Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2018-2019 | 22112 nr. 2695 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2018-2019 | 22112 nr. 2695 |
Vastgesteld 28 september 2018
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister voor Rechtsbescherming over de brief van 20 april 2018 over het Fiche: verordening toepasselijk recht derdenwerking van grensoverschrijdende cessie (Kamerstuk 22 112, nr. 2546).
De vragen en opmerkingen zijn op 8 juni 2018 aan de Minister voor Rechtsbescherming voorgelegd. Bij brief van 27 september 2018 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Van Meenen
De griffier van de commissie, Hessing-Puts
|
I. |
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties |
2 |
|
|
1. |
Inleiding |
2 |
|
|
2. |
Essentie voorstel |
2 |
|
|
3. |
Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel |
3 |
|
|
4. |
Beoordeling bevoegdheid, subsidiariteit en proportionaliteit |
4 |
|
|
II. |
Reactie van de Minister voor Rechtsbescherming |
4 |
|
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het fiche bij het voorstel voor de verordening toepasselijk recht derdenwerking van grensoverschrijdende cessie (hierna: de verordening). Zij hebben een aantal vragen over de inzet van Nederland in de onderhandelingen over dit voorstel.
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het fiche over het voorstel voor de verordening. Zij delen de opvattingen dat delen van de verordening juist tot meer onduidelijkheid en daarmee duurdere procedures zullen leiden. Onverminderd kunnen deze leden zich goed vinden in het doel van de verordening, te weten meer uniformiteit ten aanzien van grensoverschrijdende transacties zoals cessie. Voornoemde leden hebben enkele vragen.
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het fiche over het voorstel voor de verordening. Zij onderschrijven ook de doelstelling van het nemen van maatregelen op Europees niveau voor toepasselijk recht op grensoverschrijdende cessies. Zij begrijpen daarnaast de bezwaren zoals geformuleerd in het fiche over de gekozen conflictregel. Het had zeker de voorkeur verdiend het recht dat van toepassing is tussen de cedent en cessionaris, van toepassing te verklaren. Nu dat geen haalbare kaart is gebleken, begrijpen deze leden de alternatieve keuze te kijken of het mogelijk is het recht dat van toepassing is op de overgedragen vordering als hoofdregel te introduceren voor de goederenrechtelijke aspecten van grensoverschrijdende cessie. Nu de situatie ook in het geval van deze mogelijkheid praktisch werkbaar zal blijven hebben voornoemde leden op dit moment geen vragen.
De leden van de VVD-fractie merken op dat het voorstel ingevolge artikel 5, sub a, verordening betreft de goederenrechtelijke werking van de cessie ten opzichte van andere derden dan de debiteur van de vordering. Een uniforme Europese regel daarvoor kan volgens deze leden wenselijk zijn. Naar de huidige wetgeving inzake Nederlands Internationaal Privaatrecht is daarop het cessiestatuut ook toepasselijk. Nederland wil in deze onderhandeling toepasselijkheid van het vorderingsstatuut bepleiten. Is bij deze positiebepaling voldoende meegewogen het grote belang van de Nederlandse financieringspraktijk bij handhaving van de toepasselijkheid van het cessiestatuut en daarmee van de mogelijkheid van een rechtskeuze voor ander dan Nederlands recht? Ligt het niet meer voor de hand de Nederlandse wettelijke regel te verdedigen? Heeft u onderzoek laten doen naar de nadelige gevolgen die een verandering van conflictregel (en daarmee het gemis van een rechtskeuze anders dan Nederlands recht) kan meebrengen voor het Nederlandse bedrijfsleven? De kosten van een zodanige verandering zouden namelijk wel eens hoger kunnen zijn dan de kosten van versnippering van het goederenrechtelijk regime voor de cessie, die in het fiche worden genoemd als bezwaar tegen het voorstel. Als het behoud van de bestaande regel niet mogelijk zou zijn, waarom zou dan toepasselijkheid van het vorderingsstatuut volgens u de voorkeur hebben boven toepasselijkheid van het recht van het land van vestiging van de cedent, zoals voorgesteld? Versnippering van het goederenrechtelijk regime treedt bij toepassing van het vorderingsstatuut volgens deze leden evenzeer, of misschien in nog sterkere mate op. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als een Nederlands bedrijf een pakket vorderingen cedeert, waarvan een deel door Nederlands recht en een ander deel door ander recht wordt beheerst. Een ander bezwaar is dat soms niet aanstonds duidelijk is welk recht een vordering beheerst. Aanknoping aan het recht van de plaats van vestiging van de cedent biedt meer vastigheid. Hoe staat u daar tegenover?
