22 112
Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie

nr. 280
BRIEF VAN DE MINISTER VOOR BESTUURLIJKE VERNIEUWING EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 27 juni 2003

In antwoord op de brief van 25 april jl. van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK03-13) over het door de regering aan de Tweede Kamer gezonden fiche inzake een «Kader voor Europese regelgevende agentschappen» (Kamerstukken 22 112, nr. 262, nr. 4) deel ik u het volgende mee.

Het door de Europese Commissie voorgestelde kader voor Europese regelgevende agentschappen is een vervolg op het Witboek «Europees Bestuur» («Governance») uit 2001. Eén van de voorstellen in het Witboek betrof de instelling van Europese regelgevende agentschappen. Deze zouden de effectiviteit van de uitvoering kunnen vergroten voor aangelegenheden waarvoor grote technische deskundigheid is vereist.

In zijn reactie op het Witboek «Europees Bestuur» oordeelde het kabinet destijds in beginsel positief over de meeste voorstellen van de Europese Commissie.

Naar de mening van het kabinet zou de instelling van Europese regelgevende agentschappen niet moeten worden uitgesloten, maar wel adviseerde het tot terughoudendheid daarmee. Daarvoor golden in hoofdzaak twee argumenten. In de eerste plaats zou uitvoering van op Unieniveau bepaald beleid volgens het subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel bij voorkeur in handen van de lidstaten dienen te worden gelegd. Ten tweede bestaat bij instelling van Europese regelgevende agentschappen de kans dat de democratische invloed en controle in het gedrang zullen komen.

Uit het verslag van de commentaren op het Witboek «Governance» (COM(2002) 705 final) blijkt dat in een meerderheid van de reacties twijfels worden geuit over de oprichting van regelgevende organen op EG-niveau.

Ter uitvoering van haar voornemens in het Witboek over Europese Governance heeft de Europese Commissie een mededeling doen uitgaan met een «Kader voor Europese regelgevende agentschappen» (COM(2002) 718 definitief). Met deze mededeling worden geen agentschappen ingesteld en evenmin biedt het daarvoor een wettelijke grondslag. In de mededeling zet de Commissie meer in detail uiteen welke eisen zij zal hanteren bij een voorstel voor instelling van een agentschap. Elk agentschap zal bij afzonderlijke verordening worden ingesteld.

Het oordeel over de voorstellen in de mededeling inzake het kader voor Europese agentschappen is op het punt van subsidiariteit, proportionaliteit en deregulering in beginsel negatief. Om die reden moet dan ook terughoudendheid worden betracht bij het instellen van nieuwe organen met zelfstandige besluitvormende bevoegdheden. Bij elk voorstel voor een verordening ter instelling van een Europees regelgevend agentschap zal het kabinet beoordelen of in voldoende mate en op de juiste wijze wordt voldaan aan de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit en van de politieke verantwoordelijkheid voor en democratische controle op het bestuurlijke doen en laten van het agentschap, zoals die in de Nederlandse reactie op het Witboek «Europees Bestuur» zijn gesteld. De Staten-Generaal zullen op de gebruikelijke wijze – via fiches – worden betrokken bij de totstandkoming van dergelijke verordeningen.

In interdepartementaal overleg zal nadere bestudering plaatsvinden van de wenselijkheid van en voorwaarden voor de instelling en het functioneren van Europese regelgevende agentschappen. Dit zal moet leiden tot zo concreet mogelijke richtsnoeren terzake voor de vertegenwoordigers van Nederland bij het overleg hierover in Europees verband.

Ten aanzien van het behandelingstraject dient te worden opgemerkt dat het kader voor Europese regelgevende agentschappen geen voorstel van de Europese Commissie inhoudt voor formele regelgeving. In het kader schetst de Commissie de uitgangspunten en criteria die zij zal hanteren bij het doen van voorstellen voor verordeningen tot instelling van regelgevende agentschappen. De beslissing daarover is volgens artikel 251 een gezamenlijke bevoegdheid van het Europees Parlement en de Raad van Ministers.

In de mededeling verklaart de Commissie te wensen om samen met het Europees Parlement en de Raad de criteria voor inschakeling van de betreffende agentschappen vast te stellen. De Commissie wacht nog op de reacties van het Europees Parlement en van de Raad van Ministers.

Over de haalbaarheid van de voorstellen van de Europese Commissie in het kader voor regelgevende agentschappen bestaat dan ook in algemene zin op dit moment geen duidelijkheid. Die zal concreet moeten blijken uit de besluiten van het Europees Parlement en de Raad over formele voorstellen tot instelling van Europese agentschappen.

De Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties„

Th. C. de Graaf

Naar boven