoe wordt aan dat actiepunt toch gevolg gegeven?

Wat de kredietverlening betreft, herinnerde zij aan een nota uit 1989 waaruit bleek dat het voor vrouwen heel moeilijk is om krediet te krijgen. In 1994 is uit nieuw onderzoek gebleken dat dit probleem nog steeds actueel is. Nu is het aan banken om dergelijke kredieten te verstrekken, maar gelet op het emancipatiebeleid zou het toch goed zijn om de normering daarvoor niet te laten bepalen door beeldvorming en vooroordelen. Zien de bewindslieden wellicht mogelijkheden om daarop enige invloed uit te oefenen?

Waar het gaat om benoeming in bijvoorbeeld adviescommissies wees zij op de deskundigenbank van vrouwen die het ministerie van Binnenlandse Zaken in het kader van adviesraden heeft opgericht. Wellicht kan deze bank ook het ministerie van Financiën behulpzaam zijn bij het werven van deskundige vrouwen voor de toch nogal gespecialiseerde commissies.

De gekozen begeleiding van het selectieproces van personeel leek haar een goede manier om een goed inzicht te krijgen in de kandidaten die zich aanmelden, de verhouding tussen mannen en vrouwen, hun kwaliteiten, de afwijzingsgronden, enz. Zo kan niet alleen goed worden bezien wat de markt biedt, maar ook wat vrouwen wellicht extra moet worden geboden.

De Emancipatieraad die het ministerie heeft geprezen om zijn emancipatiebeleid, heeft ook geadviseerd om de Emancipatiecommissie van het ministerie te laten bestaan. Gezien de goede richting van dit beleidsonderdeel wilde mevrouw De Vries dat advies van harte onderstrepen.

Ook mevrouw Van Zuijlen (PvdA) had waardering voor deze beleidsnotitie van beide bewindslieden en onderschreef de wens van de Emancipatieraad om de Emancipatiecommissie van het ministerie te laten voortbestaan als generator van ideeën, maar ook als procesbewaker.

Zij onderschreef eveneens het advies van de Emancipatieraad om voor de kinderopvang zo veel mogelijk modaliteiten te laten samenwerken.

Wanneer worden de uitkomsten van het onderzoek van de werkgroep technische herziening loon- en inkomstenbelasting naar afschaffing van de meewerkaftrek verwacht?

Als het gaat om de markt voor persoonlijke dienstverlening stelt de notitie dat emancipatoire aspecten, zoals verdringing en verzwakking van de arbeidsmarktpositie van vrouwen, aan de orde moeten komen, maar het leek haar zinvol daar een meer systematische toetsing voor te creëren, waarbij kan worden gedacht aan een emancipatie-effectrapportage.

Over de kosten en baten van onbetaalde arbeid is de notitie nogal vaag. Zijn de bewindslieden van plan om daarnaar een studie in te stellen?

Zij onderschreef het advies om gebruik te maken van het bureau Toplink waarbij goed gekwalificeerde vrouwen zijn ingeschreven. Als de overheid daarvan gebruik maakt, zal dat ook effect hebben op de mate waarin gekwalificeerde vrouwen zich zullen aanmelden.

Het wordt inderdaad tijd om de belemmeringen voor vrouwen weg te nemen om onder eigen naam bij de belastingdienst geregistreerd te staan.

Zij was positief gestemd over het loopbaanstimuleringsbeleid voor vrouwen, maar vroeg nog wel een nadere verduidelijking. Zij nam aan dat het een individueel programma is, maar hoe en in welke mate biedt dat reële perspectieven op hogere functies? Kent dat beleid bijvoorbeeld een mentorsysteem of een vrouwennetwerk?

In hoeverre wordt bij de samenstelling van commissies gelet op evenwichtigheid? Als er voor een loopbaan wordt geselecteerd en niet voor functies, dan blijkt dat voor vrouwen heel positief uit te werken. Aangezien het managementdevelopmentprogramma bij het ministerie redelijk blijkt te zijn ontwikkeld, kan een dergelijke selectie ook meer toegepast worden. Wat zijn overigens de resultaten van het aangepaste selectieproces?

Ten slotte drong mevrouw Van Zuijlen aan op een blijvende actieve houding van beide bewindslieden. De in de notitie uitgesproken intentie is zeker positief, maar van een geïntegreerde aanpak kan eigenlijk alleen maar sprake zijn als alle partijen daaraan actief blijven werken.

De heer Reitsma (CDA) sloot zich aan bij de uitgesproken waardering voor de rapportage over het emancipatiebeleid op het ministerie van Financiën. Beide bewindslieden stralen duidelijk uit dat zij dit beleid als geïntegreerd onderdeel van het beleid zien en hij had er alle vertrouwen in.

De signalen die uit de notitie naar voren komen op onderdelen van het fiscale dossier, zoals de kinderopvang, geven aan dat het zeker de bedoeling is om gedegen met emancipatoire elementen rekening te houden. Aangezien verschillende onderdelen binnen afzienbare tijd nog in de Kamer besproken zullen worden, wilde hij zich onthouden van een oordeel over de constructieve benadering van de bewindslieden van het initiatief-wetsvoorstel-De Korte/Van Rey dat de CDA-fractie enigszins anders benadert. Wel wilde hij nog de opmerking kwijt dat de kwestie van de meewerkaftrek nu al zo'n vier jaar loopt. Het is terecht dat het onderzoek van de werkgroep wordt afgewacht, maar het wordt toch wel eens tijd dat die kwestie wordt afgerond, want als het gaat om zelfstandigen is dat toch wel een essentieel onderdeel van het emancipatiebeleid, niet alleen qua fiscale, maar ook qua juridische aspecten.

Er zitten inderdaad weinig vrouwen in de externe adviesorganen. Wat dat betreft, zit de tijd niet mee omdat vele adviesorganen worden afgeschaft. Om dan ook nog de achterstand op dit punt in te lopen, is zeker een extra inzet noodzakelijk.

Hij vond het een goede zaak om streefcijfers te hanteren, maar als die haalbaar blijken te zijn, kunnen ze ook nog worden aangescherpt, met name als het gaat om de wat hogere functies.

De minister bevestigde dat de staatssecretaris en hij constructief het initiatiefvoorstel-De Korte/Van Rey benaderen. Het is echter wel gecompliceerd om een en ander in de praktijk te realiseren. De Kamer heeft bijvoorbeeld unaniem de verhoging van de belastingvrije som, met name ter wille van de koopkracht van de minima, aangenomen maar erg emancipatoir werkt dat niet uit, omdat dit vanwege de overdraagbaarheid ervan impliciet ook de subsidie op het thuisblijven van vrouwen verhoogt. Er is dus vaak sprake van een spanning tussen fiscaal en emancipatoir beleid.

Hij was het er zeker mee eens dat zaken als kinderopvang en deeltijd niet alleen voor vrouwen van belang zijn, maar ook voor mannen, maar die lijn wordt ook gevolgd. Op sommige onderdelen van het ministerie maken zelfs meer mannen gebruik van ouderschapsverlof dan vrouwen, ook al omdat die regeling bij de overheid aantrekkelijker is dan elders. Ook deeltijd is niet louter alleen maar voor vrouwen, al blijven die er meer gebruik van maken. Bijna 10% van het mannelijk personeel van het ministerie werkt in deeltijd en zo'n 44% van het vrouwelijk personeel.

