Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 22112 nr. 4352 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 22112 nr. 4352 |
Vastgesteld 20 mei 2026
De vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Klimaat en Groene Groei over de brief van 10 april 2026 over het Fiche «Verordening Industrial Accelerator Acts» (Kamerstuk 22 112, nr. 4306).
De vragen en opmerkingen zijn op 24 april 2026 aan de Minister van Klimaat en Groene Groei voorgelegd. Bij brief van 20 mei 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Zwinkels
Adjunct-griffier van de commissie, Teske
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
1.
De leden van de D66-fractie delen de kanttekening van het kabinet bij de harde en generieke doelstelling dat het aandeel van de maakindustrie in het Europese bruto binnenlands product (bbp) in 2035 20% moet bedragen. Een algemene kwantitatieve norm zegt op zichzelf immers weinig over de strategische relevantie, weerbaarheidsbijdrage of toekomstbestendigheid van industriële activiteiten. Deze leden menen dat een logischer route is om per cruciale sector een gedegen analyse te maken van welke importafhankelijkheden acceptabel zijn en welke niet, en van daaruit terug te redeneren naar de benodigde Europese productiecapaciteit. Is de Minister bereid zich in de onderhandelingen in te spannen voor een aanpak waarin de overkoepelende industriële ambitie wordt onderbouwd met een sectorale analyse van risicovolle importafhankelijkheden, in lijn met de werkwijze van de interdepartementale Taskforce Strategische Afhankelijkheden? Op welke wijze wil de Minister voorkomen dat de 20%-doelstelling in de praktijk tot ongerichte of inefficiënte steun aan bestaande sectoren leidt in plaats van gericht op te bouwen waar Europa écht kwetsbaar is?
Antwoord
Zoals aangegeven in het BNC-fiche over de IAA heeft het kabinet vraagtekens bij de effectiviteit van het hanteren van een bindende generieke doelstelling van 20% voor het aandeel van de maakindustrie in het BBP van de EU in 2035. Een streefwaarde kan echter wel stimulerend werken en onderstreept daarmee het belang van een sterke industriële basis. Daarom pleit het kabinet in de onderhandelingen voor een gedegen onderbouwing achter de 20% doelstelling en wordt uitgedragen dat de doelstelling een middel is ter bevordering van de opbouw en bestendiging van de (schone) industriële basis. De Europese Commissie (hierna de Commissie) heeft aangegeven dat deze streefwaarde niet bindend is. Het kabinet zal zich inzetten dat deze streefwaarde niet-bindend blijft.
In lijn met de inzet van de interdepartementale Taskforce Strategische Afhankelijkheden en de inzet uit de Kamerbrief Industriebeleid met Focus1 zet het kabinet in op het versterken van strategische sectoren die bijdragen aan het Nederlands en Europees verdienvermogen, weerbaarheid en verduurzaming. Het kabinet zal dan ook blijven pleiten voor gerichte interventies in alleen die sectoren die bijdragen aan deze driehoek van weerbaarheid, concurrentievermogen en verduurzaming.
2.
De leden van de D66-fractie steunen van harte de inzet van het kabinet om op Europees niveau een uitzondering te verkennen waarmee soepeler kan worden omgegaan met tijdelijke stikstofemissies van industriële verduurzamingsprojecten, mits structurele verbetering van natuur, klimaat en leefomgeving op lange termijn is geborgd. Juist in de meest vervuilende clusters dreigen verduurzamingsprojecten vast te lopen op procedures die paradoxaal genoeg de transitie vertragen. Kan de Minister toelichten welke concrete stappen zij zet om deze uitzondering daadwerkelijk in de IAA-onderhandelingen te verankeren, op welke termijn de Kamer hierover mag worden geïnformeerd en met welke lidstaten zij als coalitie optrekt om dit over de streep te krijgen?
Antwoord
Allereerst kijkt het kabinet hoe een dergelijke uitzondering juridisch vormgegeven kan worden en vervolgens waar in de IAA de uitzondering het beste zou kunnen landen. Dit is ook noodzakelijk om juridisch te borgen dat een structurele verbetering voor natuur, milieu en leefomgeving wordt bewerkstelligd. Het kabinet zal de wens om deze uitzonderingen in de IAA op te nemen kenbaar maken bij de Commissie. De onderhandelingen over de IAA vinden plaats via de Raad voor Concurrentievermogen (RvC). De Kamer wordt via de gebruikelijke manier over de inzet rondom de RvC geïnformeerd. Daarbij zal ook de inzet voor de IAA, de voortgang van de onderhandelingen en het krachtenveld aan bod komen.
3.
De leden van de D66-fractie constateren dat het kabinet EU-oorsprongseisen met terughoudendheid benadert. Deze leden wijzen erop dat de voorgestelde eisen uitsluitend gelden voor publieke aanbestedingen en gesubsidieerde projecten. In die context is er reden om met een open blik naar het instrument te kijken. Daarbij is het cruciaal om een duidelijk onderscheid te maken tussen oorsprongseisen voor cleantech (zonnepanelen, batterijen, elektrolysers, warmtepompen) en voor producten van de groene basisindustrie (staal, cement, aluminium). Deze markten werken fundamenteel verschillend. Voor cleantech is de Europese afhankelijkheid van met name China reeds zo groot dat te ongerichte toepassing van oorsprongseisen het tempo en de betaalbaarheid van de energietransitie kan ondermijnen; hier is juist terughoudendheid geboden. De groene basisindustrie daarentegen is een nog opkomende sector waarin Europa nu een strategische positie kan opbouwen – hier vormen gerichte oorsprongseisen eerder een kans om toekomstige afhankelijkheden te voorkomen dan een risico. Is de Minister bereid dit onderscheid in de onderhandelingen expliciet te hanteren?
Antwoord
Het kabinet is terughoudend met het inzetten van een EU-voorkeursprincipe. Het principe kan worden ingezet om de weerbaarheid van de Unie te versterken en, wanneer minder ingrijpende maatregelen of inzet van bestaande handelsinstrumenten ontoereikend zijn, om strategische markten te stimuleren die essentieel zijn voor de lange termijn weerbaarheid van de Unie. Hierbij dienen per sector, waardeketen of industrie zorgvuldig de baten afgewogen te worden tegen de kosten.2 Per product of sector zal een afweging gemaakt worden hierover of inzet van het instrument gerechtvaardigd is. Door deze afweging kan per product of sector onderscheid worden gemaakt tussen verschillende productgroepen in de onderhandelingen.
4.
Kan de Minister per productgroep waarop de oorsprongseisen van toepassing worden, inzichtelijk maken welke productiecapaciteit er momenteel in de Europese Unie (EU) aanwezig is en welke potentiële nieuwe producenten daarbij komen kijken, zodat de Kamer kan beoordelen of de eisen in de praktijk haalbaar en effectief zijn?
Antwoord
Voor clean tech kan dit inzicht gedeeltelijk en op hoofdlijnen worden geboden via de clean tech (inclusief elektrische voertuigen) tracker van Bruegel. Deze tracker biedt inzicht in de bestaande productiecapaciteit binnen de EU en, waar mogelijk, in aangekondigde productie-initiatieven. Daarbij moet worden opgemerkt dat het inzicht in toekomstige capaciteit afhankelijk is van marktontwikkelingen en beschikbare publieke informatie, en daarmee niet in alle gevallen volledig of definitief is. De cijfers dienen als indicatief te worden beschouwd. Voor de andere sectoren heeft het kabinet de Commissie gevraagd hun impact assessment uit te breiden met deze informatie.
5.
De leden van de D66-fractie delen de zorg van het kabinet dat de Industrial Accelerator Act (IAA) qua vraagcreatie te beperkt is opgezet: de chemiesector ontbreekt als prioritaire sector in de productnormen, en CO2-labels zijn vooralsnog uitsluitend vrijwillig. In het debat Verduurzaming Industrie hebben deze leden reeds gewezen op de cruciale rol van groene chemie voor vrijwel alle andere maakindustrie in Nederland, en op de noodzaak van een ambitieuze verankering in Europees marktbeleid in plaats van uitsluitend aanbodgerichte subsidies. Het kabinet pleit zelf in zijn non-paper voor verplichte labels en een bredere reikwijdte; de uitwerking via de Critical Chemicals Alliance en gedelegeerde handelingen mag niet betekenen dat de chemie pas over jaren daadwerkelijk wordt meegenomen.Is de Minister bereid zich hard te maken voor verplichte CO2- en recyclaatlabels, in elk geval voor staal en in aansluiting op de Ecodesign-eisen, en een heldere commitment van de Commissie om binnen een afzienbare termijn met een concreet voorstel voor vraagcreatie-instrumenten voor de chemiesector te komen, zodat de route via de Critical Chemicals Alliance niet leidt tot jarenlang uitstel?
Antwoord
Het kabinet is bereid te kijken hoe verplichte CO2- en recyclaatlabels voor de staalsector vormgegeven kunnen worden. Het is hierbij ook van belang de samenhang met de bestaande Ecodesign regelgeving en regelgeving in het kader van de Construction Products Regulation te borgen. Dit is mede noodzakelijk om te voorkomen dat onnodig extra regeldruk ontstaat. Daarnaast moet er voldoende oog zijn voor conformiteit van een dergelijke maatregel met internationale verplichtingen van de EU en de impact op (handels) relaties met derde landen. Het kabinet heeft vertrouwen dat de Commissie via de Critical Chemicals Alliance nog voor het najaar met concrete beleidsaanbevelingen voor vraagcreatie komt. Daarmee draagt het kabinet actief bij aan vraagcreatie voor de chemische sector. De IAA borgt in voldoende mate dat de adviezen van deze alliantie snel in concrete wetgeving omgezet kunnen worden door de Commissie.
6.
Welke additionele sectoren heeft de Minister daarnaast nog op het oog voor vraagcreatiemaatregelen?
Antwoord
Het kabinet acht het van belang om voor meerdere sectoren specifieke analyses te maken in welke mate en hoe vraagcreatie kan worden vormgegeven. De benodigde interventiemaatregelen zullen namelijk per sector verschillen. Gezien de inhoud van de IAA wordt eerst gekeken naar energie-intensieve industrieën, zoals de chemische sector, de keramieksector, de glassector, de kunstmestsector (voor zover niet geadresseerd binnen de Critical Chemical Alliance), de metaalverwerking en de papiersector. Daarnaast wordt er ook in andere sectoren (niet-energie intensieve industrie zoals automotive en agro-industrie) bezien welke vraagcreatiemaatregelen nodig zijn.
7.
De leden van de D66-fractie lezen dat de Europese Commissie de verordening voor het eerst twee jaar na inwerkingtreding zal evalueren, en daarna iedere drie jaar. Gegeven de urgentie van de problematiek in de chemiesector, de reeds geconstateerde lacunes in de reikwijdte van de vraagcreatie-instrumenten en de snelheid waarmee strategische sectoren zich ontwikkelen, achten deze leden een eerste evaluatiemoment na twee jaar laat – zeker als deze evaluatie de opstap moet vormen voor een dringend nodige verbreding. Is de Minister bereid zich in de onderhandelingen in te zetten voor een vervroegd herzienings- of evaluatiemoment – bijvoorbeeld achttien maanden na inwerkingtreding – waarbij de sectorale reikwijdte van de vraagcreatie-instrumenten en de effectiviteit van de koolstofarme productnormen expliciet tegen het licht worden gehouden?
Antwoord
Het voorgestelde herzienings- en evaluatiemoment is met name bedoeld voor de maatregelen die daadwerkelijk van kracht gaan worden nadat de IAA is aangenomen. De reikwijdte van de IAA wordt, als het aan het kabinet ligt, doorlopend tegen het licht gehouden om te kijken of, waar en hoe uitbreiding eventueel noodzakelijk is. Een eerder evaluatiemoment is waarschijnlijk niet opportuun, aangezien het bij veel van de maatregelen ook enige tijd kost voordat de effecten en daarmee effectiviteit meet- en zichtbaar worden. Het is hierbij wel van belang dat de gekozen evaluatiemomenten in lijn zijn met een eventuele stapsgewijze ophoging van productnormen.
8.
De leden van de D66-fractie delen de zorg van het kabinet over mogelijke doublures tussen de Foreign Direct Investment (FDI)-toetsing onder hoofdstuk IV van de IAA, de bestaande FDI-screeningsverordening (2019/452) en de lopende herziening daarvan (COM(2024) 23), naast het nationale kader onder de Wet Vifo. Tegelijkertijd hebben recente casussen – waaronder de ontwikkelingen rond Nexperia – laten zien dat dit instrumentarium op kritieke punten tekortschiet wanneer het aankomt op bescherming van strategische sectoren en sensitieve technologie. Deze leden zien in het IAA-traject aanleiding om niet uitsluitend te focussen op het voorkomen van doublures, maar juist op het gerichter en slagvaardiger maken van het Europese FDI-kader als geheel. Op welke concrete wijze zet de Minister zich in om de samenhang tussen de IAA-bepalingen, de herziene FDI-screeningsverordening en het nationale instrumentarium zodanig vorm te geven dat doublures worden voorkomen én het geheel beter wordt toegerust op de bescherming van strategische sectoren en sensitieve technologie, mede in het licht van de lessen uit de Nexperia-casus?
