Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2004-2005 | 22112 nr. 352 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2004-2005 | 22112 nr. 352 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 22 december 2004
Overeenkomstig de bestaande afspraken heb ik de eer u hierbij vier fiches aan te bieden die werden opgesteld door de Werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen (BNC):
1. Communication from the Commission to the Council. The European Parliament, the European Economic and Social Committee, the European Central bank and Europol A new EU Action Plan 2004–2007 to prevent fraud on non-cash means of payment
2. Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad betreffende het Bureau voor de grondrechten (consultatiedocument)
3. Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende geneesmiddelen voor pediatrisch gebruik en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1768/92, Richtlijn 2001/83/EG en Verordening (EG) nr. 726/2004
4. Proposal for a Council Regulation applying a scheme of generalised tariff preferences
Fiche 1: Mededeling Actieplan 2004–2007 ter preventie van fraude bij niet-cash betaalmiddelen
Titel:
Communication from the Commission to the Council. The European Parliament, the European Economic and Social Committee, the European Central bank and Europol A new EU Action Plan 2004–2007 to prevent fraud on non-cash means of payment [NL versie niet beschikbaar]
| Datum Raadsdocument: | niet bekend |
| Nr. Raadsdocument: | niet bekend |
| Nr. Commissiedocument: | COM(2004) 679 (20 oktober 2004) |
| Eerstverantwoordelijk ministerie: | Financiën i.o.m. BZ, BZK, EZ, JUS |
Behandelingstraject in Brussel: EU Fraud Prevention Expert Group, Ecofin.
Achtergrond, korte inhoud en doelstelling van het voorstel:
In 2001 heeft de Commissie het eerste EU Fraud Prevention Action Plan (FPAP) uitgebracht voor de periode 2001–2003, ter voorkoming van fraude met en vervalsing van niet-cash betaalmiddelen. Aanleiding hiervoor vormde ondermeer het feit dat het aantal fraudegevallen in 2000 met 50% was toegenomen (totale schade in de EU € 600 mln.). In verhouding tot het aantal transacties lag het aantal fraudegevallen bij grensoverschrijdende betalingen op een significant hoger niveau dan bij binnenlandse betalingen. Naast het feit dat fraude het vertrouwen in betaalsystemen ondermijnt, was er sprake van een groei in de georganiseerde criminaliteit.
Onder het eerste actieplan fungeerde de Commissie als katalysator voor informatie-uitwisseling, toename van bewustwording en versterking van de samenwerking, ondermeer door een netwerk op te zetten van specialisten ter uitwisseling van «best practices» en voorlichtingsmateriaal. Hierdoor werd de grensoverschrijdende samenwerking versterkt. Gezien de toename in de computercriminaliteit acht de Commissie het van belang een nieuw actieplan te starten voor de periode 2004–2007, waarin de huidige activiteiten worden voortgezet. De nadruk zal daarnaast komen te liggen op verheldering van de bestaande EU-databeschermingsregels, integratie van de nieuwe lidstaten in het fraudepreventienetwerk en verbetering van de relaties met autoriteiten in niet EU-landen. Eind 2007 stuurt de Commissie een rapport aan het Europees Parlement en de Raad, waarin de voortgang in het kader van het actieplan wordt beschreven alsmede (voor zover noodzakelijk) verdere maatregelen worden voorgesteld.
Rechtsbasis van het voorstel: n.v.t.
Besluitvormingsprocedure en rol Europees Parlement:n.v.t.
Instelling nieuw Comitologie-comité: n.v.t.
Subsidiariteit en proportionaliteit: Strikt genomen n.v.t., betreft een mededeling.
Subsidiariteit: Positief. De Commissie speelt uitsluitend een katalyserende rol ter stimulering van Europees overleg tussen marktpartijen over preventieve maatregelen.
Proportionaliteit: Positief. Een actieplan is het geëigende middel om de genoemde doelstellingen te verwezenlijken.
Consequenties voor de EU-begroting: Geen
Financiële, personele en administratieve consequenties voor de rijksoverheid, decentrale overheden en/of bedrijfsleven en burger:Geen
Consequenties voor nationale en decentrale regelgeving/beleid, (informatie over het inschakelen van nationale agentschappen / zelfstandige bestuursorganen e.d., implementatie en uitvoering, notificatie en handhaving en/of sanctionering):
Voorgestelde implementatietermijn (bij richtlijnen) dan wel voorgestelde datum inwerking treding (bij verordeningen en beschikkingen) met commentaar t.a.v. haalbaarheid: n.v.t.