De leden van de VVD-fractie vragen waarom u een speciaal regime voor de cessie van tegoeden op bankrekeningen wenst, wanneer toepasselijkheid van het vorderingsstatuut hoofdregel zou worden. De huidige Nederlandse wet kent geen speciale regel. Ook een keuze tussen het vorderingsstatuut en het recht van de plaats van vestiging van de cedent maakt het voor cessies door in Nederland gevestigde cedenten veelal onmogelijk om de toepasselijkheid van Nederlands recht te vermijden. Graag ontvangen voornoemde leden hierop een toelichting.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe het kabinet zich zal inzetten de uiteindelijke verordening zo aangepast te krijgen dat het aansluit bij de wensen van het kabinet, gezien de bezwaren van het kabinet ten aanzien van de voorgenomen keuzes bij deze verordening.
Deze leden lezen dat de Europese Commissie verwacht dat het voorstel geen negatieve economische of sociale effecten zal hebben en ook niet nadelig zal zijn voor het milieu. Dit roept bij voornoemde leden de vraag op waar de Europese Commissie zich op baseert, mede gezien het standpunt van het kabinet dat door dit voorstel grensoverschrijdende cessie ingewikkelder en dus duurder wordt. Kunt u aangeven of er sprake zal zijn van flinke kostenstijgingen?
Kunt u aangeven welke gevolgen dit voorstel voor de Nederlandse rechtspraktijk zal hebben indien het voorstel onveranderd wordt aangenomen? Betreft het dan een fundamentele aanpassing van het Nederlandse civiele recht?
De leden van de VVD-fractie vragen of handhaving van het in artikel 14 Verordening Rome I neergelegde acquis onderdeel is van de Nederlandse inzet (zie artikel 14 Rome I, zoals uitgelegd in Overweging nr. 38 bij die verordening). Dat acquis stemt overeen met de in 2008 in de Nederlandse wet neergelegde regeling voor de cessie (artikel 10 Wet conflictenrecht goederenrecht en vervolgens artikel 10:135 Burgerlijk Wetboek) en met de gangbare praktijk van vóór 2008. De basis van de regeling blijft dan de toepasselijkheid van het cessiestatuut (het recht toepasselijk op de overeenkomst die tot cessie verplicht) op de goederenrechtelijke betrekkingen tussen cedent en cessionaris. Dat betekent: vrije rechtskeuze en bij gebreke van een rechtskeuze, toepasselijkheid van het recht van het land van vestiging van de cedent. Kunt u hierover duidelijkheid geven?
De leden van de CDA-fractie lezen dat er verdeeldheid bestaat binnen de lidstaten over de precieze invulling van dit onderwerp. Kunt u aangeven in welke lidstaten het voorgestelde systeem al bestaat? Gaat het hier om een meerderheid van de lidstaten? In hoeverre verwacht u weerstand uit andere lidstaten ten aanzien van dit voorstel?
Proportionaliteit
In het fiche lezen de leden van de CDA-fractie dat de proportionaliteit van het voorstel negatief is. Hoe zwaar zal dit wegen bij de verdere standpuntbepaling ten aanzien van dit voorstel? Kan het niet adresseren van dit proportionaliteitsprobleem betekenen dat het gehele voorstel niet akkoord wordt bevonden door Nederland? Welke gevolgen zal de negatieve beoordeling van de proportionaliteit van het voorstel hebben voor de verdere behandeling?