Zijn collega van Economische Zaken gaat meer over de nationale rekeningen, net als het CBS, maar hij wilde toch wel opmerken dat er een duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen beleid enerzijds en statistiek anderzijds. Wat is het voordeel als het BNP bijvoorbeeld 100 mld. hoger wordt vanwege het monetair waarderen van onbetaalde arbeid? Hetzelfde geldt voor het zogenaamde «groene» BNP. Een lager groen BNP leidt niet automatisch tot een beter milieubeleid. Er moet op verschillende terreinen goed beleid worden gevoerd en als iets dat moeilijk in geld is uit te drukken, toch in geld wordt uitgedrukt, leidt dat niet tot een beter inzicht in het meest gewenste regeringsbeleid.

Overigens zijn er wat de nationale rekeningen betreft internationale afspraken die binnenkort zullen worden aangepast. Onbetaalde arbeid wordt daar buiten gelaten en het lijkt niet waarschijnlijk dat het er binnenkort bij wordt betrokken, want het meten en waarderen ervan is niet eenvoudig. Als Nederland dat actiepunt van de VN-Vrouwenconferentie heeft onderschreven, zal dat ongetwijfeld worden opgevolgd, maar het ligt niet op het terrein van het ministerie van Financiën.

Bij kredietverlening worden vrouwen niet zozeer gediscrimineerd, maar over het algemeen worden starters wel voorzichtig aangepakt en wordt veel van hen gevraagd. Dubbele inkomens worden gedeeltelijk meegeteld, ook gelet op het risico van overkreditering. Voor de starters heeft het ministerie tante Agaath ten tonele gevoerd die niet alleen voor neven, maar ook voor nichten het een en ander kan bewerkstelligen.

De huidige regeling voor kraamverlof geeft mannen al drie dagen betaald verlof. De desbetreffende motie strekt ertoe om niet gekoppeld aan de geboorte nog eens vijf dagen verlof te geven, bijvoorbeeld als vrouwen weer aan het werk gaan. Deze kwestie moet naar de mening van de bewindsman worden bezien in het kader van het arbeidsvoorwaardenbeleid van de overheid dat tot de verantwoordelijkheid van het ministerie van Binnenlandse Zaken behoort.

Het ministerie heeft weinig externe commissies. In de plaats van de Raad voor de gemeentefinanciën komt er wel een nieuw adviesorgaan over de financiële verhouding tussen rijk en provincies en gemeenten. Bij de invulling daarvan zal zeker gebruik worden gemaakt van Toplink. De invulling van ambtelijke commissies is afhankelijk van degenen die verantwoordelijk zijn voor het onderwerp waarmee een commissie zich bezighoudt en dat kan dus of een man of een vrouw zijn.

Om bij de werving en selectie voldoende vrouwen te krijgen, is nog steeds niet eenvoudig. Ook de financieel georiënteerde studies zijn over het algemeen toch nog steeds mannenstudies; het aantal vrouwelijke studenten ligt tussen de 20% en 25%. Van het personeel van het ministerie op schaal 10 en hoger was het percentage vrouwen in 1994 16 en is dat in 1995 19 geworden, terwijl het streven 20 was. Van de instroom van personeel in 1995 op schaal 10 en hoger, in totaal 77 mensen, was circa 40% vrouw. Bij de belastingdienst is weinig veranderd, want die heeft een personeelsstop.

De heer Witteveen (DG) voegde er nog aan toe dat het aantal intredende vrouwen zijn dienstonderdeel het ene jaar 90 en het andere jaar 60% is geweest, dus duidelijk boven het gemiddelde. Of er sprake is van een evenredigheid bij loopbaanbeleid en loopbaanperspectief, kon hij niet direct zeggen. Zijn indruk was dat uit het hoogste segment bij de mannen nagenoeg 0 wordt gescoord en dat uit het segment goede vrouwen heel hoog wordt gescoord.

De minister zegde ten slotte nog toe bij de besluitvorming over de Emancipatiecommissie Financiën goed rekening te houden met de opvattingen die zoëven naar voren zijn gebracht. De kans dat zij blijft bestaan, achtte hij zeer groot, maar eerst moet de evaluatie toch worden afgewacht.

De staatssecretaris erkende dat de kwestie van de meewerkaftrek al lang speelt maar wees er vervolgens op dat zij niet onomstreden is. Het is ook mogelijk om gebruik te maken van de zogenaamde meewerkbeloningsregeling. De werkgroep fiscaal technische herziening zal vóór 1 april a.s. rapporteren, hetgeen inhoudt dat dit jaar zeker ook zijn standpunt daarover bekend zal zijn.

Hij memoreerde de toezegging die hij plenair heeft gedaan, nl. dat zal worden gekeken naar het eventueel opnemen van zogenaamde zorgelementen in het arbeidskostenforfait, maar aan elke fiscale regeling zit ook een prijskaartje en de beschikbare middelen zijn, zoals bekend, heel beperkt.

Wat het initiatiefvoorstel-De Korte/Van Rey betreft, wachtte hij met belangstelling de verdere gang van zaken af.

1. Brief van de staatssecretaris van Financiën d.d. 12 oktober 1995 houdende de rapportage van de commissie Vermindering administratieve verplichtingen bedrijfsleven (commissie-Van Lunteren) (Fin95–451)

De heer Van der Ploeg (PvdA) was verheugd over deze tweede en laatste rapportage die vele goede voorstellen bevat. Bij het opstellen van het regeerakkoord werd met name van werkgeverskant opgeroepen om iets te doen aan de administratieve lastendruk. Met de onderhavige voorstellen kan daaraan een aanzienlijke bijdrage worden geleverd. Een kleinere administratieve rompslomp voor het bedrijfsleven zal ook een positief effect hebben op de werkgelegenheid en bedrijvigheid in Nederland.

Opheffing van de beperkte fiscale aftrekregelingen voor zogenaamde gemengde kosten kost de overheid circa 740 mln. en zal de administratieve lasten voor het bedrijfsleven met circa 100 mln. verminderen. De PvdA-fractie achtte vereenvoudiging heel wenselijk, maar die moeten haars inziens wel budgettair neutraal uitwerken. De gesuggereerde stroomlijning van het regime voor de heffings- en invorderingsrente levert 590 mln. op. Er blijft dus nog een gat van circa 150 mln., afgezien van de kleine besparing (circa 10 mln.) van de belastingdienst op de uitvoeringskosten. Welke ideeën heeft deze creatieve staatssecretaris en/of wellicht de commissie-Van Lunteren zelf om die 150 mln. te financieren?

De suggestie om te volstaan met één standaardtariefgroep zal de werkgevers zo'n 120 mln. besparen. De commissie stelt vervolgens een eindafrekening loonheffing voor op basis waarvan de belastingdienst aan het eind van het jaar de eindafrekening vaststelt. Leidt dat echter niet tot een derving van rente-inkomsten voor de schatkist? Zijn er ook nadelige effecten voor de koopkracht aan verbonden?