Consequenties voor ontwikkelingslanden: Geen
Nederlandse belangen en eerste algemene standpuntbepaling:
Nederland staat in het algemeen positief t.a.v. het Actieplan. Op Europees niveau wordt door de banken gewerkt aan de inrichting van een Europese infrastructuur voor de verwerking van grensoverschrijdende betalingen binnen de EU. Ter facilitering van dit proces bereidt de Commissie momenteel een Richtlijn voor die de belangrijkste juridische belemmeringen voor dit proces moet wegnemen, ten einde de voordelen van de Interne Markt voor girale betalingen beter te benutten.
Nederland is de mening toegedaan dat uniformering van betaalsystemen en -processen een preventieve werking kan hebben tegen fraude, mits de infrastructuur wordt ingericht aan de hand van de best practices op het terrein van fraudebestrijding en fraudepreventie. Het belang van uitwisseling van informatie over preventiemethoden en coördinatie van maatregelen voorkomt «lekkages» in nationale en grensoverschrijdende systemen. Snelle informatie-uitwisseling en coördinatie reduceert het risico dat criminelen hun fraude-activiteiten steeds daar bezigen waar in de preventieve sfeer het minst effectief wordt opgetreden. Ook voor de Nederlandse partijen is een dergelijke uitwisseling van groot belang. Omdat het aantal betalingen via internet of mobiele netwerken snel groeit kan het wenselijk zijn dat naast de banken ook nieuwe (niet-bancaire) spelers op het terrein van betalingsverkeer betrokken worden bij dit overleg.
Een dergelijke uitwisseling mag geen belemmerende effecten hebben op de marktwerking. Instellingen houden de mogelijkheid om op basis van zakelijke afwegingen in hun productaanbod te kiezen voor een goede mix tussen veiligheid en kosteneffectiviteit in combinatie met passende aansprakelijkheidsvoorwaarden, waardoor per saldo de risico's voor consumenten beperkt blijven. Voor zover daartoe aanleiding zal zijn zal de Commissie door Nederland worden gewezen op het belang van een dergelijke vrije afweging door individuele marktpartijen.
Fiche 2: Mededeling betreffende het Bureau voor de grondrechten
Titel:
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad betreffende het Bureau voor de grondrechten (consultatiedocument)
| Datum Raadsdocument: | 4 november 2004 |
| Nr Raadsdocument: | 14223/04 |
| Nr. Commissiedocument: | COM(2004)693 definitief |
| Eerstverantwoordelijk ministerie: | Buitenlandse Zaken in nauwe samenwerking met Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties i.o.m. JUST en SZW |
Behandelingstraject in Brussel: publieke raadpleging, gevolgd door Commissievoorstel voor de instellingsverordening van het Bureau (naar verwachting eerste helft 2005).
Achtergrond, korte inhoud en doelstelling van het voorstel:
De Europese Raad van 12–13 december 2003 besloot om het huidige in Wenen gevestigde Waarnemingscentrum voor Racisme en Vreemdelingenhaat om te vormen tot een Bureau voor de Grondrechten (in dagelijkse spraakgebruik ook bekend als «Mensenrechtenagentschap»). De Commissie heeft daarop aangegeven een aanpassingsvoorstel van de voor het huidige Waarnemingscentrum geldende instellingsverordening (1035/97) voor te leggen. Voordat de Commissie echter met een voorstel komt, consulteert zij door middel van dit document regeringsvertegenwoordigers en maatschappelijk middenveld over de vormgeving van het nieuw op te zetten Grondrechtenbureau. In het consultatiedocument wordt een aantal vragen voorgelegd die betrekking hebben op reikwijdte en activiteiten van het toekomstige bureau. De belangrijkste vragen betreffen de geografische en inhoudelijke reikwijdte van de activiteiten van het Grondrechtenbureau alsmede de verhouding van het bureau ten opzichte van bestaande structuren, waaronder die van de Raad van Europa.
Rechtsbasis van het voorstel: n.v.t.
Besluitvormingsprocedure en rol Europees Parlement:n.v.t.
Instelling nieuw Comitologie-comité: n.v.t.
Subsidiariteit en proportionaliteit: Strikt genomen n.v.t., betreft een consultatiedocument.