Antwoord
Het kabinet is scherp op de overlappende elementen tussen de FDI-bepalingen in de IAA en de voorgestelde herziene FDI-screeningsverordening. In onze inzet in Brussel pleiten we ook voor duidelijke afbakening en het voorkomen van doublures. De toetsing van de IAA richt zich op weerbaarheid, waar de huidige FDI-screeningsverordening zich richt op economische veiligheid. Het kabinet ziet daarbij weerbaarheid als een overkoepelend begrip, gericht op het vermogen om maatschappelijke, economische en veiligheidsrisico’s op te vangen en strategische kwetsbaarheden te verminderen. Economische veiligheid is hier onderdeel van de nationale veiligheid. Het gaat daarbij onder meer om het beschermen van vitale economische processen, kritieke infrastructuur, sleuteltechnologieën en waardeketens, het verminderen van risicovolle strategische afhankelijkheden en het voorkomen van ongewenste kennis-, technologie- en kapitaalstromen die de nationale veiligheid kunnen raken. Open strategische autonomie raakt vervolgens aan het vermogen van Nederland en de EU om zelfstandig en weerbaar te handelen, terwijl tegelijkertijd een open economie behouden blijft.
Deze voorstellen moeten dus complementair aan elkaar zijn, en niet in elkaars vaarwater zitten en nationale bevoegdheden beperken. Ook kijkt het kabinet naar de samenhang met de Foreign Subsidies Regulation en het handelsdefensief instrumentarium. Voor de precieze tekstuele uitwerking zijn we nog aanvullend onderzoek aan het doen naar de wenselijkheid van het inzetten van bepalingen op gebied van FDI-screening.
9.
De leden van de D66-fractie constateren dat bij een aantal lidstaten de tendens bestaat om het concurrentievermogen ten koste van verduurzaming te willen versterken, onder andere door te pleiten voor verzwakking van het EU Emissions Trading System (EU ETS). Deze leden waarderen het dat Nederland zich, samen met gelijkgezinde landen, hard heeft gemaakt voor behoud van het ETS als hoeksteen van het Europese klimaatbeleid. De IAA moet het ETS ondersteunen door de transitie te versnellen, niet ondergraven door klimaatambitie af te zwakken. Kan de Minister bevestigen dat het kabinet deze lijn onverkort vasthoudt gedurende het gehele IAA-traject, inclusief het aangekondigde 2040-maatregelenpakket?
Antwoord
Het kabinet zet zich richting de aanstaande ETS1-herziening in juli 2026 in voor een sterk EU ETS en zal deze lijn ook bij de publicatie van de diverse relevante EU-wetgevingstrajecten uitdragen, zoals rondom de IAA en richting het 2040-pakket dat wordt verwacht in het vierde kwartaal van 2026.
10.
Hoe zorgt de Minister ervoor dat deze lijn actief wordt uitgedragen in de coalities die rond de IAA worden gevormd, zodat de IAA daadwerkelijk een instrument wordt om versnelling te realiseren, in plaats van een achterdeur om bestaand klimaatinstrumentarium open te breken?
Antwoord
Het kabinet ziet de IAA als belangrijk instrument om de klimaatdoelen van 2040 en 2050 te behalen. Bij het vormen van of samenwerken in eventuele coalities zal de hierboven geschetste lijn actief uitgedragen worden in bijvoorbeeld de Raad voor Concurrentievermogen, de Milieuraad en de Energieraad, maar ook in eventuele non-papers en gesprekken met lidstaten. Daarbij zal het kabinet tijdens de onderhandelingen eventuele veranderingen in de wetteksten toetsen aan de klimaatdoelen.
11.
De leden van de D66-fractie constateren dat de IAA bij publieke aanbestedingen en steunregelingen vooralsnog uitgaat van relatief bescheiden percentages koolstofarm materiaal (25% voor staal, 5% voor cement, 25% voor aluminium). Daarnaast beperkt de voorgestelde vraagcreatie zich in de praktijk tot overheidsinkoop, terwijl juist veel energie-intensieve producenten – zoals de Nederlandse staalsector – nauwelijks aan de overheid leveren. Daarmee bereikt het instrument een beperkt deel van de markt, en ontstaat het risico dat publieke subsidies onbedoeld ten goede komen aan niet-Europese producenten in plaats van aan de Europese verduurzaming die de IAA beoogt. Is de Minister bereid zich in te zetten voor een ambitieuzer ingroeipad voor de koolstofarme productnormen dat synchroon loopt met de opschaling van schone productiecapaciteit in de EU en een uitbreiding van vraagcreatiemaatregelen naar private afnemers waarbij Nederland vasthoudt aan zijn eerdere inzet voor een harde afnameverplichting voor koolstofarme materialen, aangevuld waar passend met fiscale prikkels voor bedrijven die Europees geproduceerde, koolstofarme materialen afnemen – zodat de IAA ook de energie-intensieve sectoren buiten het bereik van overheidsinkoop daadwerkelijk raakt?
Antwoord
Het kabinet is bereid te kijken naar ambitieuzere ingroeipaden voor koolstofarme productnormen die synchroon moeten lopen met de opschaling van schone productiecapaciteit in de EU. Hierbij is het van belang dat de definitie van koolstofarm duidelijk en eenduidig is binnen de Unie, dat deze norm niet leidt tot disproportionele kostenstijgingen en dat de randvoorwaarden voor schone productieprocessen op orde zijn. Ook zal het kabinet zich inzetten voor een stapsgewijze ophoging van de productnormen, zodat ook op lange termijn meer investeringszekerheid wordt geboden aan producenten die willen verduurzamen. Het kabinet is daarnaast voornemens ook te kijken hoe, naast publieke afnemers, ook private afnemers meer gestimuleerd kunnen worden om schone producten af te nemen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
12.
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het ingezonden fiche en hebben hierover nog enkele vragen en aandachtspunten. De leden van de VVD-fractie kijken positief naar het onderliggende doel van de Europese Commissie om de economische veiligheid, strategische autonomie en concurrentiekracht van de EU te versterken door de industriële capaciteit en verduurzaming in strategische sectoren te versnellen en de werking van de interne markt te verbeteren. De VVD acht het noodzakelijk dat er ook op Europees niveau stappen gezet worden om de eigen industrie te versterken; het is dan ook goed dat de Europese Commissie hier voorstellen voor doet. Tegelijkertijd hebben deze leden vragen over een aantal onderdelen van het voorstel. De harde generieke doelstelling van 20% van het aandeel van de maakindustrie in het bbp in 2035 zegt inderdaad op zichzelf weinig over de strategische relevantie of kwaliteit van de industriële kwaliteiten. Heeft de Europese Commissie overwogen om in plaats van een harde doelstelling uit te gaan van een streefwaarde? En waarom heeft de Europese Commissie vervolgens deze afweging gemaakt? Hoe verwacht de Minister dat een generieke doelstelling bijdraagt aan het behoudt van strategische en toekomstbestendige industrie in Nederland? Welk effect zal deze doelstelling hebben op het investeringsklimaat in Europa en in Nederland? Heeft de Minister daarnaast zicht op eventuele handelsbelemmeringen als gevolg van de IAA?
Antwoord
Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 1 deelt het kabinet de twijfels bij de onderbouwing van de 20% doelstelling. De Commissie heeft echter aangegeven de 20% norm te zien als een niet-bindende doelstelling die daarmee dus ook geïnterpreteerd kan worden als een streefwaarde. Met deze streefwaarde beoogt de Commissie een duidelijke richting en een signaal van ambitie en urgentie af te geven ten aanzien van het versterken van de Europese industriële basis. Het kabinet is van mening dat een streefwaarde in dit kader wel een stimulerende werking kan hebben. Een dergelijke benadering sluit aan bij de kabinetsdoelstelling, zoals opgenomen in het nationale industriebeleid, om te komen tot een sterke, innovatieve en gediversifieerde industrie van 15% van het BBP.
Het willen bereiken van de 20% doelstelling voor maakindustrie in de EU is op zichzelf geen doelstelling die een handelsbelemmerende werking heeft. Zoals ook aangegeven in het BNC-fiche is het kabinet van mening dat maatregelen in het kader van de IAA proportioneel en verenigbaar met internationale juridische verplichtingen dienen te zijn zoals de WTO.
13.
De leden van de VVD-fractie lezen op het gebied van versnelling van vergunningsverlening dat de impact van de IAA naar verwachting niet zal leiden tot snellere vergunningsverlening. Tegelijkertijd voegt de Europese Commissie nieuwe regels toe die kunnen leiden tot complexere procedures. Wat is de inzet van de Minister om ervoor te zorgen dat het effect van de IAA zal zijn dat procedures onder de streep worden versimpeld?
Antwoord
De inzet is dat de lidstaat de benodigde implementatievrijheid heeft om de gestelde doelen en middelen van de IAA in te passen in de bestaande procedures. Digitalisering en coördinatie tussen instanties zijn positieve aspecten voor het stroomlijnen van vergunningverlening. Dit moet echter niet leiden tot extra procedurele stappen. Daarom is het van belang dat de implementatie van de IAA-maatregelen landt op de plek waar dat nationaal het best past. Nederland heeft al goede stappen gezet op het gebied van digitalisering en coördinatie van vergunningverlening. Versnelling van vergunningverlening in Nederland kan o.a. worden gerealiseerd door soepeler om te gaan met (tijdelijke) stikstofemissies van industriële verduurzamingsprojecten en ruimte te bieden voor het bevoegd gezag om innovatieve en first-of-a-kind technieken te vergunnen. Dit laatste wordt onder andere beoogd met de recent gepubliceerde milieuomnibus. Het is van belang dat hier niet alleen in individuele gevallen ruimte voor wordt geboden, maar dat de Commissie en lidstaten zich inzetten om de normstelling te moderniseren, met name voor de energie-intensieve industrie in het licht van de energie- en klimaattransitie.
14.
Daarnaast lezen deze leden dat de versnelling zich inzet op de behandelfase en niet op de voorbereiding- en beroepsfase. Ziet de Minister ruimte om binnen de IAA meer focus aan te brengen voor versoepeling van de procedure op het gebied van de voorbereiding- en beroepsfase?
Antwoord
Ja. In lijn met de Kamerbrief «Samenhangende aanpak Landbouw, Natuur en Stikstof» verkent het kabinet de mogelijkheid om op Europees niveau een uitzondering te krijgen die het mogelijk maakt om soepeler om te gaan met (tijdelijke) stikstofemissies van industriële verduurzamingsprojecten, mits structurele verbetering van natuur, klimaat en leefomgeving voor de lange termijn hierbij is geborgd. Een dergelijke uitzondering kan voor verschillende verduurzamingsprojecten in de industrie de vergunningverlening aanzienlijk versnellen. Versnelling in de voorbereidende fase kan worden gerealiseerd door heldere eisen voor een complete vergunningsaanvraag en beter contact tussen aanvrager en vergunningverlener over planning en verwachtingen te bevorderen. Hiervoor biedt de IAA op dit moment geen handvatten, anders dan een beperking op het aantal keren dat het bevoegd gezag om aanvullende informatie kan vragen. Deze aanvullende beperking zal naar verwachting het proces niet soepeler maken. De focus van de IAA ligt hiermee te weinig op het verbeteren van de transparantie en communicatie van de vergunningverlening. Voor de beroepsfase zijn er nationaal middelen om deze te versnellen of in te korten, wanneer het bijvoorbeeld gaat om projecten van publiek belang die gebruikmaken van de projectprocedure. Het kabinet is terughoudend met het generiek inperken van de beroepsfase omdat hiermee ook de rechtsbescherming onder druk kan komen. Hiervoor moet altijd een gedegen afweging worden gemaakt.
15.
De leden van de VVD-fractie ondersteunen de gedachte achter de IAA dat wil voorkomen dat landen als China delen van onze kritieke (energie)infrastructuur in handen krijgen. Tegelijkertijd kan de handelsrelatie met bevriende derde landen, als het Verenigd Koninkrijk en Canada, onder druk komen te staan door deze richtlijn. Hoe zet de Minister zich ervoor in dat bedrijven uit bevriende landen als het VK en Canada nog zin zien om te investeren in Europa? Hoe heeft de impact assessment rekening gehouden met deze bepaling? Is in de uitwerking rekening gehouden met de Nederlandse context van een open handelseconomie? Heeft de Minister zicht op de uitvoeringscomplexiteit voor bedrijven naar aanleiding van de EU-oorsprongseisen?