Ook het verkorten van de bewaarplicht voor fiscale gegevens van tien naar zeven jaar kon in principe op de steun van de PvdA-fractie rekenen, maar zij vroeg zich wel af, hoe dan wordt omgegaan met andere navorderings- en/of bewaarverplichtingen.

De commissie stelt een aanzienlijke vereenvoudiging voor van de fiscale loonstaat voor werkgevers die een lastenvermindering van circa 190 mln. betekent. Ook dat lijkt een goed voorstel, al zijn de financiële consequenties voor de schatkist nog niet duidelijk.

De commissie-Van Lunteren stelt bijvoorbeeld voor de WIR-knip op 31 december 1999 in één keer af te rekenen, maar worden zo de financiële consequenties daarvan niet naar een volgend kabinet doorgeschoven?

Bij de voorstellen tot afschaffing van dagloonstelsel bij de premies werknemersverzekeringen, zou naar de mening van de heer Van der Ploeg goed moeten worden gelet op de inkomenseffecten daarvan.

Ten slotte herhaalde hij de opvatting van de PvdA-fractie dat deze operatie budgettair neutraal moet uitpakken. Besparing van administratieve lastendruk voor het bedrijfsleven alleen is immers geen dekking!

De heer Van Rey (VVD) wees erop dat in de brief van de staatssecretaris van 12 oktober nogal vaak wordt gesteld dat een en ander met spoed ter hand zal worden genomen en hij vroeg zich af, hoe het daarmee stond.

Wat betreft de gemengde kosten verwees hij naar een overleg daarover d.d. 25 januari 1989 en de motie die naar aanleiding daarvan in de Kamer is ingediend en aangenomen. Onderhand is wel gebleken dat het beter was geweest om op een aantal punten de voorstellen van de commissie-Oort te volgen.

Hij had goede nota genomen van de opvatting van de PvdA-fractie over de budgettaire neutraliteit en nam ook aan dat zij bij de wetsbehandeling akkoord zal gaan met eventuele bezuinigingen die of door de staatssecretaris of door andere fracties zullen worden gesuggereerd.

Wat de bewaarplicht van fiscale gegevens betreft, suggereerde hij de duur ervan ook te laten aansluiten bij die van het handelsregister van de Kamer van koophandel.

De VVD-fractie heeft de WIR-knipwetgeving altijd te ingewikkeld gevonden. De commissie-Van Lunteren stelt voor de knip per 31 december 1999 in één keer af te rekenen, maar de staatssecretaris houdt nog wel een slag om de arm. Waarom wordt daarover nu geen duidelijkheid verschaft?

De commissie spreekt over onderzoek naar een sluitende coördinatie van fiscaal en premieloon en over een permanent overlegorgaan, waarin vooral ook belastingadviseurs zouden moeten worden opgenomen. Hoe staat het daarmee?

Als er wordt gekomen tot één standaardtariefgroep neemt het werk van de belastingplichtige wel toe. De Federatie van belastingadviseurs wijst erop dat iedere belastingplichtige dan immers zelf moet nagaan of de voldane loonbelasting met de eventueel door de fiscus verleende belastingteruggave wel toereikend is voor de IB-verplichtingen. Dat is geen geringe opgave.

De heer Van Rey merkte ten slotte op zijn overige kanttekeningen bij de voorgelegde suggesties te bewaren tot de behandeling van de diverse voorstellen die hopelijk binnenkort zal kunnen beginnen.

Ook de heer Reitsma (CDA) had waardering voor het werk van de commissie-Van Lunteren. Met anderen hechtte hij groot belang aan verlaging van de administratieve lastendruk voor het bedrijfsleven. Dat is niet alleen een taak van het ministerie van Financiën maar van het gehele kabinet op alle beleidsterreinen. Hij had niet verwacht dat de commissie tot de conclusie zou komen dat er weinig ruimte meer zit in de uitvoeringssfeer. Kan de staatssecretaris dat adstrueren en acht hij het toch niet verstandig om op dat punt alert te blijven?

De conclusie van de commissie inzake de gemengde kosten was te verwachten. De heren Vreugdenhil en De Grave zijn indertijd niet met het desbetreffende voorstel gekomen om de voorstellen van de commissie-Oort zo fors te wijzigen, maar om het toptarief van 70% naar 60% te brengen. Daarvoor moest een offer worden gebracht waarop het nodige commentaar is geleverd. Toch is het doorgezet en nu moet men wel tot de conclusie komen dat dit moet worden teruggedraaid als daarvoor budgettaire ruimte kan worden gevonden.

Welke macro- en micro-effecten zal overneming van de suggestie van de commissie inzake heffings- en invorderingsrente hebben? Het kan toch niet de bedoeling zijn om een deel van het bedrijfsleven daarmee te belasten en een ander deel niet?

De CDA-fractie zag graag dat spoed werd betracht met het uitvoeren van enkele suggesties van de commissie-Van Lunteren.

Zij was het ermee eens om de WIR-knip in 1999 af te schaffen, zoals oorspronkelijk ook de bedoeling was, maar vernam wel graag wat daarvan de kosten zullen zijn en waarin de dekking kan worden gevonden.

Is de staatssecretaris het ermee eens dat er geen mogelijkheden meer zijn om de administratieve lastendruk te verminderen? Berusting is altijd gevaarlijk en de invloed van de overheid op de administratieve lastendruk blijft heel groot. Daarom riep de heer Reitsma de staatssecretaris met nadruk op kritisch en creatief te blijven bezien of er nog geen derde fase kan komen. Waarom niet de doelstelling om in deze kabinetsperiode nog een vermindering van de administratieve lastendruk van 20% te realiseren?

Mevrouw Giskes (D66) onderschreef de stelling in de EZ-notitie «Naar minder administratieve lasten» dat administratieve lasten onvermijdelijke neveneffecten zijn van wet- en regelgeving, zeker van fiscale, gericht op een breed overheidsbeleid, en derhalve vaak nogal ingewikkeld, waardoor de mogelijkheden om de administratieve lastendruk te verlagen ook relatief beperkt zijn. Des te meer verdienen de vele suggesties van de commissie-Van Lunteren waardering.

In de notitie van EZ is aangekondigd dat er ook wat betreft de niet-fiscale wet- en regelgeving in het najaar van 1995 nog iets van Financiën te verwachten is. Is dat er al en, zo neen, wanneer kan dat worden verwacht?

De Kamer heeft nooit expliciet gesproken over de eerste rapportage van de commissie-Van Lunteren met zo'n zestal suggesties: effectuering van de loonbelastingbeschikking door de belastingdienst, oprekking van de 20-dagenregeling naar 40 dagen, lump-sumheffing voor parkeer-, tol- en veergelden, onderzoek naar het standaardkostenmodel en standaardjaarstukken, en het niet uitgaan van twee schattingsmomenten bij de voorlopige-aanslagregeling. Hoe staat het met de uitvoering daarvan?

Mevrouw Giskes zag niet in dat, zoals de commissie stelt, de eerste twee voorstellen met elkaar samenhangen en vroeg daarvan een nadere uitleg.