Naar aanleiding van de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 20 april 2018 inzake Fiche: verordening toepasselijk recht derdenwerking van grensoverschrijdende cessie (Kamerstuk 22 112, nr. 2546) heeft de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid mij vragen voorgelegd die ik hierbij graag beantwoord. Gezien de technische aard van het onderwerp hecht ik eraan een inleiding op te nemen voordat ik overga tot beantwoording van de vragen.
Inleiding
Cessie betreft de overdracht van vorderingen. Als bijvoorbeeld een leverancier (de «cedent») de vorderingen op zijn klanten overdraagt aan een factormaatschappij (de «cessionaris») die de vorderingen bij de klant (de schuldenaar) gaat innen, bestaat er een rechtsverhouding met drie partijen (de leverancier, de klant en de factormaatschappij). Als de leverancier, zijn klanten en de factormaatschappij in verschillende lidstaten gevestigd zijn, is het de vraag naar welk recht de goederenrechtelijke aspecten van de cessie beoordeeld moeten worden. Bij goederenrechtelijke aspecten gaat het bijvoorbeeld om de vraag of de overdracht van de vorderingen geldig is en tot wiens vermogen een vordering behoort. Dit is van belang voor schuldeisers van de leverancier en schuldeisers van de factormaatschappij.
Voor het beoordelen van de goederenrechtelijke aspecten van een cessie bestaan drie gangbare aanknopingspunten:
(1) het recht dat van toepassing is op de overeenkomst van cessie tussen de cedent en de cessionaris (de overeenkomst tussen leverancier en factormaatschappij),
(2) het recht dat van toepassing is op de vordering die wordt overgedragen (de overeenkomst tussen leverancier en klant), en
(3) het recht van de vestigingsplaats van de cedent (het land waar de leverancier is gevestigd).
In Nederland geldt op dit moment aanknopingspunt (1), het toepasselijk recht op de overeenkomst van cessie, voor de vraag of een cessie geldig is en tot wiens vermogen de vordering behoort. Er zijn ook lidstaten die voor deze vraag gebruik maken van aanknopingspunt (2), het recht dat van toepassing is op de vordering die wordt overgedragen (o.a. het Verenigd Koninkrijk en Spanje), of aanknopingspunt (3), het recht van de vestigingsplaats van de cedent (o.a. Frankrijk en België).
Het verschilt dus per lidstaat welk aanknopingspunt gebruikt wordt. Het voorstel voor de verordening harmoniseert dit aanknopingspunt voor de goederenrechtelijke aspecten van een cessie. De Europese Commissie kiest in haar voorstel voor aanknopingspunt 3, het recht van de vestigingsplaats van de cedent. Dat betekent dat de geldigheid van de overdracht van de vordering op de klant door de leverancier aan de factormaatschappij wordt beantwoord naar het recht van het land waar de leverancier gevestigd is. Het voorstel voorziet daarnaast in twee uitzonderingen op de hoofdregel. Voor de overdracht van tegoeden op bankrekeningen (dat zijn feitelijk vorderingen van de rekeninghouder op de bank) wordt het recht dat toepasselijk is op de overgedragen vordering (de overeenkomst tussen bank en klant) aangewezen als aanknopingspunt. Voor securitisaties1 wordt naast de hoofdregel van de vestigingsplaats van de cedent een rechtskeuzemogelijkheid voor partijen ingevoerd voor het recht dat toepasselijk is op de overgedragen vordering.
Het voorstel gaat alleen over de goederenrechtelijke aspecten van grensoverschrijdende cessie, namelijk de werking jegens eenieder. Het voorstel regelt niet de verbintenissen over en weer tussen de partijen (cedent en cessionaris) en de relatie tot de schuldenaar van de vordering (de contractuele aspecten). Deze contractuele aspecten zijn geregeld in een andere Europese verordening, de zogenoemde Rome I-verordening («Rome I»).2 Rome I gaat over het toepasselijke recht op overeenkomsten. Artikel 14 lid 1 van Rome I bepaalt dat de verbintenissen over en weer tussen cedent en cessionaris worden beheerst door het recht dat van toepassing is op hun overeenkomst van cessie (aanknopingspunt 1 hiervoor). Artikel 14 lid 2 van Rome I bepaalt dat de relatie tot de schuldenaar van de vordering wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op de vordering die wordt overgedragen (aanknopingspunt 2 hiervoor).