Antwoord
Zoals ook aangegeven in het BNC-fiche, benadert het kabinet vormen van een Europees voorkeursprincipe met terughoudendheid, onder meer omdat een dergelijk principe toegang tot en aantrekkelijkheid van de Europese afzetmarkt kan beperken, terwijl het onderhouden van goede economische betrekkingen met derde landen juist in het Nederlands en Europees belang is. Niet alleen vanwege de diversificatie-mogelijkheden die dit ten aanzien van risicovolle strategische afhankelijkheden met zich meebrengt, maar ook omdat de Nederlandse welvaart sterk afhankelijk is van open handel. In dit kader is het kabinet dan ook van mening dat een Europees voorkeursprincipe zo min mogelijk verstorend moet zijn voor open handel tussen de EU en derde landen, tenzij vanuit de optiek van borging van onze economische weerbaarheid aanleiding bestaat voor een andere afweging. Door blijvend te toetsen aan proportionaliteit, tijdelijkheid en doelmatigheid, kan onbedoelde negatieve impact op derde landen beperkt blijven, en is de positie verenigbaar met de Nederlandse open handelseconomie. Het impact assessment kijkt naar de impact op internationale handel. Het kabinet hecht veel waarde aan goede (handels) relaties met gelijkgestemde landen. Signalen uit deze landen over mogelijke handelsbelemmerende werking van de IAA zal het kabinet daarom serieus nemen en trachten te verhelpen.
16.
De leden van de VVD-fractie vinden het daarnaast niet wenselijk dat de Europese Commissie de bevoegdheid naar zich toetrekt om op eigen initiatief transacties te toetsen en zo nodig te blokkeren. Hoe gaat de Minister zich inzetten om ervoor te zorgen dat deze bevoegdheid bij de individuele lidstaten blijft? Tevens geeft de impact assessment geen duidelijkheid over de extra kosten voor de notificatieplicht van buitenlandse investeringen. Gaat de Minister pleiten voor een impact assessment van deze notificatieplicht? Welke impact zal deze plicht hebben op het investeringsklimaat in Nederland?
Antwoord
Het kabinet zet zich in voor het behoud van de bevoegdheid van lidstaten om buitenlandse investeringen te toetsen, zoals vastgelegd in de FDI-screeningsverordening (EU 2019/452). Ook na de herziening in 2026 blijft de nationale besluitvorming leidend, waarbij de Commissie een coördinerende rol speelt. De Commissie heeft geen eigen bevoegdheid om investeringen te blokkeren, tenzij er sprake is van een significant risico voor de veiligheid of openbare orde op EU-niveau. In de context van de IAA benadrukt het kabinet opnieuw dat de nationale toetsingsbevoegdheid behouden blijft. De Commissie krijgt daarbij een adviserende rol bij de beoordeling van investeringen in strategische sectoren. Het kabinet pleit ervoor dat de rol van de Commissie niet leidt tot onbeperkte bevoegdheden om investeringen te blokkeren, en dat de voorgestelde maatregelen proportioneel en passend blijven in het kader van de bescherming van Europese strategische belangen. Wat betreft de notificatieplicht voor buitenlandse investeringen, wordt het impact assessment momenteel verder geëvalueerd. Het kabinet zet zich in voor een gedegen impact assessment dat niet alleen de administratieve lasten, maar ook de effecten op het investeringsklimaat in Nederland, zorgvuldig in kaart brengt. Het doel is om te waarborgen dat de notificatieplicht niet onterecht belemmerend werkt voor investeringen in Nederland.
17.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de IAA geen specifieke maatregelen voor de chemiesector bevat. Tegelijkertijd is het juist de chemische industrie die het in Nederland zwaar heeft. Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat de chemie-industrie wordt meegenomen binnen de IAA?
Antwoord
Horizontale maatregelen die de Commissie in de IAA introduceert, zoals op het gebied van versnelling van vergunningverlening en de aanduiding van industriële versnellingsgebieden, zijn ook van toepassing op de chemie-industrie. Meer specifieke Europese beleidsmaatregelen voor de chemische industrie (bijvoorbeeld in het kader van vraagcreatie) worden op dit moment primair uitgedacht in het kader van de Critical Chemical Alliance (CCA). Artikel 16 van de IAA ziet toe op implementatie van de aanbevelingen van de CCA, voor zover deze betrekking hebben op vraagcreatie. Het kabinet erkent de strategische waarde van de chemische industrie voor Nederland, alsook de lastige concurrentiepositie waar zij zich momenteel in bevindt. Het kabinet zal er bij de Commissie op aandringen dat de aanbevelingen die voortvloeien uit de CCA zo snel mogelijk worden geïmplementeerd, zowel in het kader van de IAA als daarbuiten.
18.
Hoe gaat de Minister daarnaast aandacht vragen voor de rol van plasticrecyclers en hun rol in de toekomstbestendige plasticketen?
Antwoord
Het kabinet hecht grote waarde aan de rol van (plastic)recyclers in huidige en toekomstige waardeketens. Momenteel wordt nog bezien of maatregelen voor deze sector in de IAA moeten worden meegenomen, of dat deze adequaat zullen worden geadresseerd in de aankomende Circular Economy Act (CEA). Het Commissievoorstel voor de CEA staat gepland voor het vierde kwartaal van 2026. Daarnaast richt ook de Critical Chemical Alliance, werkgroep Lead Markets, zich op sustainable carbon inclusief gerecycleerde plastics. De beleidsvoorstellen die vanuit dit gremium vóór het najaar aan de EC zullen worden gepresenteerd kunnen daarmee ook de vraag naar gerecycleerde plastics aanjagen.
19.
De leden van de VVD-fractie delen de kritiek van het kabinet als het gaat om het verplicht aanwijzen van versnellingsgebieden. Hoe gaat de Minister zich inzetten om voor meer synergie te zorgen tussen de IAA en de versnellingsgebieden uit de voorschriften van de Renewable Energy Directive (RED) en de Net-Zero Industry Act (NZIA)?
Antwoord
Het kabinet heeft allereerst gebruik gemaakt van de mogelijkheid informatieve en verduidelijkende vragen aan de Commissie te stellen over het voorstel. Een van de belangrijkste vragen was de precieze samenhang tussen de verschillende soorten gebiedsentiteiten die in de IAA, NZIA en RED genoemd worden. Het kabinet pleit ervoor dat deze op het eerste oog verschillende entiteiten niet tot een opeenstapeling van verplichtingen leiden, maar zoveel mogelijk een complementaire werking hebben. Met name tussen de versnellingsgebieden uit de NZIA en de IAA lijkt veel samenhang te bestaan en zal het kabinet pleiten deze zoveel mogelijk op elkaar te laten aansluiten. Dit met het doel om onnodige extra administratieve verplichtingen te voorkomen.
20.
Daarnaast delen deze leden dat het kabinet inschat dat de maatregelen geen fundamentele doorbraken lijken te forceren. Op welke manier gaat de Minister zich inzetten om hier veranderingen in aan te brengen?
Antwoord
Het kabinet ziet voldoende potentieel in het idee van de Commissie om de transitie in strategische industrieclusters te stimuleren. Het kabinet zet immers zelf in op versterking van industrieclusters in het kader van het Nationaal Programma Verduurzaming Industrie. Het kabinet denkt met name dat het strategisch, duurzaam en competitief potentieel van deze clusters versterkt kan worden als de Commissie meer voordelen verbindt aan clustersamenwerking. Hierbij wil het kabinet verkennen of dit kan via bijvoorbeeld prioritaire toegang op Europese financiering, versoepelde vergunningprocedures of via prioritaire aansluiting of energie-infrastructuur.
21.
Juist op het gebied van soepelere normstelling en vergunningverlening kan de IAA doorbraken veroorzaken. Hoe ziet de Minister het krachtenveld binnen Europa om samen met gelijkgestemde landen te pleiten voor meer concrete doorbraken?
Antwoord
Het precieze krachtenveld in Europa tekent zich op dit moment nog af. Echter, in meerdere lidstaten lopen grote industriële clusters tegen knelpunten in vergunningverlening aan. EU-breed bestaan grote verschillen in procedures voor vergunningverlening en daarmee ook verschillen in knelpunten. Tussen lidstaten bestaan verschillen in reactietermijnen, aantal betrokken instanties en mate van digitale toegankelijkheid van vergunningprocedures. Een groot deel van deze knelpunten wordt in enige mate geadresseerd door de IAA, waarmee unie-breed procedures ook meer geharmoniseerd worden waar Nederland ook van kan profiteren in grensoverschrijdende samenwerking. Binnen de EU lijkt daarmee overeenstemming te bestaan over de noodzaak tot versimpeling en versnelling van vergunningverlening ten behoeve van verduurzaming industrie, maar verschilt per lidstaat waar precies ingegrepen moet worden in de procedures.
22.
De Minister geeft verder aan dat op het gebied van informatie en administratieve lasten het voorstel verbeterd moet worden. Op welke concrete punten zal de Minister zich inzetten om het voorstel aan te passen?
Antwoord
Het kabinet ziet in de IAA meerdere voorstellen die tot mogelijk onnodige extra administratieve lasten leiden. Met betrekking tot versnellingsgebieden wil het kabinet kijken of zoveel mogelijk de synergie met de NZIA kan worden geborgd en wil het kabinet kijken of het aantal vereisten voor aanwijzing verminderd kan worden. Rondom labels wil het kabinet ook de instellingsprocedure vereenvoudigen en verduidelijken. Rondom investeringstoetsing zal het kabinet inzetten op een heldere afbakening en goede verankering van de relatie tussen IAA en FDI-verordening zodat eventuele extra administratieve lasten zo beperkt mogelijk blijven.
23.
De Europese Commissie geeft aan dat de verwachte kostenstijging naar aanleiding van het voorstel minimaal zullen zijn, maar dat deze met name terecht komen bij het midden- en kleinbedrijf (mkb) en burgers. Ook zullen de kosten de auto-industrie raken. De leden van de VVD-fractie lezen dat de precieze uitsplitsing van deze toenemende prijzen en de impact op de verschillende lidstaten ontbreekt in het impact assessment. Acht de Minister het wenselijk dat deze kostenstijgingen wel inzichtelijk gemaakt worden? Zo ja, hoe gaat zij daar zorg voor dragen?
Antwoord
In een rapport dat vorig jaar door Deloitte is opgesteld in opdracht van brancheorganisaties zijn de eerste prijseffecten van vraagcreatiemaatregelen weergegeven.3 Specifiek voor de auto-industrie kwam in dit rapport naar voren dat vraagcreatiemaatregelen, zoals bijvoorbeeld gebruik van groen staal, geen significante prijsstijgingen tot gevolg hadden.
Het voornaamste kritiekpunt op het impact assessment van de Commissie ziet toe op dat de prijseffecten generiek van aard lijken en niet zijn uitgesplitst per lidstaat. Het kabinet heeft de Commissie verzocht dit nader uit te splitsen voor een zo compleet mogelijk informatiebeeld.
24.
Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) geeft aan dat de impact assessment bij de IAA niet compleet genoeg is om in kaart te brengen wat de daadwerkelijke gevolgen zullen zijn voor het Nederlandse bedrijfsleven en burgers. Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat onnodige toename in regeldruk wordt voorkomen? Ziet de Minister de behoefte om eerst een beter beeld te krijgen van de impact van de IAA voordat er kan worden bepaald of de IAA een positieve invloed heeft op het Nederlandse vestigingsklimaat?
Antwoord
Het kabinet deelt de zorg van het ATR dat het impact assessment bij de IAA momenteel onvoldoende volledig is om een gedegen kwantitatieve inschatting te maken van de regeldruk en om inzichtelijk te maken welke bedrijven op welke wijze door het voorstel worden geraakt, met name ook in de downstream onderdelen van de waardeketen. Tegen deze achtergrond acht het kabinet het van belang om eerst een completer beeld te krijgen van de effecten van de IAA, alvorens de impact op het Nederlandse vestigingsklimaat te kunnen beoordelen. In het BNC-fiche heeft het kabinet reeds verschillende onderdelen van de IAA geïdentificeerd die nadere verduidelijking behoeven of mogelijk leiden tot een onnodige toename van regeldruk. In lijn met het advies van het ATR zet het kabinet zich er in de verdere onderhandelingen voor in dat de regeldruk systematisch in kaart wordt gebracht, meegewogen en waar mogelijk wordt beperkt en zal dit onder de aandacht blijven brengen bij de Commissie. Dit blijft een belangrijk aandachtspunt, ook bij eventuele uitbreiding van de reikwijdte van de IAA.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
25.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het fiche en benadrukken de noodzaak van de Industrial Accelerator Act. Deze leden zijn verheugd dat de Europese Commissie nu enkele – het zij voorzichtige – stappen zet en zien het als een belangrijk signaal dat de Europese Commissie de nieuwe geopolitieke realiteit onder ogen komt. Wel hebben de leden hierover nog enkele vragen. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie ondersteunen het belang van de energie-intensieve en maakindustrie, maar zijn het met de Minister eens, dat een generieke doelstelling weinig zegt over strategische relevantie en toekomstbestendigheid. Welk alternatief ziet het kabinet voor deze doelstelling? Zet de Minister in op een doelstelling per strategische sector? Of een uitwerking – met lidstaten, onder Europese coördinatie – zoals dat ook de Europese planning van het hoogspanningsnet gaat?