Door toepassing van een andere renteregeling zou ook anders kunnen worden omgegaan met de voorlopige-aanslagregeling. Kan die samenhang worden uitgelegd? Brengen het fluctueren en versoepelen van deze regeling niet weer grote administratieve lasten voor ondernemers met zich?

Er wordt aan gedacht om de uitstelregeling te binden aan een bepaalde datum, maar daarbij wordt direct gesteld dat er nog zo'n twee jaar studie nodig is om te bezien wat aanvaardbaar en redelijk zou zijn. Kan dat niet op grond van twee voorafgaande jaren worden bezien?

Worden door de kortingsregeling voor degenen die in één keer betalen niet alleen maar de administratieve lasten voor het Rijk verminderd? Zal het introduceren van een nieuwe bezwaar- en beroepsmogelijkheid niet tot nieuwe administratieve lasten leiden? Wat zijn de financiële consequenties van het laten vervallen van de aangiften dividendbelasting voor DGA's? Geldt de gesuggereerde grens bij teruggave, nl. f.25, per maand of per jaar? Ondanks de voordelen voor ondernemers, stond mevrouw Giskes daar toch wat aarzelend tegenover. Voorts vroeg zij zich af of de lastenverlichting voor het bedrijfsleven door de introductie van één standaardtariefgroep wel opwoog tegen de lastenverzwaring voor de burger. In het kader van de heffings- en invorderingsrente is ooit sprake geweest van verschillende percentages. Wordt daar nu ook aan gedacht?

Volgens de commissie kan het herstel van de volledige aftrekbaarheid van de gemengde kosten niet los worden gezien van de aftrekbare kosten en vergoedingen in de niet-winstsfeer en is daarvoor een bredere afweging nodig. Wat is de opvatting van de staatssecretaris daarover?

D66 was er vooralsnog niet van overtuigd dat het zo'n goed idee is om de WIR-knip per 31 december 1999 te beëindigen. Het is immers een regeling die voor lang niet alle ondernemers geldt, maar voor over het algemeen nogal grote bedrijven die zich natuurlijk wel enige administratieve lasten kunnen permitteren. Deze suggestie kost volgens de commissie zo'n 15 mln., maar kan die ruimte niet beter aan iets anders worden besteed, zoals aan het kwijtscheldingsbeleid, kinderopvang, e.d.?

Een van de belangrijkste aspecten vond mevrouw Giskes de samenhang tussen fiscaliteit en sociale zekerheid. De staatssecretaris zou daarover met de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid overleggen. Heeft hij dat al gedaan en, zo ja, wat is daarvan het resultaat?

De staatssecretaris onderschreef van harte de uitgesproken waardering voor de voorstellen van de commissie-Van Lunteren waarover hij in zijn brief een voorlopig oordeel heeft gegeven. Enkele voorstellen kunnen worden uitgevoerd binnen de bestaande wetgeving, voor andere is aanpassing van wet- en of regelgeving nodig en weer enkele andere zouden zijns inziens in een breder kader moeten worden bezien. Vandaar zijn verzoek om die mee te nemen in de rapportage van de commissie technische herziening. Hij zegde toe, zo spoedig mogelijk een overzicht te verstrekken van de voortgang van de verschillende voorstellen, opdat duidelijk wordt wat nu al kan en op welke termijn, wat wetgeving vraagt en hoe het daarmee staat, en wat nog door de werkgroep technische herziening wordt meegenomen.

Hij bespeurde grote eenstemmigheid over de noodzaak om de problematiek van de gemengde kosten aan te pakken en was het eens met de opvatting over budgettaire neutraliteit. De commissie-Van Lunteren, die de financiële consequenties van haar voorstellen zeker niet met de natte vinger heeft geschat, heeft als mogelijke dekking voorstellen gedaan in het kader van de invorderings- en heffingsrente, maar die leveren inderdaad te weinig op. De bewindsman was overigens de mening toegedaan dat deze gemengde kosten niet los kunnen worden gezien van andere gemengde kosten in bijvoorbeeld de loonsfeer. Vandaar zijn verzoek om dat mee te nemen in de werkgroep technische herziening die voor 1 april zal rapporteren. Kijkend naar de bestaande fiscale wetgeving en haar voorstellen tot vereenvoudiging denkt de commissie dat er verder weinig mogelijkheden tot verlichting van de administratieve lastendruk zijn. Maar ook door de werkgroep technische herziening wordt, mede op basis van Oort-rapportages, waarin o.a. opgenomen de door ondernemers, belastingdienst en belastingadviseurs aangewezen knelpunten en onduidelijkheden, naarstig gezocht naar vereenvoudigingen in de inkomsten- en loonbelasting die wellicht dus ook tot minder administratieve rompslomp leiden.

Het is niet de bedoeling om de loonheffing per jaar af te rekenen, want dat zou inderdaad koopkrachteffecten tot gevolg kunnen hebben, maar gewoon per maand. Niettemin zal bij de uiteindelijke afweging en vormgeving van de verschillende voorstellen worden bezien welke effecten ze hebben.

De bewindsman zegde vervolgens toe de voorstellen inzake de duur van de bewaarplicht van fiscale gegevens te stroomlijnen met de bewaarplicht die op andere terreinen geldt.

Het lag zeker niet in zijn bedoeling om nu beslissingen te nemen die financiële gevolgen hebben voor een volgend kabinet. Het is echter duidelijk dat de WIR-knip een grote administratieve rompslomp met zich brengt. Jaarlijks wordt de stand van de WIR-afwikkeling duidelijk en het voorstel van de commissie kan grote financiële gevolgen hebben. Daarom had hij ook voor een voorzichtige benadering gekozen. Inderdaad was het oorspronkelijk de bedoeling om de WIR in 1999 af te sluiten, maar hij kon nog niet zeggen hoeveel geld daarmee zou zijn gemoeid. In ieder geval lag het in zijn bedoeling om een eventueel voorstel daartoe, voorzien van argumenten, budgettaire consequenties en dekking, aan de Kamer voor te leggen.

De commissie-Van Lunteren is omgezet in een permanent adviesorgaan van ondernemingsorganisaties, zoals MKB en VNO, en belastingdienst. Dat werkt heel goed omdat signalen uit het bedrijfsleven snel kunnen worden opgepakt. Daarnaast bestaat er nog een overlegorgaan met belastingadviseurs. Die scheiding blijkt in de praktijk heel goed te werken.

Het hangt van de vormgeving af of één standaardtariefgroep leidt tot meer administratieve lasten voor de burger, maar dat is uiteraard niet de bedoeling. Waar door enkele voorstellen van de commissie-Van Lunteren het bedrijfsleven wordt ontzien, is er soms wel sprake van verhoging van de administratieve lastendruk voor belastingdienst of werknemer. Van geval tot geval zal dat moeten worden afgewogen en worden bezien op evenwichtigheid.