Subsidiariteit: positief (de Commissie handelt op basis van een door de Europese Raad genomen besluit).
Proportionaliteit: positief, mits geen sprake zal zijn van een onnodige overlap tussen de taken van het nieuwe Grondrechtenbureau en die van de Raad van Europa op het gebied van mensenrechten.
Consequenties voor de EU-begroting: geen (bij het uiteindelijke Commissievoorstel zullen de financiële consequenties worden beoordeeld)
Financiële, personele en administratieve consequenties voor de rijksoverheid, decentrale overheden en/of bedrijfsleven en burger:Geen
Consequenties voor nationale en decentrale regelgeving/beleid, (informatie over het inschakelen van nationale agentschappen / zelfstandige bestuursorganen e.d., implementatie en uitvoering, notificatie en handhaving en/of sanctionering): Geen.
Voorgestelde implementatietermijn (bij richtlijnen) dan wel voorgestelde datum inwerkingtreding (bij verordeningen en beschikkingen) met commentaar t.a.v. haalbaarheid: N.v.t.
Consequenties voor ontwikkelingslanden: Geen.
Nederlandse belangen en eerste algemene standpuntbepaling:
De Nederlandse regering hecht grote waarde aan een effectief toezicht op de naleving van mensenrechten binnen de Unie, alsmede de preventie van schendingen daarvan. De eerbiediging van mensenrechten en fundamentele vrijheden is niet alleen een belangrijk criterium voor toetreding tot de Unie; het is zaak dat de mensenrechten en fundamentele vrijheden Uniebreed gewaarborgd blijven. Bovendien vergroot een effectief toezicht op de naleving van de mensenrechten binnen de Unie de geloofwaardigheid van het externe mensenrechtenbeleid van de Unie.
Ook het parlement heeft aangegeven belang te hechten aan een effectief toezicht op de naleving van de mensenrechten binnen de Unie. Met de motie Dittrich (d.d. 2 oktober 2003) heeft de Tweede Kamer de regering gevraagd te onderzoeken of er mogelijkheden zouden zijn een systeem van «peer review» voor grondrechten in de Unie in te voeren. Op 10 november jl. heeft de Tweede Kamer in navolging van de motie Dittrich de motie Van der Laan aangenomen. Daarin wordt de regering opgeroepen zich in te spannen voor de ontwikkeling van een effectief mechanisme dat een bijdrage kan leveren aan het bevorderen van mensenrechten binnen de Unie. Het parlement (kamerleden Timmermans en Van der Linden) vraagt echter ook aandacht voor het voorkomen van onnodige overlap met de bestaande mechanismen van de Raad van Europa. Aan het Eerste Kamerlid heeft de minister van Buitenlandse Zaken een notitie over dit aspect toegezegd.
Nederland steunt de benadering van de Commissie om het geografische werkterrein van het bureau te beperken tot toezicht op grondrechten binnen de Unie. Daarnaast is Nederland voorstander van een ruime formulering van het inhoudelijke werkterrein van het bureau. Omdat artikel 7 VEU een ruime formulering bevat en bovendien in de mogelijkheid – zij het in het uiterste geval – van sancties voorziet, zou dit artikel als uitgangspunt moeten worden genomen.
Waar het de taken van het toekomstige bureau betreft, is het voor Nederland van primair belang dat onnodige overlap wordt vermeden met activiteiten van bestaande structuren, met name met die van de Raad van Europa. Voorkomen moet worden dat het bureau eigen instrumenten ontwikkelt die reeds binnen andere structuren voorhanden zijn. Nederland is van oordeel dat het bureau gebruik moet maken, voor zover mogelijk, van de structuren en instrumenten van de Raad van Europa. Terwijl enerzijds het gevaar van overlap wordt onderkend, ziet Nederland de oprichting van het Grondrechtenbureau anderzijds ook als kans om concreet invulling te geven aan de veelvuldig geuite wens van het verwezenlijken van de noodzakelijke synergie tussen beide organisaties. De door de Commissie voorgestelde taken van verzamelen en analyseren van (beschikbare) data en het op basis daarvan formuleren van adviezen vormen volgens Nederland dan ook geen onnodige overlap, zolang het toekomstige Grondrechtenbureau gebruik zal maken van de data van de Raad van Europa en andere instanties (zoals de OVSE). Van belang daarbij is dat het bureau zich op basis van de beschikbare data een objectief oordeel kan vormen. Daarvoor is het belangrijk dat het bureau onafhankelijk kan opereren.