Antwoord
Zie ook de antwoorden op vraag 1 en 12. Het kabinet ziet op dit moment geen goed alternatief voor een generieke streefwaarde in de vorm van een volledig uitgewerkte doelstelling per strategische sector. Een dergelijke benadering zou de complexiteit aanzienlijk vergroten en de uitvoerbaarheid voor Europese en nationale autoriteiten onder druk zetten, mede vanwege de noodzaak tot afbakening, monitoring en actualisering per sector.
Tegelijkertijd is het kabinet van mening dat een generieke streefwaarde wel degelijk een nuttige functie kan vervullen als richtinggevende ambitie en kan investeringen en beleidsinspanningen stimuleren, zonder dat dit direct leidt tot een zwaar en versnipperd stelsel van sectorale subdoelstellingen. Waar meer gedetailleerde sturing wenselijk is ligt het meer voor de hand om dit vorm te geven binnen specifieke sectorale voorstellen of bestaande Europese trajecten waarin maatwerk beter kan worden geborgd. Op die manier kan worden aangesloten bij de strategische relevantie van sectoren, zonder afbreuk te doen aan de uitvoerbaarheid en samenhang van het bredere kader.
26.
Hoe wil de Minister de inzet op het gebied van de NZIA-sectoren koppelen aan de Energy Intensive Industries (EII), zodat de gehele keten verduurzaamd en in Europa kan worden opgeschaald?
Antwoord
De IAA zoekt nadrukkelijk de samenhang met de NZIA. Zo wordt de reikwijdte van de NZIA op het gebied van vergunningen verruimd naar verduurzamingsprojecten in de energie-intensieve industrie. Ook worden zowel technologieën uit de NZIA als sectoren in de energie-intensieve industrie als strategisch aangemerkt. Verder worden verschillende maatregelen uit de IAA, zoals productnormen en oorsprongscriteria, ook van toepassing verklaard op NZIA-technologieën. Tot slot dient voor de versnellingsgebieden gekeken te worden of daar zowel NZIA-technologieën als EII-sectoren zijn vertegenwoordigd. Op deze manier worden door de gehele keten interventies gedaan om het concurrentievermogen te verbeteren, verduurzaming te stimuleren en weerbaarheid te bestendigen.
27.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen daarnaast hoe deze doelstelling zich verhoudt tot het «Competitiveness Compass» van de Europese Commissie, en meer specifiek de Competitiveness Coordination Tool, wat als coördinatieinstrument zou moeten werken om de inzet van lidstaten wat betreft concurrentievermogen te verbeteren. Hoe staat het met deze tool? Wat behelst deze tool, dient deze precies te omvatten, wie gaat over de inzet ervan en vanaf wanneer treedt deze in werking? Ziet de Minister hier ook ruimte om de uitvoering van de IAA te coördineren?
Antwoord
De Competitiveness Coordination Tool is inderdaad aangekondigd als onderdeel van het Competitiveness Compass met als doel het beter coördineren van beleid ten behoeve van ons EU-concurrentievermogen, op nationaal en EU-niveau. In beginsel steunt het kabinet deze doelstelling. Op dit moment is echter nog niet uitgewerkt hoe deze Competitiveness Coordination Tool precies zal worden vormgegeven, welke reikwijdte deze zal hebben en hoe de besluitvorming precies wordt ingericht. Wat betreft de uitvoering van de IAA geldt dat het daarom op dit moment prematuur is om te beoordelen of deze tool een effectief instrument kan zijn om de uitvoering van de IAA te coördineren.
28.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie onderstrepen het belang van snelle vergunningverlening, maar hebben nog vragen over de inzet van de Minister. Hoe kijkt de Minister naar de Industrial Manufacturing Acceleration Areas in relatie tot de cluster maatwerkafspraken?
Antwoord
Het kabinet ziet potentieel grote samenhang tussen de clusteraanpak in Nederland en het aanwijzen en stimuleren van de transitie via versnellingsgebieden onder de IAA.
29.
Hoe voorkomt de Minister dat deze gebiedsgerichte aanpak – en specifiek een basisvergunning – enkel oog heeft voor de bestaande industrie of situatie, terwijl juist de opschaling van nieuwe activiteiten vaak snel moeten kunnen opschalen?
Antwoord
De IAA poogt zowel de ombouw van bestaande industrie naar schone productieprocessen te stimuleren als nieuwe schone productieprocessen te versnellen. Hoe de basisvergunning uit de IAA juridisch geduid moet worden is nog onbekend, aangezien een dergelijke vergunning in Nederland niet bestaat. De basisvergunning zal in ieder geval moeten gelden voor meerdere industriële activiteiten in een bepaald versnellingsgebied (cluster) en daar zullen activiteiten in de nieuwe industrie ook onder moeten vallen. Zo kunnen ook nieuwe activiteiten sneller een vergunning krijgen en sneller opschalen. Daarbij is de vergunningsverlening bij de opschaling van nieuwe industrie een belangrijk knelpunt, maar ook financiering, beschikbare ruimte, aansluiting op het net, marktcreatie en lange termijn beleidszekerheid spelen een cruciale rol.
30.
Hoe wil de Minister de structurele verbetering voor de natuur borgen, bij een tijdelijke uitzondering voor stikstofemissies?
Antwoord
Momenteel zitten grote verduurzamingsprojecten «op slot». De uitzondering zal de realisatie van verduurzamingsprojecten die structureel minder stikstof uitstoten ten opzichte van het bestaande project mogelijk moeten maken. Dat levert structureel een verbetering op als het op stikstofuitstoot en achtergronddepositie aankomt.
31.
Kan de Minister helderheid verschaffen over het feit dat haar inzet enkel gaat over een tijdelijke uitzondering in combinatie met structurele verbetering?
Antwoord
De eventuele uitzondering ziet, onder andere, toe op tijdelijke emissies die vrijkomen bij de realisatie van verduurzamingsprojecten. Tijdelijke emissies is een van de redenen dat projecten die structureel stikstofreductie realiseren geen doorgang kunnen vinden. Voorts gaat het ook om een versoepeling van toetsing van stikstofemissies (restemissies) die blijven bestaan na realisatie van een verduurzamingsproject. Deze toetsing zorgt ervoor dat projecten die aanzienlijke structurele reductie bewerkstelligen momenteel geen doorgang vinden, omdat ze geen vergunning krijgen.
32.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn het zeer eens met de Minister over de noodzaak van stevige Europese vraagcreatie en de inzet om de IAA op dit front te versterken. Ziet de Minister draagvlak bij andere lidstaten om deze weg te bewandelen en de mogelijkheid om artikelen – die later verder kunnen worden uitgewerkt – in het voorstel te amenderen?
Antwoord
Ja, het kabinet ziet ook draagvlak bij enkele andere lidstaten voor stevigere Europese maatregelen voor vraagcreatie. Het kabinet zal in gesprek gaan met welwillende andere lidstaten om tot een zo breed mogelijk gedragen voorstel voor stevigere maatregelen te komen richting de Commissie. Hierbij zal het kabinet concrete voorstellen aandragen in deze onderhandelingen, in lijn met het BNC-fiche.
33.
Wat voor een ideeën heeft de Minister hier concreet bij?
Antwoord
Het is allereerst van belang te melden dat naast overkoepelende maatregelen, ook sectorspecifieke maatregelen nodig zijn, passend bij het specifieke karakter van bepaalde sectoren. Qua overkoepelende maatregelen wil het kabinet met name kijken naar verplichte labels die CO2-uitstoot van producten weergeven en gradueel toenemende koolstofarme productnormen in bepaalde sectoren. Hierbij is het van belang dat dit schone productie stimuleert en niet leidt tot disproportionele toename in productiekosten of tot verplichtingen die bij voorbaat niet na kunnen worden gekomen omdat randvoorwaarden (zoals toegankelijkheid schone energie) niet op orde zijn. Het kabinet wil de transitie mét en niet ten koste van de industrie realiseren.
34.
Zet de Minister in op productmandaten in private (eind)markten (mogelijk gekoppeld aan ESPR en CPR)? Hoe voorkomt de Minister dat de vrijwillige CO2-labels, niet ten koste gaan van de bestaande brede doelstelling van ESPR?
Antwoord
Het kabinet zal bij de Commissie aangeven dat het in principe voorstander is van een scopeverbreding voor productmandaten naar ook private markten. Daadwerkelijke invoering van zulke mandaten moet vanzelfsprekend in lijn zijn met en aanvullend op andere wetgevingstrajecten, zoals de Ecodesign for Sustainable Products Regulation (ESPR) en Construction Product Regulation (CPR), maar ook de End of Life Vehicle Regulation (ELVR), het Automotive Package, of de Packaging and Packaging Waste Regulation (PPWR), mede met oog op beperking van de administratieve lasten voor bedrijven. Hierbij is het kabinet voorstander van CO2-labels die, waar mogelijk, niet een vrijwillig maar verplicht karakter hebben. Voor uitwerking van deze labels, die moeten definiëren wat geldt als koolstofarm staal, aluminium, of beton/cement, verwijst de IAA overigens al naar de ESPR en CPR. Op deze manier wordt in ieder geval voorkomen dat er in deze verschillende wetgevingstrajecten verschillende definities worden gehanteerd.
35.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien, net als de Minister, dat publieke vraagcreatie een belangrijke route is naar snellere verduurzaming van de industrie. Zet de Minister daarom ook in op het versterken van de mogelijkheid om publieke vraag te versterken; bijvoorbeeld rol van overheid als launching customer om duurzame en strategische redenen?
Antwoord
Het kabinet heeft als inzet dat de overheid het voortouw neemt bij het stimuleren van vraagcreatie naar schone producten, bijvoorbeeld via aanbestedingen, veilingen of andere vormen van publieke financiering. Zo kan de (lokale) overheid productnormen hanteren bij de aanbesteding van publieke werken, zoals bruggen en wegen, of publieke financiering sturen op schone productnormen. De IAA doet hier een eerste voorzet voor, maar, zoals gesteld in het BNC-fiche, kan extra inzet nodig zijn.
36.
Ziet de Minister de gekozen percentages van de Europese Commissie (met name in Annex II) ook als mager – en gaat de Minister zich inspannen om deze percentages te verhogen en strategische sectoren toe te voegen?
Antwoord
De Commissie geeft in het impact assessment bij de IAA een onderbouwing voor de gekozen percentages die het kabinet in eerste instantie goed kan volgen. Echter, voor het stimuleren van vraagcreatie zijn hogere productnormen, dan wel gradueel hoger worden productnormen noodzakelijk. Hogere normen, inclusief een stapsgewijze verhoging in de tijd, geven meer lange termijn investeringsperspectief voor bedrijven, opdat de transitie naar schone productieprocessen en een duurzame, competitieve en weerbare industrie kan worden vormgegeven. Het kabinet zal er bij de Commissie op aandringen dat hogere normen noodzakelijk zijn om daadwerkelijk schone markten te creëren. Daarnaast zal het kabinet blijvend kijken of de scope van de IAA uitbreiding behoeft met het oog op de doelstellingen die de IAA wil behalen.
37.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn kritisch op de terughoudende positie van het kabinet ten aanzien van het Europese voorkeursprincipe. Wat vindt de Minister van de definitie van Europese voorkeur? Is deze niet veel te soepel als het grootste deel van de wereld daaronder valt, inclusief de Verenigde Staten? Is de Minister bereid om in de onderhandelingen aan te dringen op een «opt-out» benadering, in plaats van de gekozen «opt-in» benadering?
Antwoord
Het kabinet benadert een Europees voorkeursprincipe met terughoudendheid, Het onderhouden van goede economische betrekkingen met derde landen door de EU is in het Nederlands belang. Niet alleen vanwege de diversificatie-mogelijkheden die dit ten aanzien van risicovolle strategische afhankelijkheden met zich meebrengt, maar ook omdat de Nederlandse welvaart sterk afhankelijk is van open handel. In dit kader is het kabinet dan ook van mening dat een Europees voorkeursprincipe zo min mogelijk verstorend moet zijn voor open handel tussen de EU en derde landen – tenzij vanuit de optiek van borging van onze economische weerbaarheid er aanleiding is tot een andere afweging en zal hierop inzetten tijdens de onderhandelingen van de IAA. Het kabinet kiest dus bewust voor een «open tenzij» benadering omdat dit in het belang is van het open en op regels gebaseerde handelssysteem, Europese ondernemers en de geopolitieke positie van de EU. Uiteraard is het binnen de kaders van het afwegingskader voor inzet van het EU-voorkeursprincipe goed om te kijken naar welke landen er in specifieke gevallen wel of niet meegenomen moeten worden.
38.
Hoe reflecteert de Minister op haar terughoudende rol in de context van onze concurrentiepositie, en het actief gebruik van oorsprongsregels door alle grote industriële landen in de wereld?