Vooruitlopend op het onderzoek naar verlichting van de administratieve lastendruk, waarover de notitie van EZ spreekt, heeft het ministerie van Financiën al het nodige onderzoek gedaan naar vereenvoudiging van fiscale wet- en regelgeving. De rapportage over mogelijke vereenvoudiging van niet fiscale wet- en regelgeving zal door EZ ter hand worden genomen. Gelet op hetgeen de notitie daarover stelt, zegde de bewindsman toe zijn collega van EZ te benaderen en de Kamer te informeren als het anders ligt dan hij denkt.

De versoepeling van en fluctuatie in de voorlopige-aanslagregeling houdt verband met de door de commissie-Van Lunteren voorgestelde opzet van de renteregeling. Dat vereist nog de nodige wetgeving en bestudering van de termijnen die in dat kader moeten worden gehanteerd. Over de uitstelregeling zal nog overleg moeten worden gevoerd met de belastingadviseurs.

De bewindsman merkte op dat de voorgestelde drempel voor teruggave voor een jaar geldt en dat de loonstaten oorspronkelijk zo uitgebreid waren om de belastingdienst van de nodige informatie en controlemogelijkheden te voorzien. Nu de dienst ook op andere wijze informatie kan vergaren en kan controleren, kan de loonstaat ook eenvoudiger worden.

De mogelijkheid van standaardjaarstukken wordt bezien door het permanente overlegorgaan. Met name in de MKB-sector leven daartegen de nodige bezwaren. Als men echter alle voordelen wil plukken van de moderne techniek, zoals elektronische aangifte, dan is het wel noodzakelijk om een standaard af te spreken.

De heer Van Rey (VVD) vroeg of hij goed had begrepen dat ook de mogelijkheid van een korting wordt bezien als men de voorlopige aanslag direct en in één keer wil betalen.

Hij hield de staatssecretaris nog voor dat als er een goed voorbeeld is van vereenvoudiging dat toch wel de WIR-knipregeling is. Die is zo ingewikkeld dat ook grote ondernemingen er de nodige moeite mee hebben.

Mevrouw Giskes (D66) vroeg of de voorstellen die de commissie-Van Lunteren in haar eerste rapportage had gedaan ook worden opgenomen in het overzicht dat de staatssecretaris heeft toegezegd.

Voorts vroeg zij nog antwoord op haar vraag over dividendbelasting voor DGA's en iets meer informatie over het overleg met het ministerie van SZW over de relatie tussen fiscaliteit en sociale premies.

De staatssecretaris wees erop dat die relatie niet voor het eerst aan de orde komt in adviezen. Denk maar aan o.a. de commissie-Buurmeijer. Nu de sociale zekerheid zo wordt herzien, is het heel moeilijk om daar een eenheid van te maken. Zijns inziens zal dat ook in de nabije toekomst niet lukken.

Inderdaad wordt gedacht aan een kortingsregeling voor degenen die de voorlopige aanslag ineens betalen, maar die mogelijkheid wordt meegenomen bij het nader bezien van de voorlopige-aanslagregeling.

De heer Witteveen (PvdA) wees erop dat sinds de invoering van de dividendvrijstelling een groot aantal DGA's zich exact dat dividend uitkeert dat is vrijgesteld. De huidige regeling op dat punt werkt dus niet en is dus overbodig. Slechts bij hoge uitzondering keert een DGA zichzelf meer dividend uit dan het vrijgestelde bedrag. Het gaat dus weliswaar om een groot aantal DGA's, maar toch om een zeer geringe belastingopbrengst.

2. De brieven van de staatssecretaris d.d. 31 augustus 1995 inzake het verlaagd BTW-tarief op milieuvriendelijke en energiebesparende goederen en diensten en op arbeidsintensieve diensten (24 323, nr. 1 (herdruk)); – d.d. 22 september 1995 inzake spoorboekjes CPB (Fin95–397); – d.d. 11 december 1995 houdende een reactie op een brief van het Bedrijfschap Schildersbedrijf te Rijswijk (Fin95–506 en 565); 3. d.d. 13 september 1995 inzake de effectrapportage afschaffing fiscale grenzen over de periode april – juni 1995 (23 030, nr. 15); – d.d. 29 september 1995 houdende een reactie op een memorandum van KPMG Meijburg & Co inzake de afschaffing fiscale grenzen (Fin95–416); – d.d. 6 december 1995 inzake de EU-accijnsconferentie 1995 (Fin95–564)

De heer Reitsma (CDA) ondersteunde het streven om milieuvriendelijke en energiebesparende diensten onder het lage BTW-tarief te brengen, waarbij de staatssecretaris blijkbaar echter tegen Brusselse belemmeringen oploopt. Wat is de laatste stand van zaken en wat zullen naar zijn inschatting de resultaten zijn van het onderzoek dat eind 1996 zal worden afgerond? Het is vooral voor de werkgelegenheid van belang om aan dit streven vast te houden. Als de staatssecretaris van Brussel het groene licht krijgt, wat zijn dan de financiële consequenties en waarin zal dan dekking worden gezocht?

Hoe staat het met de werkgroep vergroening van het fiscale stelsel? Wanneer komt de rapportage en wanneer een kabinetsstandpunt daarover?

Denkt Brussel inderdaad aan een bovengrens van de BTW van 25% en, zo ja, wat is het standpunt van de staatssecretaris daarover?

Hij riep het kabinet op verdere fiscale lastenverlichting te zoeken in de loonkosten buiten de BTW. De lastendruk op goederen zou dan ietwat kunnen worden verzwaard. Is de staatssecretaris bereid te bezien welke positieve werkgelegenheidsaspecten een dergelijk aanpak zou hebben?

De kwestie van de BTW op schilderswerkzaamheden zou zijns inziens moeten worden betrokken bij die op kleding- en schoenherstel. In zijn brief stelt de staatssecretaris dat het niet mogelijk is een lager BTW-tarief toe te staan, maar waarom zijn in België dan wel bepaalde onderdelen van de schilderswerkzaamheden onder het lage BTW-tarief gebracht?

Het bedrijfschap schildersbedrijf suggereert de aftrekregeling van de jaren zeventig en tachtig de herintroduceren. De CDA-fractie begreep die wens, maar voelde er toch niet voor, vooral niet vanwege de voorgestelde dekking van verhoging van het huurwaardeforfait. Dat komt ten laste van alle huizenbezitters, terwijl sommige van die aftrekregeling zullen profiteren. De sector zou er ook bij gebaat zijn als het lage BTW-tarief geldt, voor alle of voor sommige werkzaamheden, als de fiscaliteit in de arbeidskosten kan worden verlaagd en als in bepaalde perioden van het jaar premies kunnen worden gegeven, zodat het werk beter over het hele jaar wordt verspreid.

Wat de afschaffing van de fiscale grenzen betreft, schrijft de staatssecretaris dat afschaffing van de vereenvoudigingsrichtlijn nagenoeg is afgerond. Komen er nog meer vereenvoudigingen of is dit het wel?

Wat is de stand van de discussie over een ander BTW-systeem voor intracommunautaire transacties, het oorspronglandbeginsel? De CDA-fractie bleef op het standpunt staan dat er geen ander systeem behoeft te komen.