De formulering van adviezen door het Grondrechtenbureau mag naar het oordeel van Nederland echter geen eindstation zijn. Voor een effectief toezicht op de naleving van de grondrechten in de Unie is een vervolgtraject noodzakelijk. Juist in een dergelijk vervolgtraject zou een systeem van «peer review» voor grondrechten in de Unie zijn plaats moeten kunnen vinden. Nederland acht het daarom van belang dat de door het Grondrechtenbureau opgestelde (onafhankelijke) adviezen besproken worden binnen de Unie, bij voorkeur in de Raad. Op deze wijze wordt een mechanisme van morele druk op lidstaten ingebouwd dat naar verwachting sneller en meer effect zal sorteren dan de bestaande mensenrechtenmechanismen. Grondrechtschendingen zouden daarmee vroegtijdig gesignaleerd en besproken kunnen worden, waardoor in een vroeg stadium kan worden ingegrepen. Daarbij is het wederom van belang dat het Grondrechtenbureau zich bij het verzamelen en analyseren van data niet slechts concentreert op ernstige en voortdurende grondrechtschendingen, maar tevens – in navolging van de mechanismen van artikel 7 VEU – op dreigende schendingen.
Fiche 3: Verordening betreffende geneesmiddelen voor pediatrisch gebruik
Titel:
Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende geneesmiddelen voor pediatrisch gebruik en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1768/92, Richtlijn 2001/83/EG en Verordening (EG) nr. 726/2004
| Datum Raadsdocument: | 25 oktober 2004 |
| Nr. Raadsdocument: | 13880/04 |
| Nr. Commissiedocument: | COM (2004)599 def. |
| Eerstverantwoordelijk ministerie: | Volksgezondheid, Welzijn en Sport i.o.m. FIN, BZ en EZ |
Behandelingstraject in Brussel:
Raadswerkgroep Gezondheid, Raad Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken.
Achtergrond, korte inhoud en doelstelling van het voorstel:
Het merendeel van de geneesmiddelen dat aan kinderen wordt voorgeschreven is niet op kinderen getest, zodat er geen of onvoldoende gegevens voorhanden zijn over de werkzaamheid en veiligheid van het gebruik bij kinderen. Dit staat in tegenstelling tot de situatie bij geneesmiddelen die geregistreerd staan voor gebruik bij volwassenen. In de gangbare medische praktijk wordt momenteel aan de hand van parameters als gewicht en/of lichaamsoppervlak van het kind de dosis afgeleid van de voorgeschreven dosis voor volwassenen. Om in deze situatie verbetering te brengen doet de Commissie een voorstel voor geneesmiddelen voor pediatrisch gebruik en tot wijziging van voorgaande bestaande regelgeving (Richtlijn 2001/83, Verordening 726/2004 en Verordening 1768/92).
De essentie van het voorstel is dat de farmaceutische industrie verplicht wordt bij een aanvraag voor registratie van een nieuw geneesmiddel een plan in te dienen voor onderzoek over het gebruik van het betreffende middel bij kinderen. Deze verplichting geldt ook bij uitbreiding van een registratie voor bijvoorbeeld een nieuwe indicatie, nieuwe farmaceutische vorm of nieuwe toedieningsvorm. Het onderzoeksplan wordt beoordeeld op aspecten van kwaliteit, ethiek en uitvoerbaarheid door een nieuw in te stellen comité (het Comité kindergeneeskunde) bij het Europese Geneesmiddelbureau. Dit comité kan ook uitstel van onderzoek verlenen (bijvoorbeeld indien er nog onvoldoende gegevens zijn over gebruik bij volwassenen) of ontheffing (bijvoorbeeld als de ziekte waarvoor het middel bestemd is, bij kinderen niet vóórkomt).
Rechtsbasis van het voorstel:
Artikel 95 EG. Hoewel het doel van de verordening gericht is op verbetering van de zorg en gezondheid van de burgers, is gekozen voor de rechtsgrondslag harmonisatie van wetgeving ter voltooiing van de interne markt. De vraag is wel of er sprake kan zijn van harmonisatie als er geen nationale wetgeving bestaat op het desbetreffende terrein. Deze vraag zal voorgelegd worden aan de Juridische Dienst van de Raad.
