22 160
Regels op het gebied van de distributie van elektriciteit, gas en warmte (Wet energiedistributie)

nr. 17
VIERDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 30 oktober 1995

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 23i wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel b, komt te luiden:

b. het tegen geen of nagenoeg geen vergoeding leveren van goederen of diensten die verband houden met het bevorderen van een doelmatig gebruik van energie door verbruikers van elektriciteit, gas of warmte;

2. Na het eerste lid wordt, onder vernummering van het tweede en derde lid tot derde respectievelijk vierde lid, een nieuw lid ingevoegd, luidende:

2. Een rechtspersoon, aan wie een distributiebedrijf toebehoort, mag niet deelnemen in een commanditaire vennootschap, een vennootschap onder firma of een andere niet rechtspersoonlijkheid bezittende samenwerkingsvorm, die activiteiten verricht die deze rechtspersoon ingevolge het eerste lid niet zelf mag verrichten.

3. Aan het nieuwe derde lid wordt een volzin toegevoegd, luidende:

Als beoordeling van een dochtermaatschappij of een groepsmaatschappij wordt in ieder geval aangemerkt het verstrekken van gegevens over individuele verbruikers van elektriciteit, gas of warmte aan de dochtermaatschappij of de groepsmaatschappij.

4. Aan het artikel wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

5. De rechtspersoon, aan wie een distributiebedrijf toebehoort, voegt bij zijn jaarrekening een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek waaruit blijkt dat de financiële verhouding tussen de rechtspersoon en zijn dochtermaatschappijen en de met hem in een groep verbonden groepsmaatschappijen voldoet aan de in het derde lid gestelde eisen. Artikel 23h, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

B

In artikel 29 wordt «de artikelen 23g, 23h en 24» vervangen door: de artikelen 23g, 23h, 23i, vijfde lid, en 24.

C

Na artikel 29 worden twee nieuwe artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 29a

In artikel 2, zevende lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt in de laatste volzin, na onderdeel g, ingevoegd:

h. lichamen waarin een rechtspersoon, aan wie toebehoort een distributiebedrijf in de zin van de Wet energiedistributie, een belang heeft alsmede met zodanige rechtspersoon in een groep verbonden groepsmaatschappijen in de zin van artikel 24b van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, tenzij die lichamen of groepsmaatschappijen uitsluitend of nagenoeg uitsluitend water, gas, elektriciteit of warmte leveren;.

Artikel 29b

1. Indien het bij koninklijke boodschap van 18 september 1995 ingediende voorstel van wet houdende regels met betrekking tot de oprichting van de naamloze vennootschap N.V. RBB (Wet privatisering RBB) tot wet wordt verheven en in werking treedt op een eerdere datum dat het onderhavige voorstel van wet, wordt in artikel 29a «onderdeel g» gewijzigd in «onderdeel h» en wordt de onderdeelaanduiding «h» gewijzigd in «i».

2. Indien het bij koninklijke boodschap van 18 september 1995 ingediende voorstel van wet houdende regels met betrekking tot de oprichting van de naamloze vennootschap N.V. RB (Wet privatisering RBB) tot wet wordt verheven en in werking treedt op een latere datum dan het onderhavige voorstel van wet, wordt in het eerstgenoemde voorstel van wet in artikel 7 «onderdeel g» gewijzigd in «onderdeel h» en wordt de onderdeelaanduiding «h» gewijzigd in «i».

Toelichting

A

In dit onderdeel zijn een aantal aanscherpingen van de regels inzake het tegengaan van oneerlijke concurrentie opgenomen.

Omdat het in de gevallen waarin het wenselijk wordt geacht dat een distributiebedrijf activiteiten kan verrichten tegen geen of nagenoeg geen vergoeding altijd gaat om activiteiten ter bevordering van energiebesparing door verbruikers van elektriciteit, gas of warmte, is dit thans ook met zoveel woorden in artikel 23i, eerste lid, onderdeel b, opgenomen.

Uitgangspunt bij de regeling van artikel 23i is dat het distributiebedrijf – dat is vrijgesteld van vennootschapsbelasting – behalve de distributie zelf geen activiteiten verricht in concurrentie met anderen. Deze activiteiten dienen in een dochter- of groepsonderneming te worden ondergebracht. Het is de bedoeling dat deze rechtspersoon belastingplichtig zal zijn voor de vennootschapsbelasting. Artikel 23i liet nog de mogelijkheid open dat het distributiebedrijf de concurrerende activiteiten in een vennootschap onder firma of een commanditaire vennootschap onderbrengt. Civielrechtelijk hebben deze vennootschappen een afgescheiden vermogen. Deze vennootschappen worden echter fiscaal gezien transparant behandeld. Dit betekent dat niet de vennootschap zelf maar de vennoten worden belast voor hun winstaandeel. Wanneer een distributiebedrijf de concurrerende activiteiten zou onderbrengen in een vennootschap onder firma met bij voorbeeld een installatiebedrijf, dan wordt het winstaandeel van het distributiebedrijf als vennoot bij de eigen winst van het distributiebedrijf geteld en zou het winstaandeel op grond van artikel 2, zevende juncto derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 buiten de heffing blijven. Ten einde dit te voorkomen heb ik, na overleg met de Staatssecretaris van Financiën, besloten in een nieuw tweede lid van artikel 23i een verbod op deelnemingen in vennootschappen onder firma en commanditaire vennootschappen op te nemen. Om de regeling zo sluitend mogelijk te maken zijn met dergelijke vennootschappen gelijkgesteld andere samenwerkingsvormen die geen rechtspersoonlijkheid bezitten. Hierbij kan worden gedacht aan maatschappen of rechtsvormen naar buitenlands recht.