In het algemeen overleg over de fraudeproblematiek heeft de staatssecretaris enkele toezeggingen gedaan. Hoe staat het met de uitvoering? De heer Reitsma stemde er wel mee in dat de jaarlijkse rapportage over de fraudebestrijding in hoofdstuk IXB wordt opgenomen.

Zijn er bij de belastingdienst meer gevallen van mogelijk misbruik van BTW-nummers bekend? De problematiek van de zogenaamde lange-ketentransacties is in de Europese regelgeving onvoldoende opgelost. Overweegt de staatssecretaris daarom nog wijziging van de nationale regelgeving? Zijn er overigens nog nieuwe ontwikkelingen als het gaat om de minerale oliën en de kerosine?

Uit de accijnsconferentie is opnieuw gebleken dat de verschillende tariefniveaus bezwaarlijk zijn. Ziet de staatssecretaris de komende jaren nog kansen om een sterkere accijnsharmonisatie te bewerkstelligen?

Volgens de staatssecretaris zit er weinig beweging in de discussie over het minimumtarief van 57% op sigaretten. Ziet hij mogelijkheden om het standpunt van de noordelijke lidstaten zwaarder te laten doorklinken?

Mevrouw Giskes (D66) onderschreef nogmaals het belang van het ontzien van milieuvriendelijke produkten en arbeidsintensieve diensten in de vorm van een lager BTW-tarief. Zij was iets optimistischer over de effecten daarvan dan op het eerste gezicht uit de modelmatige CPB-berekeningen blijkt. De toonzetting van het ministerie op dit punt vond zij vrij aarzelend en niet altijd even enthousiast en dat draagt niet zo bij aan het bereiken van resultaat op Europees niveau. De bezwaren die op dat niveau naar voren komen, waren volgens haar vaak meer budgettair van aard. De inspanningen die de staatssecretaris zich getroost, waardeerde zij uiteraard, maar zij vroeg zich toch af, of wel voldoende gebruik wordt gemaakt van persoonlijk contact met de EU-commissarissen. De staatssecretaris waarschuwt overigens voor risico van fraude van dat lagere BTW-tarief, maar is dat groter dan bij andere vormen van fiscale regelgeving? Het argument van de administratieve lasten is er wel erg met de haren bijgesleept.

Het probleem van het onderscheiden van milieuvriendelijke produkten zal best reëel zijn, maar leek haar best oplosbaar, ook al omdat er al zolang over gesproken wordt. Wat een Europees milieukeur betreft stelt de staatssecretaris dat dan ook een keurmerk kan worden gegeven aan produkten die voor Nederland geen prioriteit hebben. Is dat ook niet wat ver gezocht?

Er is wel eens aan gedacht om in de levensmiddelensfeer tot een nader onderscheid te komen en om echt milieuvriendelijke produkten wat anders te bejegenen. Wat is de opvatting van de staatssecretaris daarover?

Zij ondersteunde alle pogingen om ook schilderswerkzaamheden onder het lage tarief te brengen en was het eens met de stelling dat de aftrekbaarheid niet opnieuw moet worden ingevoerd, maar waarom kan België wel gebruik maken van een niet zo geëigend uitzonderingselement?

Zij zou het op prijs stellen indien over de fiscale grenzen meer dan eenmaal per jaar werd gerapporteerd, mede gezien de complexe problematiek die er steeds lijkt te zijn. Krijgt de staatssecretaris nog steeds veel signalen van problemen?

Mevrouw Van Zuijlen (PvdA) vond het spijtig dat Nederland binnen Europa vooralsnog niet kan rekenen op grote steun om milieuvriendelijke en energiebesparende goederen en diensten en arbeidsintensieve diensten onder het lage BTW-tarief te brengen, maar dat biedt anderzijds wel ruimschoots de mogelijkheid om de effecten van dergelijke maatregelen goed te bekijken in relatie tot andere vormen van lastenverlichting. De cijfers van het CPB stemden haar wat dat betreft niet echt optimistisch. Argumenten van concurrentieverstoring, precedentwerking, administratieve lastendruk en controleerbaarheid, zouden best ook voor Nederland aanleiding kunnen zijn om die BTW-verlaging voorzichtig aan te pakken. Zij vond het dan ook verstandig dat de staatssecretaris in samenwerking met het bedrijfsleven en andere ministeries een nadere analyse wil maken. Wanneer zullen de resultaten daarvan bekend kunnen zijn? Wat denkt de bewindsman overigens van het artikel van Knosse in ESB van 15 november jl., waarin de nadelen zijn opgesomd van het huidige duale BTW-tarief? Is hij het ermee eens dat een verlaagd BTW-tarief vrijwel geen matigend effect heeft op de lastendruk voor minder draagkrachtigen, dat het een bron van concurrentieverstoring is en dat de innings- en nalevingskosten aanzienlijk zijn?

Zij memoreerde dat een bredere discussie over milieu-aspecten kan worden gevoerd naar aanleiding van de rapportage van de fiscale vergroeningscommissie, maar wanneer mag die worden verwacht?

Zij ondersteunde vervolgens de reactie van de staatssecretaris aan het Bedrijfschap schildersbedrijf en herkende de daarin genoemde bezwaren tegen met name de fiscale aftrekbaarheid, de bepaling van de hoogte van het huurwaardeforfait en de precedentwerking.

Wat betreft de afschaffing van de fiscale grenzen kon zij zich voorstellen dat de staatssecretaris de tot nu toe gevolgde wijze van rapportage wil vervangen door een reguliere verslaggeving, maar zij vond wel dat de evaluatie over 1995 moet worden afgerond. Overigens stelde zij met mevrouw Giskes een iets frequentere rapportage wel op prijs.

De reactie van de bewindsman op het memorandum van KPMG riep bij haar de vraag op in hoeverre al is bezien of de regelgeving inzake lange-ketentransacties, niet-veraccijnsde minerale oliën.

Zij dankte de bewindsman ten slotte voor het verslag over de EU-consultatieconferentie over accijnzen die weinig nieuws heeft opgeleverd. Het wordt nu tijd dat de commissie snel knelpunten, met name wat betreft de grenseffecten, aanpakt. De controle is een probleem en de illegale import lijkt niet gering te zijn.

De heer Van Rey (VVD) wees erop dat er al zo'n zes jaar wordt gesproken over een verlaagd BTW-tarief op milieuvriendelijke en energiebesparende goederen en diensten. Hij had er best begrip voor dat het veel tijd vraagt om binnen Europa iets voor elkaar te krijgen, maar als het zo lang duurt, moet er maar een andere strategie worden gevolgd. Ook het Europees Parlement is er al jaren mee bezig, maar het gaat er bij de Europese Commissie gewoon niet in. Zij heeft nu een extern bureau ingeschakeld om te onderzoeken welke effecten een dergelijk verlaagd BTW-tarief kan hebben. Eind 1996 zal zij daarover rapporteren, maar de uitkomsten daarvan zijn eigenlijk al voorspelbaar. Waarom een dergelijk onderzoek niet aan de nationale lidstaten overgelaten?