Besluitvormingsprocedure en rol Europees Parlement:Co-decisie
Instelling nieuw Comitologie-comité:
Er wordt een Comité kindergeneeskunde ingesteld met als leden één vertegenwoordiger uit elke lidstaat en zes personen benoemd door de Commissie.
Subsidiariteit en proportionaliteit:Subsidiariteit: positief. Maatregelen op Europees niveau ter bevordering van de ontwikkeling en toelating van geneesmiddelen voor pediatrisch gebruik zijn gerechtvaardigd om de belemmeringen in de intracommunautaire handel te voorkomen of weg te nemen. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat het onwaarschijnlijk is dat de huidige volksgezondheidsproblemen in verband met geneesmiddelen voor kinderen in de EU zonder de invoering van specifieke wetgeving kan worden opgelost.
Proportionaliteit: positief. Het voorstel bouwt voort op de ervaring die met het bestaande regelgevingskader voor geneesmiddelen in Europa is opgedaan. Gezien de aard van de vast te stellen voorschriften is een verordening daarvoor het aangewezen middel.
Consequenties voor de EU-begroting:
Het Europese Geneesmiddelenbureau wordt deels gefinancierd via het EU budget en deels via tarieven die de farmaceutische industrie betaalt voor het in behandeling nemen van aanvragen voor registratie van geneesmiddelen. De instelling van het Comité kindergeneeskunde bij het Europese Geneesmiddelenbureau en de personele inzet voor dit bureau zullen volgens de Commissie leiden tot een jaarlijkse toename in kosten (€5 miljoen). Dit komt ten laste van de EU-begroting.
Financiële, personele en administratieve consequenties voor de rijksoverheid, decentrale overheden en/of bedrijfsleven en burger:
Volgens berekening – gebaseerd op databestanden over aantallen recepten en uitgaven aan geneesmiddelen – zullen de kosten van de overheid oplopen tot € 10–20 miljoen per jaar in 2015. Hierbij is geen rekening gehouden met jaarlijkse groei door demografische veranderingen, inflatie en introductie van nieuwe dure geneesmiddelen, waardoor bedragen hoger worden dan deze autonome jaarlijkse groei. Deze kosten worden gedekt door het beleidsverantwoordelijke departement VWS (Budgettair Kader Zorg: BKZ).
Voor de fabrikanten van generieke producten zal er een éénmalig verlies aan inkomsten optreden van € 86–342 miljoen en verlies van winst van € 4–51 miljoen in een overgangsperiode van 2 tot 5 jaar. Daarna zal er een nieuwe situatie zijn ontstaan waarbij naar verwachting de generieke fabrikanten enig (niet verder gekwantificeerd) marktaandeel zullen hebben verloren. Doorberekening van dit verlies in de prijzen van generieke preparaten zal vrijwel zeker plaatsvinden, maar het is nog niet duidelijk wat dit voor Nederland betekent. Overigens is de verwachting dat in Nederland, evenals in andere Europese landen de totale generieke markt vanwege andere factoren geleidelijk zal toenemen.
Consequenties voor nationale en decentrale regelgeving/beleid, (informatie over het inschakelen van nationale agentschappen / zelfstandige bestuursorganen e.d., implementatie en uitvoering, notificatie en handhaving en/of sanctionering):
Het College ter beoordeling van geneesmiddelen en zijn agentschap zullen betrokken worden bij de samenstelling van het nog op te richten comité voor de kindergeneeskunde. Deelname van het College aan het comité wordt niet opgelegd door het Commissievoorstel. De verordening werkt rechtstreeks en vereist geen nationale sanctiemaatregelen. Artikel 41 van het voorstel verplicht de lidstaten om gegevens te verzamelen over het actuele geneesmiddelengebruik bij de pediatrische populatie en die gegevens aan het Europese Geneesmiddelenbureau te verstrekken binnen 2 jaar na de inwerkingtreding van de verordening. Artikel 48 van het voorstel geeft de Commissie de bevoegdheid om een geldboete op te leggen voor schending van bepalingen van de verordening. Er zijn geen handhaving- of strafsancties in de Nederlandse wetgeving nodig.
Voorgestelde implementatietermijn (bij richtlijnen) dan wel voorgestelde datum inwerkingtreding (bij verordeningen en beschikkingen) met commentaar t.a.v. haalbaarheid:
Inwerkingtreding op de dertigste dag volgend op plaatsing in het Publicatieblad EU.