Om verschillende redenen is Nederland geen voorstander van de in het voorstel aangewezen hoofdregel. De belangrijkste reden is dat de keuze voor aanknopingspunt 3, het recht van de vestigingsplaats van de cedent, meebrengt dat voor iedere cessie drie rechtsstelsels in acht moeten worden genomen. Ten eerste is dat het recht dat van toepassing is op de cessieovereenkomst (aanknopingspunt 1 hiervoor) voor de verbintenissen over en weer tussen de cedent en de cessionaris (artikel 14 lid 1 Rome I). Ten tweede is dat het recht dat van toepassing is op de overgedragen vordering (aanknopingspunt 2 hiervoor) voor de relatie tot de schuldenaar van de vordering (artikel 14 lid 2 Rome I). Ten derde is dat het recht van de vestigingsplaats van de cedent (aanknopingspunt 3 hiervoor) voor de vraag of de cessie geldig is en tot wiens vermogen de vordering behoort.
Het is goed mogelijk dat deze drie aanknopingspunten elk het recht van een ander land aanwijzen. Dit kan als in het eerder genoemde voorbeeld van de leverancier, op de cessieovereenkomst tussen de leverancier en de factormaatschappij Frans recht van toepassing is, op de overgedragen vordering van de leverancier op zijn klant Duits recht van toepassing is en de leverancier in Nederland is gevestigd. Voor één cessie moet dan rekening worden gehouden met Frans recht, Duits recht én Nederlands recht. Het spreekt voor zich dat dit een cessie niet eenvoudiger maar ingewikkelder en dus duurder maakt.
In Nederland worden de goederenrechtelijke aspecten van cessie momenteel beheerst door het recht dat van toepassing is op de overeenkomst van cessie tussen de cedent en de cessionaris (aanknopingspunt 1). Het heeft daarom de voorkeur dit aanknopingspunt in het voorstel op te nemen als hoofdregel in plaats van de vestigingsplaats van de cedent. Dat aanknopingspunt is bovendien bekend bij andere lidstaten, omdat het als aanknopingspunt wordt gebruikt voor de contractuele aspecten van cessie tussen cedent en cessionaris op grond van artikel 14 lid 1 van Rome I. De Europese Commissie heeft er echter bij herhaling op gewezen dat de meerderheid van de lidstaten bezwaren heeft tegen dit aanknopingspunt als hoofdregel en dat hiervoor ook bij de stakeholders geen steun bestaat. De reden daarvoor is dat het recht dat de overeenkomst tussen cedent en cessionaris beheerst, vaak door die partijen is gekozen. Lidstaten zouden het bezwaarlijk vinden dat een rechtskeuze van twee partijen de relatie tot een derde, die buiten de overeenkomst staat, beheerst. Voor het behouden van het Nederlandse systeem bestaat daarom onvoldoende steun.
Hierover is verschillende keren overleg gevoerd met stakeholders in Nederland. Zij hebben unaniem aangegeven dat toepasselijkheid van het recht dat de overgedragen vordering beheerst voor het beoordelen van de geldigheid van een cessie een werkbare oplossing is voor de Nederlandse financieringspraktijk. Toepasselijkheid van het recht van de vestigingsplaats van de cedent is dat niet omdat dit transacties ingewikkelder en dus kostbaarder maakt. Om enerzijds de Nederlandse stakeholders tegemoet te komen en anderzijds de aansluiting met andere lidstaten die voorstander zijn van toepasselijkheid van het recht dat de vordering beheerst niet te verliezen, is ervoor gekozen om in de onderhandelingen de toepasselijkheid van aanknopingspunt 2, het recht dat de overgedragen vordering beheerst, te bepleiten.
