23 030
Afschaffing fiscale grenzen

nr. 13
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 maart 1995

Hierbij bied ik u aan de effectrapportage afschaffing fiscale grenzen over de periode oktober–december 1994. Deze rapportage zond ik heden eveneens aan de Voorzitter van de Eerste Kamer.

In het vierde kwartaal van 1994 was er, naast het aanbrengen van verfijningen in de communautaire en nationale regelgeving inzake de btw en de accijnzen, sprake van een steeds intensiever gebruik van elektronische communicatie tussen ondernemers en de belastingdienst. Zo wordt in vervolg op een succesvol verlopen proef, thans een uitbreiding nagestreefd van aanlevering door ondernemers via diskette van de gegevens van intracommunautaire btw-leveringen door middel van EDI. Ook mag men, mede omdat sinds kort alle eenheden van de Belastingdienst rechtstreeks toegang hebben tot het voor Nederland bestemde deel van het VIES-systeem voor geautomatiseerde gegevens-uitwisseling tussen Lid-Staten, een toename van het aantal verzoeken om informatie, gericht aan andere Lid-Staten verwachten.

De Staatssecretaris van Financiën,

W. A. F. G. Vermeend

EFFECTRAPPORTAGE AFSCHAFFING FISCALE GRENZEN (OKTOBER–DECEMBER 1994)

1. Inleiding

In deze notitie wordt ingegaan op ontwikkelingen met betrekking tot het overgangsstelsel voor de btw en het communautaire accijnsstelsel in het vierde kwartaal van 1994.

2. EU-ontwikkelingen

2.1. BTW

In mijn brief van 24 november 1994 (kamerstukken II 1994–1995, 23 030, nr. 12) heb ik de Kamer geïnformeerd omtrent het door de Commissie van de Europese Gemeenschappen op 9 maart 1994 ingediende voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG en tot invoering van nieuwe vereenvoudigingsmaatregelen op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde – werkingssfeer en praktische regeling voor de toepassing van bepaalde vrijstellingen. Het streven van de Raad is er op gericht deze richtlijn – vaak aangeduid als tweede vereenvoudigingsrichtlijn btw – zo spoedig mogelijk vast te stellen. Het was niet mogelijk deze richtlijn al in 1994 vast te stellen omdat nog geen overeenstemming kon worden bereikt met betrekking tot de regeling voor btw-entrepots en de vrijstelling voor diplomaten en internationale instellingen in een andere Lid-Staat dan die van accreditatie of vestiging. Ook over het opnemen van een regeling voor de zogenoemde lange ketentransacties in deze richtlijn, waar sommige Lid-Staten sterk aan hechten, kon geen overeenstemming worden bereikt.

In dit verband merk ik voorts nog op dat de Europese Commissie een verslag aan de Raad en het Europees Parlement heeft aangeboden over de werking van de btw-overgangsregeling voor intracommunautaire transacties. Dat verslag waarin de werking van de overgangsregeling voor intracommunautaire transacties wordt geëvalueerd, heb ik de Kamer doen toekomen bij brief van 31 januari 1995.

Tevens heeft de Europese Commissie een verslag uitgebracht over de werking van de verlaagde btw-tarieven. De Commissie gaat puur technisch te werk en constateert dat er geen reden is voor wijziging in de limitatieve, facultatieve lijst van goederen en diensten waarop het verlaagde btw-brief van toepassing kan zijn. Zij stelt alleen voor, voor sierteeltprodukten aan alle Lid-Staten tot de inwerkingtreding van het definitieve btw-regime de mogelijkheid te geven het verlaagde btw-tarief toe te passen.

2.2. Accijnzen

Hoewel in de richtlijnen, waarbij de minimumtarieven zijn vastgesteld van de accijnzen, voorzien was in evaluatierapporten van de Europese Commissie, uit te brengen tegen ultimo 1994, werden deze nog niet ontvangen. Ik ben voornemens om, zodra deze evaluatierapporten zijn uitgebracht, de Kamer hierover te informeren.

3. Nationale positie bedrijfsleven

3.1. BTW

3.1.1. Bulkgoederen

Met het oog op de behoeften van het bedrijfsleven heb ik de bij de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 behorende bijlage I opnieuw uitgebreid. Via ministeriële regeling van 22 december 1994 (nr. WV94/614M, Stcrt. 252) zijn wederom enkele categorieën bulkgoederen vatbaar verklaard voor opslag in een btw-entrepot. De uitbreiding is ingegaan per 1 januari 1995.

3.1.2. Terugkerende goederen

Voor de heffing van omzetbelasting wordt een overbrenging van goederen van het bedrijf van een ondernemer naar een andere Lid-Staat met een intracommunautaire levering gelijkgesteld. Voorts leidt die overbrenging tot het aannemen van een intracommunautaire verwerving in de Lid-Staat van aankomst van de overbrenging. Met het oog op de vereenvoudiging van de heffing en de administratieve verplichtingen voor bedrijven is in EU-verband afgesproken het aannemen van een intracommunautaire levering en verwerving in bepaalde gevallen achterwege te laten. Het betreft situaties waarbij de geleverde goederen bij verkoper terugkeren, omdat de buitenlandse koper de gekochte goederen weigert te accepteren, na de levering de verkoopovereenkomst wordt ontbonden of de goederen worden teruggezonden in het kader van reparatie onder garantiebepalingen. Deze regeling is in Nederland bekend gemaakt bij Mededeling nr. 28 van 23 december 1994.