T.a.v. voorschriften voor het in de handel brengen van geneesmiddelen:
Artikel 8 is van toepassing vanaf 18 maanden na inwerkingtreding.
Artikel 9 is van toepassing vanaf 24 maanden na inwerkingtreding.
Consequenties voor ontwikkelingslanden:
Ontwikkelingslanden zullen geen gevolgen hiervan ondervinden aangezien de verlenging van de SPC (supplementary protection certificate – de facto een octrooiverlenging binnen de EU) een Europees wettelijk instrument is dat niet van toepassing is buiten de lidstaten. Positief is dat andere landen, waaronder ook ontwikkelingslanden, van de verworven kennis gebruik kunnen maken.
Nederlandse belangen en eerste algemene standpuntbepaling:
Nederland kan het voorstel op hoofdlijnen steunen, vanwege het belang van de verbetering in kwaliteit en veiligheid bij het voorschrijven van geneesmiddelen aan kinderen. Meer en betere gegevens ten behoeve van het voorschrijven van geneesmiddelen aan kinderen zal leiden tot minder ongewenste effecten, minder ziekenhuisopnames en bijgevolg besparing in kosten hiervan. Wel heeft Nederland nog reserves ten aanzien van de regeling van ethische aspecten van onderzoek bij kinderen, de beslissingsbevoegdheid van het Europese Geneesmiddelenbureau over plannen voor onderzoek bij kinderen en de wenselijkheid van een ongeclausuleerde verlenging van de dossierbescherming met een periode van zes maanden.
Fiche 4: Verordening betreffende het Algemeen Preferentieel Stelsel
Titel:
Proposal for a Council Regulation applying a scheme of generalised tariff preferences [NL versie niet beschikbaar]
| Datum Raadsdocument: | 25 oktober 2004 |
| Nr. Raadsdocument: | 13931/04 |
| Nr. Commissiedocument: | COM (2004) 699 |
| Eerstverantwoordelijk ministerie: | Economische Zaken i.o.m. BZ, LNV, VROM en FIN |
| Behandelingstraject in Brussel: | Raadswerkgroep APS, Comité 133, RAZEB. |
Achtergrond, korte inhoud en doelstelling van het voorstel:
Het Algemeen Preferentieel Systeem (APS) is een eenzijdig EU-stelsel van handelspreferenties, dat begunstigde landen tariefkortingen en/of tariefvrijstellingen op specifieke productsectoren geeft, zolang de landen voldoen aan een aantal criteria. Het doel van het APS is het verminderen van armoede en stimuleren van duurzame ontwikkeling via het bevorderen van internationale handel. Dit regime bestaat reeds enkele tientallen jaren. Het huidige APS loopt tot 1 januari 2006 en dient te worden herzien. Op 7 juli 2004 presenteerde de Commissie een mededeling waarin algemene richtlijnen voor het nieuwe APS voor de komende 10 jaar uiteengezet worden. In reactie daarop heeft de Raad op 12 oktober conclusies aangenomen waarin de mededeling werd verwelkomd. De doelstelling die de Commissie heeft geschetst in haar mededeling om het APS eenvoudiger, transparanter en meer voorspelbaar te maken, wordt gesteund. Wel werd aangegeven dat veel vragen bij de behandeling van de verordening zullen moeten worden opgehelderd. Om invulling te geven aan het nieuwe APS heeft de Commissie nu een concept Raadsverordening gepresenteerd, die een looptijd heeft tot 31 december 2008.
Het huidige systeem bestaat uit drie componenten: het reguliere APS voor alle ontwikkelingslanden die aan de vereisten voldoen;Everything but Arms (EBA, nulrecht) voor de minst ontwikkelde landen; en drie speciale clausules voor extra preferenties indien ontwikkelingslanden bijzondere inspanningen plegen op het gebied van arbeidsrechten, milieu of drugsbestrijding.
In het voorstel valt een aantal zaken op:
– Het reguliere APS wordt uitgebreid met 300 producten die als «gevoelig» betiteld worden en derhalve op de sensitieve lijst zouden komen (het APS dekt in totaal zo'n 7000 producten). Daarnaast worden geen producten van de bestaande sensitieve lijst naar de niet-sensitieve lijst overgeheveld. Ook de korting (nulrecht voor niet-gevoelige producten, 3,5 procentpunt voor gevoelige producten, de minimumrechten van 1%) blijft gelijk. EBA wordt ongewijzigd voortgezet.