Een situatie waarin al snel bevoordeling door een distributiebedrijf van een dochter- of groepsonderneming aangenomen mag worden is de overdracht van informatie inzake individuele afnemers van het distributiebedrijf. Dit kan betrekking hebben op het verbruik van energie door de verbruiker of bij voorbeeld op gegevens omtrent diens installaties. Om te bereiken dat in zo'n geval niet meer hoeft te worden aangetoond dat van bevoordeling sprake is wordt met de voorgestelde aanvulling van artikel 23i, derde lid (was tweede lid), aangegeven dat de overdracht van dergelijke informatie in ieder geval als bevoordeling van de dochter- of groepsmaatschappij wordt aangemerkt.

Bij vermeende schending van artikel 23i kunnen belanghebbenden een vordering instellen bij de burgerlijke rechter. Veelal zullen zij bevoordeling van het dochterbedrijf kunnen bewijzen aan de hand van wat naar buiten blijkt. Moeilijker ligt het echter als het gaat om de interne financiële verhouding tussen het moeder- en dochterbedrijf. Om een effectieve controle hierop mogelijk te maken is het naar mijn mening wenselijk de eis te stellen van een accountantsverklaring waaruit blijkt dat de financiële verhouding tussen de rechtspersoon, die de energiedistributie verzorgt en zijn dochtermaatschappijen voldoet aan de eisen van het tweede lid. Dit betekent dat de accountant moet nagaan of aan de dochterbedrijven geen financiële voordelen zijn toegekend die niet aan bedrijven, met wie de dochter concurreert, zijn gegeven. Verder moet de accountant controleren of ook anderszins geen financiële voordelen zijn toegekend, die verder gaan dan in normaal handelsverkeer gebruikelijk is tussen een vennootschap en dochtermaatschappijen. Wat in het voorgaande is gesteld over de verhouding tot dochtermaatschappijen geldt ook voor de verhouding met maatschappijen die tot dezelfde groep behoren als het distributiebedrijf.

De accountantsverklaring moet voor een ieder ter inzage worden gelegd op het kantoor van de rechtspersoon en aan de Minister van Economische Zaken worden gezonden. Dit vloeit voort uit het van overeenkomstige toepassing verklaren van artikel 23h, derde lid.

Het niet voldoen aan de verplichtingen met betrekking tot de accountantsverklaring is ingevolge de in onderdeel B voorgestelde wijziging een economisch delict.

C

Het blijkt niet in alle gevallen onomstotelijk vast te staan dat een dochteronderneming van een distributiebedrijf die activiteiten verricht die het distributiebedrijf ingevolge artikel 23i, eerste lid, niet zelf mag verrichten, belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting. Distributiebedrijven zijn namelijk nagenoeg allemaal ondergebracht in NV's of BV's waarvan de aandelen voor 100% in handen zijn van gemeenten en provincies. Dergelijke lichamen vallen onder artikel 2, zevende lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en zijn niet belastingplichtig zolang zij naast het leveren van energie en water niet meer dan 10% andere activiteiten verrichten. Wanneer een distributiebedrijf een 100% dochtermaatschappij opricht, dan zijn de aandelen in die dochter voor 100% middellijk in handen van publiekrechtelijke rechtspersonen en zou de dochter ook weer onder de toepassing van artikel 2, zevende lid, kunnen vallen. Of zo'n dochteronderneming belastingplichtig is zal dan afhangen van de werkzaamheden die zij verricht. Zij is belastingplichtig indien en voor zover de activiteiten kunnen worden aangemerkt als het uitoefenen van een bedrijf als bedoeld in artikel 2, derde lid. In het kader van discussie ontstaan over de kwalificatie van bedrijfsactiviteiten die bij voorbeeld een dienstverlenend karakter hebben. Ten einde iedere twijfel omtrent belastingplicht van deze lichamen voor de vennootschapsbelasting weg te nemen, stel ik, na overleg met de Staatssecretaris van Financiën, voor de dochtermaatschappijen van distributiebedrijven en de met hen in een groep verbonden groepsmaatschappijen uit te sluiten van de toepassing van artikel 2, zevende lid, eerste zin, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Artikel 29a strekt daartoe. Om voor de hand liggende redenen zijn de dochter- en groepsondernemingen die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend water, gas, elektriciteit en warmte leveren daarop weer uitgezonderd, zodat zij niet belastingplichtig zijn.

De Minister van Economische Zaken,

G. J. Wijers

Naar boven