Antwoord
Het kabinet is zich ervan bewust dat landen in toenemende mate economische instrumenten inzetten om geopolitieke doelen te bereiken of om de eigen economische macht zo te vergroten. In combinatie met de huidige geopolitieke instabiliteit onderstreept dit het belang van een weerbare Europese economie die in staat is om hier tegenwicht aan te bieden. Hoewel het kabinet de voorkeur geeft aan het bereiken van dit doel via industriebeleid is het kabinet zich ervan bewust dat sommige handelspartners van de EU hierin verdergaan, via een vorm van een nationaal voorkeursbeleid, bijvoorbeeld met het gebruik van oorsprongseisen. Hiertoe dient de EU zich te verhouden en het kabinet ziet in dat in bepaalde gevallen aanleiding kan zijn voor de EU om ook een dergelijk voorkeursprincipe toe te passen. Tegelijkertijd, benadert het kabinet een Europees voorkeursprincipe juist vanwege onze concurrentiepositie, met terughoudendheid en stelt het bepaalde eisen die inzet van het principe inkaderen, zoals ook aangegeven in het BNC-fiche. De Nederlandse positie ten aanzien van dit principe geeft het kabinet zo de mogelijkheid om zich enerzijds constructief op te stellen ten aanzien van de vraag hoe de EU het hoofd dient te bieden aan een bredere trend van grote landen die hun eigen industrie bevoordelen en anderzijds de grote voordelen op waarde te schatten die voortkomen uit de lange traditie van open handel op basis van een op regels gebaseerd handelssysteem.
39.
Onderschrijft de Minister dat het handelsdefensieve instrumentarium (zoals onderzoek naar dumping) reactief is, en daarom vaak (te) laat, terwijl het Europees voorkeursprincipe het mogelijk maakt om proactief strategische sectoren te versterken?
Antwoord
Het klopt dat het handelsdefensief instrumentarium veelal reactief is, terwijl een EU-voorkeursprincipe eerder als proactief instrument gezien kan worden. Hierbij dient echter wel te worden opgemerkt dat beide instrumenten andere doelen dienen: het handelsdefensief instrumentarium is erop gericht om een opgetreden verstoring in het internationaal gelijk speelveld te herstellen of de schade hiervan te beperken. Daarmee is het inherent een reactief instrument. Aan de inzet van handelsdefensieve maatregelen gaat bovendien een zorgvuldig onderzoek vooraf vanwege de noodzakelijke economische en juridische onderbouwing. Een EU-voorkeursprincipe heeft niet tot doel om het gelijk speelveld te herstellen – het is zelf een potentieel gelijk speelveld verstorende maatregel – maar heeft tot doel om bepaalde strategische sectoren te versterken op grond van weerbaarheid.
40.
Hoe kijkt de Minister naar het Europees voorkeursprincipe voor groene chemische producten (bij het ontbreken van Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM))?
Antwoord
Het kabinet is van mening dat een EU-voorkeursprincipe kan worden ingezet om de weerbaarheid van de EU te versterken. Wanneer minder ingrijpende maatregelen of inzet van andere handelsinstrumenten ontoereikend zijn, kan het ook worden ingezet om strategische markten te stimuleren die essentieel zijn voor de lange termijn weerbaarheid van de Unie. Daar waar groene chemische producten op basis van gedegen sectorale analyse – die factoren als proportionaliteit, reikwijdte en doelmatigheid meeweegt – kwalificeren onder deze definitie, zou een Europees voorkeursprincipe één van de te overwegen opties kunnen zijn om de vraag naar groen chemische producten te bevorderen.
41.
Is de Minister bereid daar actief op in te zetten in de verdere uitwerking onder de gedelegeerde handeling en in de Critical Chemicals Alliance?
Antwoord
Momenteel worden in de Critical Chemicals Alliance verschillende maatregelen uitgewerkt ten behoeve van het versterken van de chemische industrie. In deze alliantie wordt bijvoorbeeld gekeken naar kritieke chemicaliën, vraagcreatie en handelsmaatregelen. In de loop van het jaar worden hiervan de eerste resultaten verwacht. Het kabinet kan hier nu nog niet op vooruit lopen, maar zal, in de geest van het BNC-fiche, zich hard maken voor passende maatregelen voor deze cruciale industrie.
42.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn ook kritisch wat betreft de voorzichtige houding wat betreft FDI, met name de kritische positie van de Minister ten aanzien eisen te stellen en de beoordeling meer te uniformeren. Onderschrijft de Minister dat buitenlandse investeerders nu vaak zoeken naar de zwakste plek in de Europese markt – met de minste voorwaarden en meeste subsidie – voor hun investering?
Antwoord
Het kabinet benadrukt dat als het gaat om brownfield-investeringen (het opkopen van of participeren in een bestaand bedrijf) het niet mogelijk is om als koper op zoek te gaan naar de «zwakste plek» in de EU-markt. Bedrijven zijn gevestigd in een bepaalde lidstaat en alleen die lidstaat beoordeelt de transactie op basis van de FDI-screeningsverordening (EU 2019/452), waarin risico’s voor veiligheid en openbare orde het uitgangspunt zijn. Het is goed voorstelbaar dat investeerders bij andersoortige investeringen op zoek gaan naar de meeste gunstige vestigingsplaats, waarbij subsidies ook een rol kunnen spelen.
43.
Ziet de Minister dat hiervoor meer Europese coördinatie nodig is om toegang in te kunnen zetten als strategische hefboom om wederkerigheid af te kunnen dwingen?
Antwoord
Het kabinet acht het inderdaad wenselijk als op Europees niveau gecoördineerd gehandeld kan worden om Europa te beschermen tegen de inzet van bijv. chokepoints door andere landen. Om deze reden heeft de Commissie verschillende instrumenten, zoals bijvoorbeeld het Anti-Dwang-Instrument en het internationaal aanbestedingsinstrument. Daarnaast wordt de huidige FDI-verordening op korte termijn herzien, met het oog op verdere afstemming en samenwerking tussen de nationale screeningsmechanismen binnen de EU. Tegelijkertijd geldt daarbij dat lidstaten uiteindelijk bevoegd blijven om transacties te beoordelen op hun veiligheidsrisico’s. Dit raakt immers aan de nationale veiligheid, waarover de Commissie geen algemene beslissingsbevoegdheid heeft. Dit is ook het uitgangspunt zoals opgenomen in de herziening van de FDI-verordening.
44.
Waarom wil de Minister de bevoegdheid om transacties te toetsen en verbieden dan niet delen met de Europese Commissie?
Antwoord
In het Verdrag van de Werking van de EU is vastgelegd dat nationale veiligheid een nationale competentie betreft, en dus ook de instrumenten die daarop toezien. Het is wel zo dat vanwege de integriteit van de interne markt, het kabinet veel waarde hecht aan het verbeteren van coördinatie, informatie-uitwisseling en harmonisatie van dergelijke instrumenten tussen de EU-lidstaten en met de Commissie. Voorbeelden daarvan zijn de herziene FDI-verordening en de Dual Use verordening.
45.
Hoe wil de Minister dan de coördinatie over de toegang tot de gemeenschappelijke markt versterken?
Antwoord
Zie vraag 43
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het fiche over de Verordening Industrial Accelerator Act. De leden van de JA21-fractie onderschrijven het belang van een sterke, concurrerende en toekomstbestendige industrie in Europa en Nederland, maar zien in dit voorstel ook serieuze risico’s van protectionisme, extra regeldruk, hogere kosten, onduidelijke bevoegdheidsuitbreiding en verdere inperking van de nationale beleidsruimte
De leden van de JA21-fractie begrijpen de wens om de Europese industrie te versterken in een wereld van toenemende concurrentie en strategische afhankelijkheden, maar vragen of de gekozen systematiek van de IAA daarvoor het juiste instrument is. Deze leden vragen de Minister nader toe te lichten waarom de generieke doelstelling om het aandeel van de maakindustrie in het Europees bbp in 2035 op 20% te brengen meer is dan symboolpolitiek.
46.
Zij vragen welke concrete strategische meerwaarde deze volumedoelstelling heeft voor weerbaarheid, concurrentievermogen en betaalbare verduurzaming, en hoe wordt voorkomen dat kwantiteit boven kwaliteit gaat.
Antwoord
Zie antwoord op vraag 1 en 12.
47.
Zij vragen bovendien welke Nederlandse sectoren naar verwachting daadwerkelijk profiteren van deze doelstelling en welke sectoren juist nadeel kunnen ondervinden van de bijbehorende maatregelen.
Antwoord
De doelstelling is niet-bindend en heeft slechts een richtinggevend karakter, waardoor er op zichzelf geen sprake is van directe voor- of nadelen voor specifieke Nederlandse sectoren. Eventuele effecten hangen af van de verdere beleidsmatige invulling en de wijze waarop lidstaten en de Commissie deze streefwaarde vertalen naar concreet beleid of instrumenten.
48.
Zij vragen of de Minister bereid is zich tegen generieke EU-doelstellingen te verzetten als die niet aantoonbaar bijdraagt aan echte industriële versterking.
Antwoord
Zolang dit doel expliciet als streefwaarde blijft gepositioneerd en ruimte laat voor nationale beleidsafwegingen, ziet het kabinet dit doel als een stimulerend instrument. Het kabinet is dan niet voornemens zich daartegen te verzetten, maar benadrukt wel het belang dat dergelijke doelstellingen geen vervanging worden voor inhoudelijk industriebeleid en dat ook kwalitatieve indicatoren van belang zijn, zoals strategische relevantie of toekomstbestendigheid van de industriële activiteiten, zoals hun bijdrage aan weerbaarheid, concurrentievermogen en maatschappelijke uitdagingen.
49.
De leden van de JA21-fractie steunen het versnellen van vergunningverlening voor industriële verduurzamingsprojecten, maar vragen of dit voorstel de Nederlandse knelpunten werkelijk oplost of vooral nieuwe Europese procesvereisten toevoegt. Deze leden vragen de Minister per onderdeel aan te geven wat in Nederland daadwerkelijk versnelt en wat vooral papieren harmonisatie is.
Antwoord
Zie antwoord vraag 13, 14, 26. Zoals in het BNC-fiche reeds gesteld, zullen de voorstellen uit de IAA in Nederland mogelijk niet tot versnelling leiden, aangezien veel van de voorstellen al standaard praktijk zijn. Voor andere lidstaten kunnen de voorstellen echter wel tot versnelling leiden en ook de harmonisatie van regelgeving in de EU kan positieve effecten hebben voor grensoverschrijdende samenwerking.
50.
Zij vragen hoe dit voorstel zich verhoudt tot bestaande Nederlandse instrumenten, zoals het omgevingsloket, en of hier niet opnieuw stapeling van regels, loketten en verantwoordingsverplichtingen dreigt.
Antwoord
Zie antwoord vraag 13. Voorts pleit het kabinet in Brussel ervoor dat de IAA niet bestaande, reeds met de IAA overeenkomende, nationale procedures doorkruist of extra moeilijk maakt.
51.
Deze leden vragen daarnaast wat dit voorstel concreet betekent voor gemeenten, provincies en uitvoeringsinstanties, welke extra lasten daar worden verwacht en of de Minister de opvatting deelt dat versnelling alleen geloofwaardig is als juist ook de voorbereidings- en beroepsfase worden aangepakt.
Antwoord
Veel van de voorgestelde maatregelen zijn in vergelijkbare vorm al ingevoerd. Hierdoor valt geen grote aanvullende druk te verwachten op gemeenten, provincies en uitvoeringsinstanties. Hierbij is het wel van belang dat lidstaten de vrijheid krijgen dit op een passende manier te implementeren in de bestaande structuren, zodat er geen onnodige loketten of procedures worden toegevoegd. Zie ook antwoord vraag 13.
52.
Zij vragen welke concrete inzet Nederland kiest om ook op dat punt verandering in Brussel af te dwingen, mede gezien stikstof als feitelijke blokkade voor verduurzamingsprojecten.
Antwoord
Zie antwoord vraag 13, 30, 31.
53.
De leden van de JA21-fractie maken zich grote zorgen over de oorsprongseisen en de «made in EU»-achtige benadering in aanbestedingen, subsidies en andere vormen van marktinterventie. Deze leden vragen hoe de Minister voorkomt dat deze maatregelen ontaarden in protectionisme, hogere kosten voor bedrijven en consumenten en vergeldingsmaatregelen van handelspartners. Zij vragen hoe de kabinetsinzet zich precies verhoudt tot de aangenomen motie-Hoogeveen (Kamerstuk 21 501-20, nr. 2391), waarin de Minister is verzocht zich uit te spreken tegen protectionistische eisen en vóór open markten en het voorkomen van nieuwe handelsbelemmeringen.
Antwoord
Zie antwoord vraag 37, 38 en 39. Door deze terughoudende opstelling inclusief verenigbaarheid met internationale verplichtingen en handelsakkoorden, kan een open markt zo goed mogelijk worden geborgd. Deze zienswijze sluit daarmee aan op de motie Hoogeveen.
54.