Over de evaluatie van goederen en diensten die mogelijk onder het lage BTW-tarief kunnen worden gebracht, bijlage H, zijn afspraken gemaakt, maar de Europese Commissie heeft zich er niet aan gehouden. De heer Van Rey was er dan ook bevreesd voor dat dit externe onderzoek als zoethoudertje dient. Hij zou er veel voor voelen om het experiment in Nederland gewoon maar door te zetten. Na het vorige algemeen overleg over bijvoorbeeld de schoenherstellers is de nodige informatie verkregen waaruit blijkt dat inmiddels meer dan 200 bedrijfjes over de kop zijn gegaan en dat vele bedrijven het water tot de lippen is gestegen en het standpunt dat in dat overleg is ingenomen, nl. netjes wachten op Brussel, moet dan nu maar worden verlaten. In dat overleg is ook afgesproken dat het ministerie van Financiën te zamen met dat van Economische Zaken zal onderzoeken of er andere fiscale mogelijkheden zijn om die sector de helpende hand te bieden, maar wanneer zijn de resultaten daarvan te verwachten?

De heer Van Rey ondersteunde de opvatting dat de aftrekbaarheid van het groot onderhoud aan huizen niet opnieuw moet worden ingevoerd. Wel voelde hij er uiteraard voor om ook schilderswerkzaamheden onder het lage BTW-tarief te brengen. Ook andere lidstaten blijken immers van die mogelijkheid handig gebruik te maken.

Vele bedrijfstakken benaderen de Kamer met problemen rondom de fiscale grenzen. De Kamer geeft die door aan de staatssecretaris en die reageert daar weer op. De rapportages zijn een goed middel om te bezien wat er verder mee gebeurt. Een rapportage eens per jaar vond hij niet voldoende, hij zou de voorkeur geven aan zesmaandelijkse rapportages. Er blijken op dit punt immers nog voldoende problemen te bestaan.

Ook de heer Van Rey vroeg de staatssecretaris nader in te gaan op de klachten inzake de handel in minerale oliën.

Het verheugde hem zeer dat voor het eerst in een brief van enig kabinet wordt erkend dat de ontwikkeling van de grenseffecten serieus moeten worden genomen, maar wat houdt dat voor de praktijk in de Nederlandse grensstreken nu precies in?

De Commissie komt nu alleen met een voorstel voor de minimum-accijnstarieven. Waarom heeft de staatssecretaris in zijn verslag van die consultatieconferentie in Lissabon niet aangegeven wat dat voor Nederland betekent? Uit gesprekken met de bedrijfschappen voor gedestilleerd en wijn zijn grote problemen gebleken. De geprognotiseerde opbrengst is aanzienlijk achtergebleven, vooral omdat na opheffing van de fiscale grenzen op dat punt vele particulieren voor deze aankopen naar het buitenland zijn uitgeweken. Voorkomen moet worden dat dit ook beroepsmatig gebeurt, zoals nu nog vaak het geval blijkt te zijn. Deze bedrijfschappen hebben ook het ministerie benaderd en kan de staatssecretaris nu meedelen wat hij eraan gaat doen?

De staatssecretaris zegde allereerst toe dat hij de Kamer eens per halfjaar zal rapporteren over de ontwikkelingen op het terrein van de afschaffing van de fiscale grenzen.

Jammer genoeg kon hij geen nieuwe ontwikkelingen melden als het gaat om de mogelijkheid om arbeidsintensieve diensten en milieuvriendelijke en energiebesparende produkten onder het lage BTW-tarief te brengen. Ook al zou de Europese Commissie wat dit betreft bereidwilliger zijn, dan nog is voor elke wijziging unanieme besluitvorming van de Raad nodig. De minister en hij doen er alles aan en brengen deze kwestie elke keer opnieuw naar voren, maar krijgen gewoon geen bijval, ook niet in de Ecofin, soms zeker om budgettaire overwegingen. Inderdaad houdt ook het Europees Parlement er zich mee bezig en dat heeft er o.a. toe geleid dat de Commissie een extern bureau een onderzoek zal opdragen. Welk bureau is nog niet bekend. Rapportage wordt in ieder geval eind 1996 voorzien en het is niet te verwachten dat er voor die tijd nog iets kan gebeuren. Het komt erop neer dat de BTW-regelgeving Europees is afgegrendeld en dat lidstaten zich maar moeten voegen in de bestaande regelgeving en weinig mogelijkheden hebben om daarin wijzigingen aan te brengen. De minister en hij zullen er uiteraard aan blijven werken, maar optimistisch was hij zeker niet. Hij gaf toe dat het vaak gaat om lokale produkten en dienstverlening, maar andere lidstaten hebben nu eenmaal een andere opvatting over stimulering daarvan en ook andere prioriteiten voor het aanwenden van budgettaire middelen. Verschillende suggesties in dit kader die in het Witboek-Delors stonden, hebben bij andere lidstaten ook weinig weerklank gevonden.

Het onderzoek dat Financiën samen met EZ zal (laten) uitvoeren, zal zo spoedig mogelijk worden afgerond. De problemen waarmee met name de branche van de schoenherstellers wordt geconfronteerd, waren ook hem bekend. In het vorige algemeen overleg had hij al zijn twijfels uitgesproken of alleen dat BTW-tarief bepalend is voor de slechte gang van zaken in die branche. Andere factoren zullen ongetwijfeld ook een rol spelen, maar dat onderzoek zal dat wel uitwijzen. Het leidt overigens geen twijfel dat als Nederland ingaat tegen heel duidelijke regelgeving, het per omgaande voor het Hof zal worden gedaagd. Daarbij zal de branche ook niet gebaat zijn.

De werkgroep vergroening zal nog vóór 1 april a.s. met een nadere tussenrapportage komen.

Inderdaad lijkt de Commissie een BTW-bovengrens van 25% voor te stellen. Het voorstel is nog niet officieel ontvangen, maar dat zal toch weinig veranderen, omdat die grens globaal al in Europa wordt gehanteerd.

Over de vormgeving van verdere lastenverlichting zijn in het regeerakkoord enkele afspraken opgenomen. Een belangrijk deel ervan is al ingevuld en door de Kamer geaccordeerd. Er zijn geen extra budgettaire middelen beschikbaar om buiten het regeerakkoord om in te zetten voor nog verdere lastenverlichting. De gedachte van de heer Reitsma vond de bewindsman overigens niet oninteressant, vooral kijkend naar de spoorboekjes van het CBP. Hij zal haar bij eventuele verkenningen wel meenemen, maar zeker niet met voorstellen kunnen komen.

Het verheugde hem dat de suggestie van het Bedrijfschap schildersbedrijf om de aftrekregeling weer te introduceren niet wordt ondersteund. Er wordt nu wel geïnventariseerd hoe andere lidstaten, zoals België in dezen, uitvoering geven aan de BTW-richtlijn, of dat volgens Europese regelgeving wel of niet kan en, zo neen, of dat toch door de Commissie al dan niet stilzwijgend is geaccepteerd. Zodra die inventarisatie is afgerond, zal zij aan de Kamer worden voorgelegd.

Over de milieukeur behoefde zijns inziens niet verder gedacht te worden als hij toch geen toestemming krijgt voor toepassing van een verlaagd BTW-tarief.