3.2. Accijnzen

3.2.1. 2e Vereenvoudigingsrichtlijn

Op 22 december 1994 is in de Raad de zogenaamde tweede vereenvoudingsrichtlijn accijns1 als a-punt aanvaard. De richtlijn bevat een groot aantal, merendeels technische aanpassingen ter vereenvoudiging en verduidelijking van de horizontale richtlijn accijns, de structuurrichtlijn minerale oliën en de tariefrichtlijn minerale oliën. Het betreft onder andere de aanwijzing van geleidedocumenten in geval van samenloop van de uitvoerprocedure en de accijnsregeling, de mogelijkheid van facultatieve zekerheidsstelling bij vervoer van minerale oliën over zee of via een pijpleiding, de ambtelijke aftekening van het geleidedocument in geval van verliezen, de aanwijzing van die minerale oliën waarvoor in het intracommunautaire verkeer een geleidedocument noodzakelijk is en de vrijstelling voor in hoogovens, voor doeleinden van chemische reductie, ingespoten minerale oliën. De richtlijn dient op 1 juli 1995 verwerkt te zijn in de nationale regelgeving.

4. Uitvoeringsaspecten

4.1. BTW

4.1.1. Intracommunautaire leveringen

Ongeveer 2000 ondernemers maken thans gebruik van de mogelijkheid de gegevens omtrent de intracommunautaire leveringen op diskette aan te leveren. Een beperkte proef met het aanleveren van deze gegevens door middel van EDI is succesvol gebleken. Een uitbreiding van het aantal ondernemers dat van EDI gebruik gaat maken, wordt nagestreefd.

Gelet op het vrij constante beeld dat berichtgeving omtrent de intracommunautaire leveringen al enige tijd vertoont, lijkt het mij dat op dit onderwerp in volgende rapportages, tenzij zich bijzonderheden voordoen, niet meer afzonderlijk behoeft te worden ingegaan.

4.1.2. Intracommunautaire verwervingen

Aan het in paragraaf 4.1.2 van de voorgaande effectrapportage geuite voornemen om aan de ondernemers die op de aangifte omzetbelasting geen melding hebben gemaakt van intracommunautaire verwervingen, en waarvan wel gegevens uit andere Lid-Staten zijn ontvangen, een brief te zenden, is inmiddels uitvoering gegeven. De circa 50 000 brieven hebben geleid tot een stroom van telefonische en schriftelijke reacties van de desbetreffende ondernemers. Opvallend daarbij was dat veel ondernemers verbaasd waren over het feit dat de Nederlandse belastingdienst over gegevens van verwervingen beschikt. De preventieve werking van het geautomatiseerde VIES-systeem is met dit soort acties dan ook zeer zeker gebaat.

Op de resultaten van de naar aanleiding van de mismatches ingestelde onderzoeken zal ik, zoals toegezegd tijdens het mondeling overleg met de vaste Commissie voor Financiën de dato 1 februari jl., ingaan bij de volgende effectrapportage.

4.1.3. Administratieve samenwerking

De basis van het VIES-systeem vormt de geautomatiseerde uitwisseling tussen de Lid-Staten. In de gevallen waarin de in het VIES-systeem opgeslagen informatie ontoereikend is, biedt artikel 5 van de Verordening 218/92 de mogelijkheid om aanvullende informatie te vragen. In 1994 heeft Nederland van andere Lid-Staten 132 verzoeken om aanvullende informatie ontvangen. Nederland heeft aan andere Lid-Staten in 111 gevallen om aanvullende informatie verzocht. De verwachting bestaat dat het aantal verzoeken om informatie aan andere Lid-Staten in 1995 zal stijgen, mede omdat sinds kort alle eenheden van de Belastingdienst rechtstreeks toegang hebben tot het voor Nederland bestemde deel van het geautomatiseerde VIES-systeem.

4.2. Accijnzen

Op het gebied van de accijnzen zijn geen bijzondere ontwikkelingen te melden. Het lijkt mij dat ook op dit onderwerp in volgende rapportages, tenzij zich bijzonderheden voordoen, niet meer afzonderlijk behoeft te worden ingegaan.

5. Fraude

Voor zover mocht blijken dat bij de naar aanleiding van de mismatches ingestelde onderzoeken sprake is van fraude in het kader van de omzetbelasting, zal daaraan, zoals toegezegd bij gemeld overleg met de vaste Commissie voor Financiën, aandacht worden besteed bij een volgende effectrapportage.

Voor wat betreft de accijnzen heeft de Nederlandse douane met het georganiseerde bedrijfsleven afgesproken dat fraudesignalen zullen worden doorgegeven aan het Douane Informatie Centrum. Naar aanleiding van die signalen zal de Nederlandse douane onderzoeken instellen. In het vierde kwartaal zijn echter geen fraudesignalen ontvangen.

6. Conclusie

In het vierde kwartaal van 1994 was er, naast het aanbrengen van verfijningen in de communautaire en nationale regelgeving inzake de btw en accijnzen, sprake van een steeds intensiever gebruik van elektronische communicatie tussen ondernemers en de belastingdienst. Zo wordt in vervolg op een succesvol verlopen proef, thans een uitbreiding nagestreefd van aanlevering door ondernemers via diskette van de gegevens van intracommunautaire btw-leveringen door middel van EDI. Ook mag men, mede omdat sinds kort alle eenheden van de Belastingdienst rechtstreeks toegang hebben tot het voor Nederland bestemde deel van het VIES-systeem voor geautomatiseerde gegevens-uitwisseling tussen Lid-Staten, een toename van het aantal verzoeken om informatie, gericht aan andere Lid-Staten verwachten.


XNoot
1

Richtlijn nr. 94/74/EG van de Raad van de Europese Unie tot wijziging van Richtlijn 92/12/EEG betreffende de algemene regeling voor accijnsprodukten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, Richtlijn 92/81/EEG betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op minerale oliën en Richtlijn 92/82/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de accijnstarieven voor minerale oliën (PbEG 365).

Naar boven