Zij vragen per sector aan te geven waar oorsprongseisen verdedigbaar worden geacht, op basis van welke criteria, welke economische schade voor Nederland als open handelsland wordt voorzien en hoe gelijkgestemde handelspartners worden ontzien. Zij vragen welke concrete WTO-risico’s de Minister ziet en wat er gebeurt als de EU met deze aanpak de uitrol van warmtepompen, zonnepanelen, batterijen en elektrische voertuigen juist duurder en trager maakt.
Antwoord
Onder de akkoorden van de WTO en EU-handelsakkoorden is het in beginsel niet toegestaan dat de EU goederen of diensten uit een derde land in gelijke gevallen minder gunstig behandelt dan goederen of diensten uit de EU zelf. Daarnaast zijn ook kwantitatieve restricties op grond van oorsprongsvereisten verboden. Een EU-voorkeursprincipe via oorsprongseisen staat daarmee op gespannen voet met dit beginsel. Indien de EU een voorkeursprincipe toch wil toepassen, dient het dit onder het WTO-recht te kunnen rechtvaardigen op een rechtvaardigingsgrond, zoals bijvoorbeeld nationale veiligheid of bescherming van o.a. publieke gezondheid of milieu. Dit is dan ook mede waarom het kabinet van mening is dat terughoudendheid, tijdelijkheid, proportionaliteit en een doelmatigheid die zich richt op weerbaarheid als drijfveer, passend zijn. Bijgevolg is het kabinet van mening dat per sector, waardeketen of industrie zorgvuldig de baten afgewogen moeten worden tegen de kosten, alvorens een maatregel in het leven te roepen. Hierbij moet bijvoorbeeld de eventuele impact op de uitrol van groene energiedragers worden meegewogen. Het kabinet roept de Commissie dan ook op om een dergelijke kosten-batenanalyse per voorgestelde sector voor een voorkeursprincipe inzichtelijk te maken. Het kabinet zoekt bij het uitdragen van deze boodschap momenteel ook steun bij andere lidstaten.
55.
De leden van de JA21-fractie onderschrijven dat schone productie en vraag naar koolstofarm geproduceerde goederen gestimuleerd moeten worden, maar vragen of de voorgestelde aanpak effectief, realistisch, helder en betaalbaar is. Deze leden vragen hoe wordt voorkomen dat lidstaten uiteenlopende standaarden gaan hanteren en welke gevolgen de regering verwacht voor de prijzen in de bouw, de automobielsector en energietechnologieën.
Antwoord
Het kabinet wil voorkomen dat tussen lidstaten uiteenlopende standaarden worden gehanteerd waardoor het gelijke speelveld verslechtert. Door dergelijke standaarden vast te leggen in een verordening worden deze direct van kracht in de lidstaten. Dit kan helpen bij het voorkomen dat lidstaten soepelere standaarden of verplichtingen gaan nemen ten opzichte van andere lidstaten.
56.
Zij vragen hoe wordt voorkomen dat verduurzaming voor burgers, het mkb en aanbestedende diensten juist duurder wordt.
Antwoord
In het in vraag 23 reeds aangehaalde rapport van Deloitte zijn prijseffecten van maatregelen ten behoeve van vraagcreatie onderzocht. Hieruit blijkt dat veel van de maatregelen op de lange termijn geen substantiële prijsstijgingen tot gevolg zullen hebben.
57.
Zij vragen of de regering de opvatting deelt dat vraagcreatie nooit een dekmantel mag worden voor verborgen protectionisme.
Antwoord
Zie ook antwoord vraag 37, 38 en 39. Het kabinet oordeelt dat vraagcreatie niet de grondslag is voor het inzetten van een EU-voorkeursprincipe en deelt de opvatting dat protectionisme tegengaan moet worden. Nederland respecteert de internationale (WTO-) verplichtingen die ongeoorloofd protectionisme verbieden.
58.
De leden van de JA21-fractie zijn bijzonder kritisch op het voorstel voor aanvullende toetsing van buitenlandse investeringen. Deze leden vragen waarom aanvullende investeringstoetsing nodig is naast bestaande Europese en nationale kaders, hoe dit voorstel zich concreet verhoudt tot de bestaande FDI-screening en de Wet veiligheidstoets investeringen, fusies en overnames en hoe de Minister doublures, extra administratieve lasten en rechtsonzekerheid wil voorkomen.
Antwoord
Zie het antwoord op vraag 8.
59.
Zij vragen waarom de Europese Commissie eigenstandig transacties zou mogen toetsen of blokkeren, terwijl dergelijke besluiten grote gevolgen kunnen hebben voor het nationale investeringsklimaat.
Antwoord
Het kabinet is geen voorstander van de overdracht van deze bevoegdheid aan de Commissie. Lidstaten zijn primair verantwoordelijk om transacties te beoordelen op hun veiligheidsrisico’s. Dit raakt in belangrijke mate aan de nationale veiligheid, Ook het verbieden van transacties op andere gronden zou wat betreft het kabinet voorbehouden moeten blijven aan de lidstaten. Het gaat hier immers om een vergaande inbreuk op de autonomie en de economie van lidstaten.
60.
Zij vragen of de Minister de opvatting deelt dat «open waar het kan, gesloten waar het moet» leidend moet blijven en verzoeken om inzicht in de verwachte extra capaciteit, FTE en budgettaire gevolgen voor Nederland.
Antwoord
Het kabinet deelt dat de opvatting dat «open waar het kan, gesloten waar het moet» leidend blijft, waarbij de bescherming van strategische sectoren essentieel is voor economische veiligheid en open strategische autonomie. Het kabinet steunt openheid voor handel, maar erkent de noodzaak van bescherming waar risico's voor de interne markt en veiligheid bestaan. De IAA kan invloed hebben op de FDI-screening, wat zal resulteren in extra capaciteit voor de beoordeling van strategische investeringen.
61.
De leden van de JA21-fractie zijn ook kritisch over de verplichte aanwijzing van minimaal één versnellingsgebied per lidstaat. Deze leden vragen waarom lidstaten daartoe verplicht zouden moeten worden, ongeacht nationale ruimtelijke omstandigheden en bestaande gebiedsgerichte aanpakken.
Antwoord
Het kabinet deelt de twijfel over het verplicht aanwijzen van versnellingsgebieden in lidstaten. Ten aanzien van de verplichte aanwijzing door lidstaten van tenminste één versnellingsgebied, kan worden volstaan met een bevoegdheid om dergelijke gebieden aan te wijzen, in plaats van een verplichting. Daarmee wordt rekening gehouden met de ruimtelijke ordeningsaspecten die per lidstaat anders kunnen liggen en waar schaarste aan ruimte en de benodigde infrastructuur aan de orde kan zijn. Lidstaten zijn namelijk veel beter in staat om af te wegen of en waar aanwijzing van ruimte als een industrieel versnellingsgebied passend is. Een ander alternatief is dat een al bestaand NZIA-versnellingsgebied kan verkleuren naar IAA-versnellingsgebied zodat daarmee aan een deel van de verplichting tot aanwijzing uit de IAA wordt voldaan.
62.
Zij vragen hoe dit zich verhoudt tot nationale ruimtelijke ordening en netcongestie, wat de concrete voordelen van aanwijzing zijn behalve extra verplichtingen en waarom vrijwilligheid hier niet logischer is dan verplichting.
Antwoord
Zie antwoord vraag 61. Verder heeft het kabinet ook haar twijfels bij een verplichting tot aanwijzing, omdat het mogelijk niet tot de bevoegdheden van de Commissie behoort om dergelijke verplichtingen op te leggen. Ten aanzien van de rechtsgrondslag ziet het kabinet als voorkeursalternatief dat hoofdstuk V inhoudelijk wordt aangepast, zodat artikel 192, lid 2, onder b), VWEU niet langer vereist is als rechtsbasis. Dat kan door de aanwijzing van versnellingszones niet verplicht te stellen. Omdat een lidstaat dan zou kunnen kiezen om geen versnellingszone aan te wijzen, zou het voorstel niet langer van invloed zijn op de ruimtelijke ordening van lidstaten in de zin van artikel 192, lid 2, onder b), VWEU, zodat die rechtsgrondslag niet meer noodzakelijk zou zijn.
63.
Deze leden vragen bovendien hoe wordt voorkomen dat zogenoemde versnelling in de praktijk vooral meer regeldruk en minder nationale zeggenschap oplevert.
Antwoord
Het kabinet deelt de zorgen over toenemende regeldruk in plaats van versnelde transitie. Zie ook het BNC-fiche. Over vermindering van nationale zeggenschap maakt het kabinet zich minder zorgen, omdat de EU geen exclusieve bevoegdheden heeft op het gebied van industriebeleid of ruimtelijke ordening. Hierdoor behoudt de lidstaat haar inspraak op deze dossiers.
64.
De leden van de JA21-fractie constateren dat juist bij een voorstel van deze omvang nog aanzienlijke onduidelijkheid bestaat over kosten, baten, regeldruk en neveneffecten. Deze leden vragen de Minister nader toe te lichten welke onderdelen van het impact assessment volgens haar onvoldoende zijn onderbouwd, welke cruciale data ontbreken en waarom de gevolgen voor bedrijven, burgers en lidstaten zo beperkt zijn uitgewerkt. Zij vragen welke aanvullende impactanalyses noodzakelijk zijn voordat verdere besluitvorming verantwoord is en of de regering de opvatting deelt dat een voorstel van deze omvang niet op basis van grove EU-brede aannames mag worden beoordeeld. Deze leden vragen ook of de Minister nader uit kan zoeken wat de impact van het fiche is per sector die de IAA zal betreffen.
Antwoord
De Commissie heeft een grondig en uitgebreid impact assessment uitgevoerd waarin meerdere beleidsopties zijn getoetst die verschillen in de mate van marktinterventie en verplichtingen voor bedrijven en lidstaten. De opties zijn beoordeeld op effectiviteit, efficiëntie, proportionaliteit, coherentie en subsidiariteit. De Commissie concludeert dat het uiteindelijke pakket maatregelen in de IAA een gebalanceerde aanpak vormt om de industriële transitie te versnellen en waarbij tegelijkertijd de kosten voor bedrijven en lidstaten beheersbaar blijven. De Commissie beargumenteert dat alternatieve beleidsopties zouden leiden tot hogere (maatschappelijke) kosten, tot mogelijk grotere repercussies van derde landen of moeilijkere implementatieprocedures.
Aan de andere kant zouden meer vrijblijvende maatregelen onvoldoende effect hebben, kunnen leiden tot fragmentatie tussen lidstaten en een te trage versnelling van de industriële transitie. Verder licht het impact assessment toe hoe de percentages voor de koolstofarme eisen tot stand zijn gekomen en besteedt het assessment aandacht aan de effecten van afzonderlijke maatregelen.
Deze analyse is echter beperkt en kent een hoog aggregatieniveau. De gepresenteerde cijfers zijn EU-breed en niet systematisch uitgesplitst naar type bedrijf of maatregel. Daarnaast zitten er nog veel hiaten in het impact assessment. Zo wordt niet duidelijk welke data precies ten grondslag liggen aan de beleidsvorming, is de totstandkoming van kosten en baten onduidelijk en wordt onvoldoende getoetst of onderbouwd hoe de maatregelen van invloed zijn op bedrijven (ook downstream) en kosten van producten en technologieën. Er ontbreekt een uitgebreidere toelichting hoe «koolstofarm» gedefinieerd moet worden. Verder toetst het impact assessment het voorstel niet aan het WTO-recht en wordt niet gekeken naar de impact van de voorgestelde maatregel op ontwikkelingslanden. Ook laat het impact assessment buiten beschouwing hoe de overkoepelende doelstelling van een 20% BBP-bijdrage van de Europese industrie in 2035 tot stand is gekomen. Dit vergt daarom nog extra uitwerking op lidstaat- en sectoraal niveau. Het kabinet heeft de Commissie verzocht deze aanvullende informatie zo spoedig mogelijk aan te leveren ten behoeve van een gedegen afweging over het voorgestelde beleid.
65.
De leden van de JA21-fractie lezen dat het kabinet inzet op een sterke, schone en concurrerende industrie, gericht, proportioneel en Wereldhandelsorganisatie (WTO) conform beleid en een open investeringsklimaat met het uitgangspunt «open waar het kan, gesloten waar het moet». Deze leden vragen de regering uiteen te zetten waar het voorliggende voorstel naar haar oordeel daadwerkelijk aansluit bij die lijn en waar juist spanning ontstaat. Zij vragen in het bijzonder of de regering erkent dat Europese oorsprongseisen, extra FDI-toetsing en verplichte versnellingsgebieden op onderdelen op gespannen voet staan met open markten, beperkte regeldruk en nationale beleidsvrijheid.