– De drie speciale clausules voor arbeidsrechten, milieu en drugsbestrijding worden vervangen door één stimuleringsmaatregel voor duurzame ontwikkeling, het APS+. Dit APS+ geeft nulrecht voor alle goederen die onder het APS vallen indien het betrokken land een aantal conventies op het terrein van mensenrechten, arbeidsrechten, goed bestuur en drugsbestrijding heeft geratificeerd en geïmplementeerd. Bovendien moet het land zich vastleggen op het ratificeren en invoeren van de overige conventies over milieu en goed bestuur per 31 december 2008. Alleen de «meest kwetsbare» ontwikkelingslanden komen hiervoor in aanmerking.
– De graduatieregeling die bepaalt welke landen en producten in aanmerking komen voor preferenties is vereenvoudigd. Bovendien zal er nog maar één keer per drie jaar gegradueerd worden. In het huidige APS gebeurt dit nog jaarlijks.
– Verder stelt de Commissie voor om landen die een commercieel akkoord met de EU hebben gesloten waarin alle preferenties van het APS zijn opgenomen uit te sluiten van het APS.
– Tot slot valt op dat de Commissie geen voorstellen doet om de origineregels te verbeteren. De Commissie verwijst naar de separaat uitgevoerde herziening van de preferentiële oorsprongsregels die nog plaats moet vinden.
Rechtsbasis van het voorstel: art. 133 EG.
Besluitvormingsprocedure en rol Europees Parlement: Raad beslist met gekwalificeerde meerderheid, adviesrecht voor het Europees Parlement.
Instelling nieuw Comitologie-comité:
Op basis van het huidige APS bestaat er reeds een comitologie-comité. Voor de uitvoering van de nieuwe verordening zal dit comité worden gehandhaafd. Afhankelijk van het specifieke onderwerp zijn de artikelen 3 en 7 of 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.
Subsidiariteit en proportionaliteit:
Subsidiariteit: n.v.t., want Art. 133 EG-Verdrag geeft de Gemeenschap exclusieve bevoegdheden op het gebied van de handelspolitiek.
Proportionaliteit: positief, verordening is geëigend middel om gestelde doel te bereiken.
Consequenties voor de EU-begroting:
Geen. Vanwege het huidige APS dat nu van toepassing is, ontving de EU in 2002 € 2,2 miljard minder aan douane-opbrengsten. Het nieuwe APS zal een vergelijkbaar verlies aan douane-opbrengsten met zich meebrengen. Dit betekent dat in algemene zin het APS het aandeel van de douaneheffingen in de totale eigen middelen (de totale financieringsbron van de Unie) omlaag brengt. Dit heeft geen gevolgen voor de EU-begroting, omdat de benodigde middelen via het BNI-middel beschikbaar zijn en omdat er geen uitgaven uit de EU-begroting mee gemoeid zijn.
Financiële, personele en administratieve consequenties voor de rijksoverheid, decentrale overheden en/of bedrijfsleven en burger:
Het huidige APS kent een personele/administratieve last voor zowel douane als het bedrijfsleven in zoverre dat voor iedere import een formulier moet worden ingevuld, waarbij o.a. de oorsprong moet worden aangetoond om in aanmerking te komen voor preferenties. In het nieuwe APS blijft deze belasting ongeveer gelijk.
Consequenties voor nationale en decentrale regelgeving/beleid, (informatie over het inschakelen van nationale agentschappen / zelfstandige bestuursorganen e.d., implementatie en uitvoering, notificatie en handhaving en/of sanctionering): n.v.t.