Beantwoording vragen
De leden van de VVD-fractie merken op dat naar de huidige wetgeving het cessiestatuut toepasselijk is op de werking van cessie jegens derden, terwijl Nederland in de onderhandelingen toepasselijkheid van het vorderingsstatuut wil bepleiten. Zij vragen of bij deze positiebepaling het belang van de Nederlandse financieringspraktijk bij handhaving van de toepasselijkheid van het cessiestatuut en daarmee van de mogelijkheid van een rechtskeuze voor ander dan Nederlands recht voldoende is meegewogen en of het niet meer voor de hand ligt de Nederlandse wettelijke regel te verdedigen.
Nederland hanteert momenteel inderdaad het recht dat de cessieovereenkomst beheerst als toepasselijk recht op de goederenrechtelijke aspecten van grensoverschrijdende cessie (waar derdenwerking onderdeel van uitmaakt). In een eerder stadium is steeds gepleit voor toepasselijkheid van dat systeem. De verwachting is echter dat het bestaande Nederlandse systeem op onvoldoende steun kan rekenen bij andere lidstaten (zie ook de inleiding). De onderhandelingen ingaan met als doel de toepasselijkheid van het Nederlandse regime te handhaven lijkt daarom niet realistisch. Omdat stakeholders in Nederland hebben aangegeven te kunnen werken met toepasselijkheid van het recht dat de overgedragen vordering beheerst, is ervoor gekozen toepasselijkheid van dat systeem tijdens de onderhandelingen te bepleiten. Over de vraag of rekening is gehouden met het belang van de Nederlandse financieringspraktijk bij handhaving van de mogelijkheid van een rechtskeuze voor ander dan Nederlands recht merk ik het volgende op. De stakeholders hebben aangegeven te kunnen werken met het recht dat de overgedragen vordering beheerst als toepasselijk recht op de goederenrechtelijke aspecten van cessie, ongeacht of dat leidt tot toepasselijkheid van het Nederlands recht of een ander recht.
De leden van de VVD-fractie vragen of ik onderzoek heb laten doen naar de nadelige gevolgen die een verandering van conflictregel (en daarmee het gemis van een rechtskeuze anders dan Nederlands recht) kan meebrengen voor het Nederlandse bedrijfsleven. Deze leden vrezen dat versnippering van het goederenrechtelijk regime evenzeer, of misschien in nog sterkere mate, optreedt bij toepassing van het vorderingsstatuut en vragen of aanknoping bij de vestigingsplaats van de cedent niet meer vastigheid biedt.
Ook de leden van de CDA-fractie hebben vragen over de gevolgen van het voorstel. Zij willen weten of er sprake zal zijn van kostenstijgingen en welke gevolgen dit voorstel voor de Nederlandse rechtspraktijk zal hebben indien het voorstel onveranderd wordt aangenomen. Ook vragen zij zich af of het voorstel een fundamentele aanpassing van het Nederlandse civiele recht betreft.
De gevolgen van het veranderen van de conflictregel zijn uitgebreid gesproken met verschillende stakeholders, waaronder banken (inclusief de NVB en DNB), de FAAN (belangenbehartiger van stakeholders in de factoringmarkt), advocaten en wetenschappers. Tijdens die overleggen is gebleken dat wijziging van de bestaande conflictregel hoe dan ook gevolgen heeft; onder andere zal Boek 10 BW, dat het Nederlandse internationaal privaatrecht bevat, gewijzigd moeten worden. De conflictregel in artikel 10:135 lid 2 BW (toepasselijkheid van het recht dat de cessieovereenkomst tussen cedent en cessionaris beheerst) kan niet langer worden toegepast als het voorstel ongewijzigd wordt aangenomen. De verschillende stakeholders gaven echter aan goed te kunnen leven met het recht dat de overgedragen vordering beheerst als hoofdregel voor het toepasselijke recht op de goederenrechtelijke aspecten van cessie. Dit is een conflictregel waar de praktijk, op grond van artikel 14 lid 2 van Rome I, al rekening mee houdt in de relatie tot de debiteur van de vordering (met name de vraag aan wie de debiteur bevrijdend kan betalen).