Over de ICT-uitvoering zijn hem geen andere problemen gemeld dan die welke al zijn gerapporteerd.

Het artikel van de heer Knosse in ESB had hij met veel interesse gelezen. Een studie uit 1980 is tot de conclusie gekomen dat invoering van een uniform tarief niet wenselijk is, maar de studie uit 1985/1986 is tot een wat milder oordeel gekomen, maar ook toen kon daarvoor geen Kamermeerderheid worden verkregen. Als men tot één BTW-tarief wil komen, moet men zich wel realiseren dat het ene omlaag moet en het andere omhoog en dan komen o.a. inkomenseffecten en grenseffecten weer om de hoek kijken.

Hij wees er vervolgens op dat voor de lange-ketentransacties en de niet-veraccijnsde minerale oliën per 1 januari jl. een vereenvoudiging is doorgevoerd door de zogenaamde plaatsgebonden BTW-entrepots. Naar verwachting zal er de tweede helft van 1996 nog weinig vereenvoudiging volgen. Het Italiaanse voorzitterschap lijkt zich op fiscaal gebied te beperken tot het afstoffen van oude nooit aanvaarde voorstellen.

Dat er weinig nieuws is gekomen uit de accijnsconferentie te Lissabon vond hij wel begrijpelijk. Elke lidstaat heeft zijn eigen opvattingen. Zeker als het gaat om de grensproblematiek volgt Nederland heel nauwgezet de ontwikkelingen in de grenslanden, dus Duitsland en België. Daarop zal de afstemming moeten plaatsvinden. Het voorstel voor minimumtarieven heeft voor Nederland in de huidige situatie in ieder geval geen enkele betekenis. Ook in het accijnsdossier zit dus heel weinig beweging.

Wat betreft de fraudebestrijding verwees de bewindsman ten slotte naar het eerder gevoerde vertrouwelijke overleg daarover. Het leek hem verstandig om ook nadere informatie daarover vertrouwelijk aan de Kamer voor te leggen.

De heer Witteveen (PvdA) voegde er nog aan toe dat door het directoraat generaal voor fiscale zaken en het directoraat generaal der belastingen afzonderlijke gesprekken zijn gevoerd met de branche-organisaties van gedestilleerd, wijn en sigaretten en shag. De strekking van die gesprekken was vrijwel hetzelfde: in theorie kan er veel mis zijn en soms zijn er ook vele geruchten. Met elke organisatie is de afspraak gemaakt om zodra er sprake is van iets meer dan een gerucht dat direct door te geven, desnoods vertrouwelijk, en dat het ministerie dat direct zal onderzoeken. Tot nu toe is daar echter heel weinig uitgekomen. Het was hem bekend dat er op dit punt in Engeland, waar de accijnsverschillen bewust veel groter zijn, veel grotere problemen zijn. De controle op sigaretten met de banderol schijnt redelijk sluitend te zijn. De controle op wijn is wat moeilijker. De controle op bier is d.m.v. retourflessen ook wel afdoende. De algemene indruk, ook van de branche zelf, is dat de controle redelijk verloopt.

4. De brief van de staatssecretaris d.d. 5 oktober 1995 inzake aanpassing kwijtscheldingsregeling met ingang van 1 januari 1996 (Fin95–420); – de brief van de plv. directeur-generaal voor fiscale zaken van het ministerie van Financiën d.d. 13 december 1995 inzake aanpassing kwijtscheldingsregeling per 1-1-1996 (Fin95–571); 5. De brief van de staatssecretaris d.d. 11 december 1995 inzake de Au-pairs (Fin95–566)

Mevrouw Van Zuijlen (PvdA) merkte op dat het overleg met staatssecretaris Van de Vondervoort inmiddels duidelijkheid heeft verschaft over de aanpassing van de kwijtscheldingsregeling en ging ervan uit dat deze kwestie bij de behandeling van de Armoedenota verder aan de orde komt. Vooralsnog stemde zij in met het afzien van aanpassing op basis van de nieuwe Bijstandswet. Wanneer kan overigens de evaluatie van de Beslagwet tegemoet worden gezien?

Het verheugde haar dat in overleg met de au-pair-organisaties een voor alle partijen bevredigende fiscale regeling tot stand is gekomen.

Mevrouw Giskes (D66) wees erop dat het juist in een periode waarin zoveel te doen is over de hoogte van de huren en de druk op woonlasten voor met name de minima van belang is om alert te blijven op kwijtscheldingsmogelijkheden. Bij huren kan gebruik worden gemaakt van de IHS, maar bij andere woonlasten is een dergelijk instrument niet beschikbaar. Daarom moet niet al te gemakkelijk worden gezegd dat de kwijtscheldingsmogelijkheden over een jaartje wel verder zullen worden bezien. Haars inziens moeten gemeenten in dat kader veel meer eigen mogelijkheden krijgen om iets te doen.

De heer Reitsma (CDA) sloot zich kortheidshalve aan bij de opmerkingen van mevrouw Van Zuijlen.

De staatssecretaris verwees naar de keiharde afspraken die met de Kamer zijn gemaakt over het traject dat met het kwijtscheldingsbeleid zal worden gevolgd. Er zijn afspraken gemaakt over het oprekken van de grenzen en gezegd dat dit beleid in het kader van de Armoedenota nader met de Kamer zal worden besproken.

Hij zegde toe bij het ministerie van Justitie na te vragen wanneer de evaluatie van de beslagwetgeving kan worden verwacht.

Ook hem verheugde het dat mede dankzij het optreden van de Kamer voor de au-pairs een goede regeling is getroffen.

De voorzitter van de commissie,

Ybema

De griffier van de commissie,

Van Overbeeke


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Schutte (GPV), Van Rey (VVD), Terpstra (CDA), Smits (CDA), Reitsma (CDA), Vliegenthart (PvdA), Ybema (D66), voorzitter, Schimmel (D66), Van Gijzel (PvdA), Witteveen-Hevinga (PvdA), Hillen (CDA), Hoogervorst (VVD), ondervoorzitter, Van Wingerden (AOV), Rabbae (GroenLinks), Voûte-Droste (VVD), Adelmund (PvdA), Giskes (D66), H.G.J. Kamp (VVD), Zonneveld (CD), Van Dijke (RPF), Van der Ploeg (PvdA), B.M. de Vries (VVD), Van Zuijlen (PvdA), Van Walsem (D66) en Ten Hoopen (CDA).

Plv. leden: Van der Vlies (SGP), Van Hoof (VVD), De Hoop Scheffer (CDA), Van der Linden (CDA), Wolters (CDA), Noorman-den Uyl (PvdA), Bakker (D66), Jeekel (D66), Van Zijl (PvdA), Liemburg (PvdA), De Jong (CDA), Rijpstra (VVD), Verkerk (AOV), Rosenmöller (GroenLinks), Hofstra (VVD), Crone (PvdA), Assen (CDA), M.M.H. Kamp (VVD), Marijnissen (SP), Leerkes (Unie 55+), Verspaget (PvdA), Hessing (VVD), Van Nieuwenhoven (PvdA) en Van de Camp (CDA).

Naar boven