Voorgestelde implementatietermijn (bij richtlijnen) dan wel voorgestelde datum inwerkingtreding (bij verordeningen en beschikkingen) met commentaar t.a.v. haalbaarheid: Het huidige APS heeft een looptijd tot 1 januari 2006. De Commissie stelt echter voor de verordening op 1 juli 2005 in werking te laten treden, een half jaar eerder dan werd voorzien. Hiermee voldoet de Commissie aan WTO verplichtingen om de huidige drugsclausule aan te passen. De drugsclausule geeft aan een aantal drugsproducerende landen preferenties om deze landen te stimuleren alternatieve gewassen te verbouwen. In 2002 diende India een klacht in bij de WTO over het discriminerende karakter van de drugsclausule in het huidige APS. De WTO stelde India in het gelijk, ook na een beroepsprocedure gestart door de EU. Inmiddels is de implementatietermijn voor deze uitspraak vastgesteld op 1 juli 2005. Om de uitspraak te implementeren zijn er twee mogelijkheden: 1) voor een half jaar de drugsclausule in het huidige APS aanpassen of 2) het nieuwe APS een half jaar eerder in werking laten treden. De Commissie heeft gekozen voor de tweede optie.
De keuze van de Commissie is de meest logische oplossing en is bovendien haalbaar. Het geeft alleen bedrijfsleven en ontwikkelingslanden zeer weinig tijd zich voor te bereiden op de nieuwe situatie. De verwachting is dat pas in de eerste maanden van 2005 een besluit zal vallen over het nieuwe APS. Hierdoor blijven slechts enkele maanden voorbereidingstijd over, terwijl een termijn van een jaar wenselijk is. Uitgezocht wordt of het mogelijk is om alleen het APS+ op 1 juli 2005 in te laten gaan. Daarmee vervalt immers de drugsclausule en wordt voldaan aan de uitspraak van de WTO. Op 1 januari 2006 zou dan de rest van het nieuwe APS in werking kunnen treden.
Consequenties voor ontwikkelingslanden:
Doel van het APS is het stimuleren van de economische ontwikkeling van ontwikkelingslanden, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de Minst Ontwikkelde Landen (MOL's) en overige ontwikkelingslanden. MOL's krijgen nulrecht via EBA, overige ontwikkelingslanden krijgen voor een beperkt aantal producten nulrecht en voor de overige producten een tariefkorting. Bij de herziening streeft Nederland naar een verhoging van de benutting van het APS, hetgeen positieve consequenties zal hebben voor ontwikkelingslanden. De voorstellen van de Commissie zijn echter teleurstellend op dit vlak. Het is dan ook de vraag of het nieuwe APS een verbetering zal betekenen voor ontwikkelingslanden t.o.v. het huidige APS.
Nederlandse belangen en eerste algemene standpuntbepaling:
Leidraad voor Nederland bij de herziening van het APS is het scheppen van een zo groot mogelijke markttoegang voor ontwikkelingslanden. Het huidige APS heeft vanwege zijn complexiteit een lage benuttingsgraad. Nederland meent dat de benuttingsgraad van het nieuwe systeem flink omhoog moet. Voor dat doel moeten de eenvoud en voorspelbaarheid van het systeem worden verbeterd. M.n. een verhoging van de voorspelbaarheid is van belang voor het bedrijfsleven. Een ander uitgangspunt voor Nederland is dat preferenties terecht moeten komen waar ze het hardste nodig zijn. Van belang is tevens dat het nieuwe APS volledig WTO-conform is.
Tot slot zal ook de herziening van de preferentiële regels van oorsprong van belang zijn. Nederland is voorstander van verdere vereenvoudiging, versoepeling en harmonisatie van deze regels, waarbij o.a. kan worden gekeken naar de regels in het Cotonou verdrag. In dit kader is van belang het in 2003 verschenen Groenboek over de toekomst van oorsprongsregels in preferentiële handelsakkoorden (COM (2003) 787). In reactie hierop is van vele kanten gepleit voor een grotere flexibiliteit van de oorsprongsregels. Bij de herziening van het APS zou dit moeten worden meegenomen. Tevens zijn bij de herziening consistentie, rechtszekerheid, fraudegevoeligheid en handhaafbaarheid van belang. Nederland onderschrijft het Commissiestandpunt dat de landen die profiteren van het APS een grote verantwoording hebben t.a.v. de juiste toepassing van de APS bepalingen.
In algemene zin is het Commissievoorstel teleurstellend. De conceptverordening heeft niet het ambitieniveau dat op basis van de Raadsconclusies en de mededeling van de Commissie kon worden verwacht en door Nederland wordt nagestreefd. Het aanbod is niet substantieel verbeterd en het APS wordt slechts beperkt vereenvoudigd of makkelijker toegankelijk. M.n. in de verbetering van het aanbod en op het gebied van oorsprongsregels had het APS aanzienlijk kunnen worden verbeterd.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-22112-352.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.