Antwoord
Voor analyse over de wijze waarop het voorstel aansluit op WTO-conformiteit en open markten, verwijs ik u naar het BNC-fiche en antwoord op vragen 37 en 54. Verder zoals in het BNC-fiche is opgenomen, sluit het voorstel aan bij de kabinetslijn waar het inzet op versterking van het concurrentievermogen, versnelling van projecten en het verminderen van risicovolle strategische afhankelijkheden, evenals het vergroten van de economische weerbaarheid. Daarbij erkent het kabinet dat op onderdelen spanning kan ontstaan met open markten, beperkte regeldruk en nationale beleidsruimte. Dit geldt inderdaad met name voor Europese oorsprongseisen en aanvullende FDI-toetsing, die de openheid van markten en het investeringsklimaat kunnen raken, en voor verplichte versnellingsgebieden, die gevolgen kunnen hebben voor regeldruk en nationale afwegingsruimte. Het kabinet zet zich er in de onderhandelingen voor in om deze maatregelen noodzakelijk, proportioneel en zo min mogelijk marktverstorend vorm te geven, met behoud van voldoende nationale beleidsruimte.
66.
De leden van de JA21-fractie vragen hoe de Minister het voorstel om een Chemical Industry Expert Group te betrekken bij de uitwerking van artikel 16 beoordeelt, en hoe daarbij wordt geborgd dat sectorale expertise wordt benut zonder dat normstelling via gedelegeerde handelingen aan democratische controle wordt onttrokken.
Antwoord
Hoewel artikel 16 van de IAA toeziet op een gedelegeerde handeling, en daarmee in beginsel ter discretie van de Commissie wordt gelaten, ziet deze bepaling toe op het implementeren van de aanbevelingen op vraagcreatie uit de Critical Chemical Alliance (CCA). In deze alliantie zijn zowel industrie als kennisinstellingen en overheden vertegenwoordigd. Nederland is voorzitter van de werkgroep omtrent vraagcreatie en neemt daarmee ook deel aan de Steering Board. De CCA is opgericht met het idee om zo breed mogelijk gedragen als ook praktisch uitvoerbaar te kunnen adviseren. Het kabinet zal er bij de Commissie op aandringen dat de gedelegeerde handelingen onder artikel 16 van de IAA zo min mogelijk afwijken van de CCA-aanbevelingen.
67.
De leden van de JA21-fractie vragen de Minister per hoofdonderdeel van het voorstel helder aan te geven welke artikelen Nederland wil wijzigen, schrappen of heronderhandelen.
Antwoord
In het BNC-fiche heeft het kabinet aangegeven op welke onderdelen van de IAA het op welke manier ruimte voor verbetering ziet. Naar aanleiding van de nog op te starten discussies moet blijken of dit bereikt wordt met wijziging, schrappen of heronderhandelen van teksten. Op dit moment kan het kabinet nog geen toezeggingen doen over in welke vorm het akkoord kan gaan met de teksten, omdat deze nog aan verandering onderhavig zijn en onderdeel zijn van lopende onderhandelingen met andere lidstaten. Uw Kamer kan er in ieder geval van uitgaan dat voor Nederland rode lijnen liggen bij juridisch onjuiste voorstellen, voorstellen die tot disproportionele kosten leiden, voorstellen die niet goed onderbouwd zijn of voorstellen die internationale verplichtingen niet nakomen.
68.
Deze leden vragen welke concrete inzet de regering kiest op de 20%-doelstelling, vergunningverlening, oorsprongseisen, koolstofarme productnormen, FDI-screening en versnellingsgebieden.
Antwoord
Zie antwoord vraag 67.
69.
Zij vragen ook welke onderdelen voor Nederland zodanig problematisch zijn dat fundamentele wijziging of desnoods afwijzing gerechtvaardigd is.
Antwoord
Zie antwoord vraag 67.
70.
De leden van de JA21-fractie vragen met welke lidstaten Nederland optrekt om een minder protectionistische, juridisch houdbare en uitvoerbare koers te bepleiten. Deze leden vragen waar steun zit voor terughoudendheid bij oorsprongseisen, voor beperking van extra FDI-toetsing en voor vrijwilligheid in plaats van verplichting bij versnellingsgebieden. Zij vragen de Minister daarnaast om de Kamer actief te informeren over verschuivingen in het krachtenveld tijdens de onderhandelingen.
Antwoord
Het kabinet ziet dat lidstaten in hun posities verschillende accenten leggen. Sommige zetten sterker in op Europese productie en strategische autonomie. Andere lidstaten, waaronder Nederland, leggen nadruk op het belang van open markten en een goed investeringsklimaat. Deze lidstaten zijn over het algemeen terughoudend ten aanzien van oorsprongseisen, extra FDI-toetsing en verplichte versnellingsgebieden. Het krachtenveld is nog in beweging en er zijn nog geen vaste coalities. Nederland blijft inzetten op het slaan van bruggen en zal de Kamer hierover blijven informeren.
71.
De leden van de JA21-fractie vragen de regering exact aan te geven welke rechtsbasis volgens Nederland onjuist is, welke subsidiariteitsbezwaren bestaan en welke onderdelen disproportioneel zijn.
Antwoord
Wat betreft de rechtsbasis acht het kabinet de gekozen artikelen 114 en 207 VWEU juist, behalve voor hoofdstuk V van het voorstel. Dat hoofdstuk ziet op de verplichte aanwijzing van industriële versnellingszones. Die verplichting kan wat het kabinet betreft enkel worden gebaseerd op artikel 192, lid 2, onder b, VWEU en niet op artikel 114 of artikel 207 VWEU. Verder heeft het kabinet vragen over de verhouding van het voorstel tot artikel 64, leden 2 en 3, VWEU, en het principe van verdere liberalisering van het kapitaalverkeer met derde landen dat daarin is verankerd. Immers, het voorstel is een terugtred van die verdere liberalisering vanwege de voorgestelde regels over markttoegang vanuit derde landen.
Wat betreft de subsidiariteit zien de bezwaren van het kabinet concreet op hoofdstuk IV (toetsing buitenlandse investeringen) en hoofdstuk V (industriële versnellingszones). Ten aanzien van hoofdstuk IV heeft het kabinet twijfels geuit bij de noodzaak voor aanvullende investeringstoetsing, boven op de investeringstoetsing op grond van de FDI-screeningsverordening die plaatsvindt met het oog op economische veiligheid. Daarbij acht het kabinet onvoldoende onderbouwd wat het nut, het motief en de noodzaak zijn voor de aanvullende investeringstoetsing onder de IAA. Tevens ziet het kabinet hier een concreet risico op doublures met de FDI-screeningsverordening en de voorgestelde herziening daarvan. Ten aanzien van hoofdstuk V is het kabinet van mening dat beter op het niveau van de lidstaten uitgemaakt kan worden of een bepaald gebied in de fysieke leefruimte een bestemming zou moeten krijgen voor industriële versnelling. Dat aanwijzing verplicht is, staat aan die afweging op het niveau van de lidstaat in de weg. Ook op dat punt is het voorstel volgens het kabinet niet in overeenstemming met het subsidiariteitsvereiste.
Wat betreft de proportionaliteit ziet het kabinet specifiek drie punten waarop het voorstel disproportioneel is. Ten eerste gaat de verplichting om een versnellingsgebied aan te wijzen verder dan noodzakelijk. Passender zou zijn als hierin de lidstaten ruimte wordt gelaten om een eigen afweging in te maken. Ten tweede is de verplichte aanwijzing van een versnellingsgebied ongeschikt om het doel van industrialisatie (voorgesteld artikel 2) door aanzwengeling van industriële activiteiten (voorgesteld artikel 1, onder d) dichterbij te brengen. Immers, buiten de aanwijzing zelf laat het voorstel niet blijken hoe deze versnelling moet worden gerealiseerd, omdat de Commissie niet de keuze maakt dat sommige vergunningsvereisten voor de ontplooiing van industriële eisen, kunnen worden versoepeld. Het kabinet verwacht geen wezenlijke versnelling als al die vergunningsvereisten onverminderd blijven gelden. Ten derde ziet het kabinet problemen in de geschiktheid en noodzakelijkheid bij de voorgestelde investeringstoetsing. Dat acht het kabinet het gevolg van de gebrekkige onderbouwing van nut en noodzaak van zowel de keuze voor investeringstoetsing als de voorgestelde eisen (artikel 18), en risico op doublures met bestaande investeringstoetsing.
72.
Deze leden vragen in het bijzonder om een precieze duiding van de juridische bezwaren tegen hoofdstuk IV en hoofdstuk V, inclusief de vraag of de Minister van oordeel is dat hoofdstuk V moet worden afgesplitst of van een andere rechtsgrondslag moet worden voorzien.
Antwoord
De juridische bezwaren van hoofdstuk IV en V zien enerzijds op de eerdergenoemde bezwaren qua rechtsgrondslag, subsidiariteit en proportionaliteit, en anderzijds op diverse bevoegdheden voor de Commissie voor de vaststelling van delegatie- en uitvoeringshandelingen. Het kabinet is van mening dat het noodzakelijk is dat hoofdstuk V van het voorstel wordt afgesplitst, tenzij hoofdstuk V zo wordt aangepast dat de aanwijzing van een versnellingsgebied niet verplicht is of de bijzondere wetgevingsprocedure wordt gevolgd. Daarbij heeft het kabinet een nadrukkelijke voorkeur voor inhoudelijke aanpassing van hoofdstuk V als oplossing voor deze bevoegdheidskwestie.
In zijn huidige vorm vereist de opname van hoofdstuk V bij het voorstel, dat het voorstel wordt gebaseerd op artikel 192, lid 2, onder b), VWEU. Artikel 192 VWEU schrijft een bijzondere wetgevingsprocedure (met unanimiteit) voor, die onverenigbaar is met de gewone wetgevingsprocedure die van toepassing is vanwege artikelen 114 en 207 VWEU. Daarom moet óf die bijzondere wetgevingsprocedure worden gevolgd, of hoofdstuk V in zijn huidige vorm van het voorstel worden afgesplitst. Het kabinet heeft echter de voorkeur dat hoofdstuk V inhoudelijk wordt aangepast, zodat artikel 192 VWEU niet langer vereist is als rechtsbasis. Dat biedt een oplossing zowel voor de juridische bezwaren als een deel van de inhoudelijke. Wat betreft de eerdergenoemde delegatie- en uitvoeringshandelingen, ziet het kabinet voor hoofdstukken IV en V de volgende problemen:
– Artikel 18, lid 5: de uiterste termijn verdraagt zich slecht met de voorschriften van Verordening nr. 182/2011, waarin geregeld is hoe experts van de lidstaten moeten worden betrokken bij de vaststelling van uitvoeringshandelingen;
– Artikel 19, lid 6: hierin trekt de Commissie een bevoegdheid naar zich toe, zonder dat deze is omkleed met de daarvoor geldende vereisten voor delegatie- en uitvoeringshandelingen;
– Artikel 24, lid 1: deze delegatiebevoegdheid is juridisch mogelijk maar riskeert de introductie van doublures met de FDI-screeningsverordening.
73.
Zij vragen welke minimale wijzigingen nodig zijn om het voorstel op deze punten aanvaardbaar te maken.
Antwoord
Ten aanzien van de rechtsgrondslag ziet het kabinet als voorkeursalternatief dat hoofdstuk V inhoudelijk wordt aangepast, zodat artikel 192, lid 2, onder b), VWEU niet langer vereist is als rechtsbasis. Dat kan door de aanwijzing van versnellingszones niet verplicht te stellen. Omdat een lidstaat dan zou kunnen kiezen om geen versnellingszone aan te wijzen, zou het voorstel niet langer van invloed zijn op de ruimtelijke ordening van lidstaten in de zin van artikel 192, lid 2, onder b), VWEU, zodat die rechtsgrondslag niet meer noodzakelijk zou zijn.
Wat betreft de delegatie- en uitvoeringshandelingen op deze punten, is het kabinet van mening dat de volgende aanpassingen minimaal noodzakelijk zijn:
– Artikel 18, lid 5: schrapping van de uiterste termijn dan wel toepassing van de procedure voor onmiddellijke vaststelling van een uitvoeringshandeling, voor zover de Commissie kan motiveren waarom deze uitvoeringshandeling spoed heeft (zoals voorgeschreven in artikel 8 van verordening 182/2011 voor de te volgen procedures bij de vaststelling van uitvoeringshandelingen).
– Artikel 19, lid 6: uitoefening van deze bevoegdheden volgens de onderzoeksprocedure uit hoofde van artikel 5 van verordening 182/2011.
– Artikel 24, lid 1: afbakening congruent aan hoe de Commissie voor zich ziet om de doublures van hoofdstuk IV met de FDI-screeningsverordening op te lossen, dan wel schrappen van deze bevoegdheid.
74.
De leden van de JA21-fractie vragen de Minister concreet aan te geven welke extra kosten zij verwacht voor ondernemers, aanbestedende diensten en burgers en welke gevolgen zij voorziet voor het mkb.
Antwoord
In het impact assessment bij het wetsvoorstel staat een eerste uiteenzetting van de te verwachten kosten voor ondernemers, overheden en burgers. Het kabinet heeft de Commissie gevraagd dit nader toe te lichten en ook per lidstaat uit te splitsen.
75.
Deze leden vragen welke onderdelen volgens de Minister aantoonbaar lastenverlichting opleveren en welke vooral extra regeldruk veroorzaken.
