Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-201822452 nr. 58

22 452 Internationalisering van het onderwijs

Nr. 58 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 11 januari 2018

Hierbij zend ik u de reactie op het verzoek van de commissie Onderwijs, Cultuur en Wetenschap naar aanleiding van een bericht van het Dagblad van het Noorden d.d. 23 november jl. inzake «de benoeming van een Chinese partijsecretaris in bestuur van de voorgenomen RUG-campus Yantai».

In dit bericht wordt beschreven dat de Chinese overheid voornemens is om een functionaris van de Communistische Partij aan te stellen bij universiteiten van buitenlandse partners in China. Deze beleidswijziging zou bedoeld zijn om meer grip op het onderwijs te krijgen. Het artikel stelt dat de voorzitter van het College van Bestuur van de RUG, de heer Poppema, voornemens is om de president van de vestiging in China als de bedoelde functionaris te beschouwen, maar om daarnaast een door Groningen aan te stellen vice-chancellor te benoemen die verantwoordelijk zal zijn voor de inhoud van de opleidingen.

Ik ben van mening dat de academische vrijheid, ook aan een Nederlandse opleiding in het buitenland, nooit ter discussie mag staan. Academische vrijheid is een essentiële pijler van het Nederlandse hoger onderwijs. Docenten, studenten en onderzoekers dienen de vrijheid te hebben bij het geven of ontvangen van onderwijs hun eigen wetenschappelijke inzichten te volgen en daarbij niet afhankelijk te zijn van politieke, filosofische of wetenschapstheoretische opvattingen. Ik gaf dit ook aan in reactie op vragen van uw Kamer over de AMvB die ziet op het verzorgen van opleidingen in het buitenland (Kamerstuk 22 452, nr. 57). De signalen uit het artikel van het Dagblad van het Noorden waaraan in uw brief wordt gerefereerd, vind ik zorgwekkend. Mijn zorgen hierover zijn in een gesprek ook overgebracht aan de RUG.

Een Nederlandse instelling zal aan mij toestemming moeten vragen alvorens zij een opleiding in het buitenland mag verzorgen. Voordat een aanvraag in behandeling genomen wordt, moet er instemming zijn van de universiteitsraad of de betrokken medezeggenschapsraad van een bekostigde instelling.

Aan de toestemming is voorts een groot aantal eisen verbonden. Eén van de onderwerpen die onderdeel is van beoordeling is de academische vrijheid. Gezien het belang dat ik hecht aan de academische vrijheid, zal ik daar bij de beoordeling van een aanvraag niet lichtvoetig mee omgaan. Ook wanneer toestemming eenmaal verleend is, blijft het niet in acht nemen van de academische vrijheid een grond om de toestemming weer in te trekken.

Aanvragen voor het verzorgen van opleidingen in het buitenland, kunnen door instellingen worden ingediend vanaf het moment dat de wet- en regelgeving die dit mogelijk maakt is afgerond. Dat zal naar verwachting in het voorjaar van 2018 zijn. Dan kan ook de RUG een aanvraag indienen. Op dat moment zal ik bezien op welke wijze de RUG invulling geeft aan de maatregelen om de academische vrijheid te waarborgen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven