Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202022112 nr. 2834

22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie

Nr. 2834 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 oktober 2019

Namens het kabinet voldoe ik hierbij aan het verzoek van de vaste commissie voor Europese Zaken d.d. 5 september 2019 om een appreciatie van het verslag van de Europese Commissie over de toepassing van Verordening (EG) nr. 1049/2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees parlement, de Raad en de Commissie (COM (2019) 356).

Het kabinet steunt de Commissie in haar streven om de inzet voor meer transparantie en verantwoording op proactieve wijze om te zetten in daden. Ten aanzien van de uitvoering van het Interinstitutionele Akkoord Beter Wetgeven, heeft de Commissie bijvoorbeeld een actieve bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van het in december 2017 gelanceerde interinstitutionele register voor gedelegeerde handelingen. Verder juicht het kabinet de toename van het aantal inschrijvingen in het transparantieregister toe. De triloogonderhandelingen voor een verplichtstelling van het transparantieregister voor het Europees parlement, de Raad en de Commissie zijn in het voorjaar van 2019 door de Commissie gestaakt, mede omdat de Commissie van mening is dat de Raad en het Europees parlement een te laag ambitieniveau voor ogen hebben. Nederland heeft vanaf het begin van de onderhandelingen gestreefd naar een hoog ambitieniveau. Dit werd echter niet breed genoeg gedeeld in de Raad. Het mandaat van de Raad voor de triloogonderhandelingen is een eerste stap in de goede richting. Het is nu aan de nieuwe Commissie om de onderhandelingen weer op te starten.

De Raad steunt de algemene aanpak die de Commissie voorstelt, namelijk dat van belangenvertegenwoordigers wordt geëist dat zij zijn aangemeld bij het transparantieregister als voorwaarde voor interacties met EU-vertegenwoordigers. De Raad is tot het standpunt gekomen dat de interactie tussen belangenvertegenwoordigers en nationale ambtenaren, zoals de diplomaten die werkzaam zijn in de Permanente Vertegenwoordigingen bij de EU, uitsluitend de verantwoordelijkheid is van de betrokken lidstaat, ook in de omstandigheid dat de lidstaat als voorzitter van de Raad fungeert. Het mandaat van de Raad moedigt lidstaten echter wel aan om registratie in het transparantieregister verplicht te stellen voor bepaalde interacties met de permanente vertegenwoordigingen tijdens het voorzitterschap van de Raad. Op dit moment heeft het voor het kabinet de hoogste prioriteit dat het verplichte transparantieregister zo snel mogelijk geïmplementeerd wordt en van toepassing is op de Raad. Nederland zal aandringen op het zo snel mogelijk heropenen van de onderhandelingen bij de nieuwe Commissie.

Ten aanzien van verzoeken tot toegang tot documenten op basis van verordening 1049/2001 (hierna: Eurowob-verordening) is het kabinet verheugd dat steeds meer burgers en organisaties op de hoogte zijn van de mogelijkheid om een verzoek tot toegang tot EU-documenten in te dienen. Uit de statistieken blijkt dat de gevraagde documenten in meer dan 80% van de 6.912 gevallen in de initiële fase volledig of gedeeltelijk werden bekendgemaakt. Dit betekent een kleine procentuele afname ten opzichte van de 82% in 2017. In bijna 41% van de 288 aanvragen in de confirmatieve fase (beroep) werd bredere of zelfs volledige toegang verleend, tegenover 47,1% in 2017. Het bij de Commissie binnengekomen aantal initiële verzoeken steeg met 9,5% en het aantal reacties steeg met 7,5% ten opzichte van 2017. Een aanvraag behelst vaak meer dan één document waardoor de behandeling hiervan meerdere reacties omvat.

Zoals bekend hanteert Nederland bij de behandeling van Eurowobverzoeken in de Raad het uitgangspunt van zo veel mogelijk openbaarheid van documenten.

Het kabinet verwelkomt de jurisprudentie van het Hof van Justitie uit 2018 met betrekking tot van de Eurowob-verordening, die een leidraad zal vormen voor de praktijk van de Europese instellingen. Zo heeft het Hof van Justitie in verschillende zaken het belang van transparantie in het EU-wetgevingsproces verduidelijkt en onderstreept (zie met name zaak T 540/15, De Capitani en zaak C-57/16 P, ClientEarth).

Het kabinet onderschrijft het belang van de stappen die de Commissie de afgelopen jaren heeft gezet ten aanzien van de versterking van transparantie. Het is van belang dat de nieuwe Commissie deze ingeslagen weg ambitieus voortzet. De missiebrieven van beoogd Commissievoorzitter van der Leyen laten zien dat verwacht mag worden dat ook de nieuwe Commissie hier actief mee aan de slag zal gaan. Om deze boodschap te benadrukken heeft Nederland tijdens de Raad Algemene Zaken van 15 oktober jl. (Kamerstuk 21 501-02, nr. 2075), conform de toezegging die gedaan was in het AO belangenbehartiging van 3 oktober, het belang van transparantie in onder andere het Commissiewerkprogramma onderstreept en aangegeven uit te zien naar ambitieuze voorstellen ter zake.

Zoals eerder door het kabinet is aangegeven, is het slagen van een ambitieuze transparantieagenda enkel mogelijk indien transparantie door alle instellingen als gedeelde verantwoordelijkheid wordt beschouwd. Nederland heeft in het non-paper transparantie «increasing transparency and accountability of the EU», dat ondertussen door negen lidstaten ondertekend is, concrete doelstellingen geformuleerd die inzet vragen van alle EU instellingen. Eén van de voorstellen in het non-paper is snelle totstandkoming en ingebruikname van de gemeenschappelijke wetgevingsdatabase. Wat het kabinet betreft duurt dit nu te lang. Nederland blijft er daarom met de groep van gelijkgestemde landen bij de instellingen op aandringen dat deze er snel komt. Recent is dit ter gelegenheid van het seminar over transparantie, georganiseerd door het Finse EU Voorzitterschap op 24 september jl. wederom aangekaart. Tijdens dit seminar werd teruggekoppeld dat de onderhandelingen tussen de drie instellingen nog steeds gaande zijn. Nederland zal de instellingen vragen een tijdspad op te stellen waarin duidelijk staat hoe toegewerkt zal worden naar daadwerkelijke inwerkingtreding van de wetgevingsdatabase.

De Minister van Buitenlandse Zaken, S.A. Blok