Antwoord
De Commissie beoogt met het voorstel de regeldruk rond vergunningverlening te verminderen, maar stelt nieuwe regels voor die niet overeenkomen met eerdere regels over vergunningverlening. Voor Nederland kan dit extra regeldruk opleveren als dit bestaande initiatieven en implementatie van vergunningregelgeving doorkruist. Voor centrale en decentrale overheden wordt een toename in regeldruk voorzien door extra monitoring en implementatie van de bepalingen rond aanbestedingen en andere vormen van overheidsondersteuning. Ook de extra verplichtingen rond monitoring en adressering van buitenlandse investeringen leiden tot toename van regeldruk voor bedrijven en overheden. Het aanwijzen van de versnellingsgebieden zorgt voor extra regeldruk en vertraging vanwege de hoeveelheid eisen waaraan voldaan moet worden voordat tot aanwijzing over kan worden gegaan. De daadwerkelijke toename in regeldruk is ook afhankelijk van de mate waarin maatregelen uit de IAA in bestaande wetgevingstrajecten ingevoegd kunnen worden.
76.
Zij vragen hoe wordt voorkomen dat de IAA de concurrentiekracht van de Europese en Nederlandse industrie juist ondermijnt door hogere prijzen, zwaardere nalevingslasten en vertraging in investeringen.
Antwoord
De spanning die wordt geschetst is herkenbaar. In het licht van de lange termijn doelen die bereikt moeten worden, namelijk versterkt concurrentievermogen, verduurzaming en bestendigen weerbaarheid, dienen keuzes gemaakt te worden die mogelijk leiden tot hogere kosten en meer regeldruk. Echter, hoewel deze transitie op de korte termijn inderdaad tot de geschetste problemen kan leiden, kan het op lange termijn positieve effecten teweegbrengen zoals een sterker verdienvermogen, een weerbare economie, schonere leefomgeving en onafhankelijkheid van derde landen. In het voorstel staan daarnaast maatregelen die deze negatieve effecten proberen te mitigeren. Zo probeert het voorstel ook het investeringsklimaat te verbeteren door vergunningprocedures te versnellen. Ook zal de geleidelijke inwerkingtreding van het voorstel de industrie en de overheden gelegenheid geven zich voor te bereiden op de nieuwe voorstellen. Daarbij zijn er ook uitzonderingen bij de inkoopverplichtingen, indien kosten te hoog worden of bedrijven zich niet op de aanbesteding inschrijven. De brede definitie van «EU-oorsprong» dient ook als waarborg om het handelsverkeer open te houden door een brede groep landen waar de EU nauw mee samenwerkt in de scope op te nemen.
77.
Deze leden vragen voorts welke geopolitieke risico’s de Minister ziet bij oorsprongseisen, markttoegangsbeperkingen en aanvullende FDI-toetsing en hoe wordt voorkomen dat de EU-handelspolitiek bedrijft op een wijze die meer schade oplevert dan bescherming.
Antwoord
Zie hiervoor het antwoord op vragen 44 en 45.
78.
De leden van de JA21-fractie vragen of de voorgestelde invoeringstermijnen realistisch zijn, gelet op de noodzaak van uitvoeringswetgeving, mogelijke aanpassing van de Omgevingswet en bestuursrechtelijke kaders en de eventuele inrichting van een investeringsautoriteit.
Antwoord
Het kabinet acht de voorgestelde termijn van 12 maanden voor uitvoering van hoofdstuk IV onrealistisch voor aanpassing van de wet in formele zin die nodig is daarvoor, hetgeen het kabinet op dit moment waarschijnlijk acht. Dit heeft met name te maken met de instelling van een nationale investeringsautoriteit. Hetzelfde geldt voor de verplichting om versnellingsgebieden aan te wijzen binnen 12 maanden, hetgeen mogelijk aanpassing van de Omgevingswet vereist. Het kabinet inventariseert of en welke wetswijzigingen nodig zijn. Voor zover die aanpassingen noodzakelijk zijn, acht het kabinet een termijn van ten minste 24 maanden noodzakelijk.
79.
Deze leden vragen welke nationale wetswijzigingen naar verwachting nodig zijn, hoeveel tijd Nederland feitelijk nodig heeft en wat dit betekent voor decentrale overheden en uitvoeringsinstanties.
Antwoord
Het kabinet acht het waarschijnlijk dat een wijziging van de formele wet op de volgende punt nodig zal zijn:
– De instelling van een nationale investeringsautoriteit: oprichting van een nieuw zelfstandig bestuursorgaan of de wijziging van de taken en bevoegdheden van een bestaand ZBO.
– Grondslag voor punitieve boetes: artikel 22 van het voorstel introduceert punitieve sancties, waarvoor in een grondslag moet worden voorzien.
– Aanpassing vergunningverleningsprocedures: deze zijn geregeld in de Omgevingswet en in hoofdstukken 3 en 4 van de Algemene wet bestuursrecht. Nu artikelen 5, 6, 25 en 27 voorschriften bevatten over hoe de vergunningverlening moet worden ingericht voor industriële versnellingszones en strategische «decarbonisation» projecten, kan dit aanpassing vergen van deze wetten.
– NZIA-aanpassingen: waar het voorstel aanpassingen voorziet op de NZIA, is het aannemelijk dat de nationale uitvoeringswetgeving daarvoor eveneens moet worden aangepast.
80.
Zij vragen of de invoeringstermijnen realistisch zijn, gelet op de noodzaak van nationale ten slotte of de Minister bereid is de Kamer tussentijds actief te informeren over de voortgang van de onderhandelingen en daarbij expliciet aan te geven waar Nederland vasthoudt aan rode lijnen op het punt van open markten, WTO-conformiteit, regeldruk, nationale bevoegdheden en uitvoerbaarheid.
Antwoord
De onderhandelingen over de IAA vinden plaats via de Raad voor Concurrentievermogen (RvC). De Kamer wordt via de gebruikelijke manier over de inzet rondom de RvC geïnformeerd. Daarbij zal ook de inzet voor de IAA, de voortgang van de onderhandelingen en het krachtenveld aan bod komen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
81.
De leden van de PvdD-fractie ziet in de Industrial Accelerator Act een instrument dat industriële opschaling versnelt zonder fundamentele keuzes te maken die passen binnen de grenzen van de planeet. De Minister benadrukt concurrentiekracht en strategische autonomie, maar zonder expliciete afbouwpaden voor fossiele en andere schadelijke activiteiten dreigt dit instrument wederom publiek geld en schaarse ruimte te richten op het in stand houden van een onhoudbaar systeem gebaseerd op oneindige economische groei. Hoe voorkomt de Minister dat de Industrial Accelerator Act leidt tot «lock-ins» van fossiele infrastructuur en energie-intensieve industrie?
Antwoord
De IAA is expliciet bedoeld om de verduurzaming van, onder andere, de energie-intensieve industrie te stimuleren en groene groeimarkten te stimuleren. Het kabinet draagt actief uit dat maatregelen, zoals de inzet van oorsprongscriteria of inzet van steunmaatregelen, onder de IAA niet ten behoeve van (het in stand houden van) fossiele infrastructuur of fossiele energie-intensieve industrie dienen te komen.
82.
Hoe voorkomt de Minister dat versnellingsgebieden extra druk leggen op schaarse ruimte, middelen en uitstootruimte?
Antwoord
De bedoeling van het organiseren van de industrie in clusters is het versnellen van de transitie voor, bij voorkeur, strategische industrieën naar schone, competitieve en weerbare productieprocessen waarbij ook schone innovatie wordt gestimuleerd. Door te focussen op de transitie in clusterverband, zal efficiënter met ruimte en middelen kunnen worden omgegaan en gekoppeld worden aan een collectieve inzet op vermindering van CO2-uitstoot.
83.
De Minister schrijft ook «de strenge materiële normering waar rekening mee gehouden dient te worden, zoals milieu-impact, is nu al een knelpunt in de transitie van deze clusters». Kan de Minister toezeggen dat zij zich in blijft zetten voor stevige wet- en regelgeving op het gebied van milieu-impact?
Antwoord
Ja. Het toetsen van milieu-impact blijft van belang. Het idee achter een versoepeling bij vergunningverlening is om projecten die voor de langere termijn structureel minder stikstof uitstoten doorgang te laten vinden. Dat is een cruciale voorwaarde bij het toepassen van de eventuele uitzondering.
84.
Kan de Minister aangeven hoe de invulling van deze Industrial Accelerator Act wordt getoetst aan klimaat-, natuur- en gezondheidsdoelen, en hoe deze niet worden ondermijnd door de nadruk op concurrentiekracht?
Antwoord
Het voorstel beoogt de transitie te versnellen om de klimaatdoelen van 2050 te bereiken, de impact van industriële productie op de leefomgeving te verminderen (door te verduurzamen) en tegelijk competitief te houden. Verduurzaming en concurrentievermogen hebben een wederzijds versterkende werking. Verduurzaming en schone innovatie versterken het concurrentievermogen op de lange termijn. Door het concurrentievermogen te versterken worden bedrijven gemotiveerd de transitie in de EU uit te voeren en gedemotiveerd om vervuilende activiteiten elders voort te zetten.
85.
De leden van de PvdD-fractie benadrukken dat economische veiligheid en strategische autonomie vooral worden bereikt door ruimte te creëren voor de industrie van de toekomst en de afbouw van energie-intensieve industrie. Deelt de Minister deze analyse?
Antwoord
Het kabinet erkent dat focus op innovatie en nieuwe industrie een belangrijke pijler is om strategische autonomie te kunnen borgen. Tegelijk trekt bestaande industriële activiteit ook deze nieuwe activiteiten aan met o.a. de aanwezige beroepsbevolking, bestaande infrastructuur en logistieke voorzieningen. Daarom is het van belang om in sectoren waar de EU een comparatief voordeel heeft of kan krijgen te blijven investeren in verduurzaming om ook nieuwe groeimarkten te ontwikkelen. Daarbij zijn er ook voor bepaalde energie-intensieve industrieën risico's op onwenselijke afhankelijkheden van derde landen, waardoor het vanuit een veiligheidsoogpunt gerechtvaardigd kan zijn deze activiteiten binnen de EU te behouden. Hierbij is het dan wel van belang verduurzaming te blijven stimuleren.
86.
De Minister spreekt van het «gericht verminderen van risicovolle strategische afhankelijkheden». Kan de Minister nader ingaan op welke afhankelijkheden hier worden bedoeld, en aan welke maatregelen wordt gedacht voor de vermindering van deze afhankelijkheden?
Antwoord
Het kabinet bedoelt met risicovolle strategische afhankelijkheden (RSA’s) afhankelijkheden van derde landen in kritieke waardeketens die publieke belangen waaronder nationale veiligheid, en economische belangen zoals het verdienvermogen en de economische weerbaarheid kunnen raken. Bijvoorbeeld wanneer de aanvoer sterk geconcentreerd is vanuit één land of producent of moeilijk vervangbaar is. Het gaat daarbij onder andere om sectoren als energie, kritieke grondstoffen, digitale technologie en gezondheid. Het kabinet zet in op het gericht afbouwen van deze RSA’s onder meer via de Taskforce Strategische Afhankelijkheden (TFSA) die RSA’s identificeert en beleidsopties in kaart brengt zoals diversificatie van toeleveringsketens, versterking van Europese en nationale productiecapaciteit en (indien nodig) strategische voorraden. Vanwege de gevoeligheid kan het kabinet niet in detail treden. Indien gewenst kan een vertrouwelijke technische briefing worden belegd.
87.
Zonder duidelijke keuzes blijft dit voorstel hangen in het bekende én-én-beleid. Is de Minister bereid zich in Europa in te zetten voor bindende afbouwpaden en absolute reductiedoelen voor energie- en grondstoffengebruik om zo ruimte te creëren voor de industrie van de toekomst? De leden van de PvdD-fractie pleiten voor scherpe keuzes, zoals ook vele adviesorganen, zoals de Raad van State en de Wetenschappelijke Klimaatraad, keer op keer bepleiten, en een schone industrie die binnen de draagkracht van de aarde past.
Antwoord
Dit is ook noodzakelijk gezien de Europese verplichtingen waar Nederland zich al aan dient te houden, zoals de klimaatdoelstelling voor 2040 en 2050, de verplichtingen uit de hernieuwbare energierichtlijn en de energiebesparingsrichtlijn.
Waarbij baten en kosten niet enkel geldelijk worden gekwalificeerd, maar ook kwalitatief worden bekeken, denk aan een bijdrage aan verduurzaming of verslechtering van de (handels)betrekkingen met derde landen.
Mobiliseren van de vraag van de consument naar duurzame investeringen, Deloitte, September 2025.
Waarbij baten en kosten niet enkel geldelijk worden gekwalificeerd, maar ook kwalitatief worden bekeken, denk aan een bijdrage aan verduurzaming of verslechtering van de (handels)betrekkingen met derde landen.
Mobiliseren van de vraag van de consument naar duurzame investeringen, Deloitte, September 2025.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-22112-4352.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.