Dat is niet het geval als het voorstel ongewijzigd zou worden aangenomen en de toepasselijkheid van het recht van de vestigingsplaats van de cedent de hoofdregel zou worden. Hiervoor werd al uiteengezet dat iedere transactie ingewikkelder zou worden omdat op verschillende aspecten ervan mogelijk andere rechtsstelsels van toepassing zijn. Als voorbeeld wordt de situatie genoemd dat een Franse cedent en een Engelse cessionaris een cessieovereenkomst sluiten waarop Engels recht van toepassing is, terwijl op de vordering die wordt overgedragen Duits recht van toepassing is. In de relatie tussen cedent en cessionaris zal, op grond van artikel 14 lid 1 van Rome I, het recht van toepassing zijn dat hun cessieovereenkomst beheerst, in het voorbeeld Engels recht. Op grond van artikel 14 lid 2 van Rome I is in relatie tot de debiteur van de vordering het recht van toepassing dat de vordering beheerst, dat wil zeggen Duits recht. Invoering van het recht van de vestigingsplaats van de cedent als toepasselijk recht op de goederenrechtelijke aspecten van de cessie, zou betekenen dat voor iedere cessie daarnaast rekening moet worden gehouden met Frans recht. Dit zal leiden tot hogere kosten voor juridisch advies. Het is immers mogelijk dat voor iedere grensoverschrijdende transactie mogelijk in drie verschillende landen juridisch advies zal moeten worden ingewonnen. In het hiervoor genoemde voorbeeld in Frankrijk, Engeland en Duitsland. Het Engelse advies zal gaan over de contractuele aspecten van de cessie tussen cedent en cessionaris. Het Duitse advies zal gaan over de vraag hoe de cessie kan worden tegengeworpen aan de debiteur en het Franse advies zal gaan over de goederenrechtelijke aspecten van de cessie (onder meer de geldigheid en werking jegens derden). Als het voorstel onveranderd wordt aangenomen, leidt dit voor de rechtspraktijk tot kostenstijgingen en rechtsonzekerheid.
Stakeholders geven ook aan dat zij meer kosten verwachten. Ik heb hierover nog geen precieze cijfers ontvangen.
Een ander belangrijk punt is de verwachting dat in de veranderende wereld, waarin technologie en internationalisering steeds bepalender worden, het belang van geografische aanknopingspunten zal afnemen. Het is dan ook een stap terug in plaats van een stap vooruit om voor overdracht en bezwaring van vorderingen (die niet tastbaar zijn maar juist abstract) te kiezen voor een geografisch aanknopingspunt.
Het kabinet is om deze redenen van mening dat aanknoping bij het recht dat de overgedragen vordering beheerst wenselijker is dan aanknoping bij de plaats van vestiging van de cedent.
De leden van de VVD-fractie vragen mij waarom, als het behoud van de bestaande regel niet mogelijk zou zijn, toepasselijkheid van het vorderingsstatuut volgens mij de voorkeur zou hebben boven toepasselijkheid van het recht van het land van vestiging van de cedent, zoals voorgesteld. Deze leden vragen verder waarom ik een speciaal regime voor de cessie van tegoeden op bankrekeningen wens, wanneer toepasselijkheid van het vorderingsstatuut hoofdregel zou worden.
Toepasselijkheid van het recht van het land van de vestiging van de cedent is om verschillende redenen onwenselijk. In de inleiding heb ik al toegelicht dat, als het recht van de vestigingsplaats van de cedent de goederenrechtelijke aspecten van een cessie beheerst, voor iedere cessie drie rechtsstelsels in acht moeten worden genomen. Dit leidt tot hogere kosten en rechtsonzekerheid. Daarnaast is het, zoals hiervoor reeds opgemerkt, een stap terug in plaats van een stap vooruit om in een veranderende wereld, waarin het belang van geografische aanknopingspunten zal afnemen, een nieuw geografisch aanknopingspunt te introduceren. Dat klemt te meer nu het gaat om vorderingen, die naar hun aard geen tastbare zaken zijn en dus geen geografische basis hebben. Het recht van de overgedragen vordering sluit als aanknopingspunt bovendien aan bij Rome I, terwijl dit voor het recht van de vestigingsplaats van de cedent niet het geval is. Rome I regelt alle verbintenisrechtelijke aspecten van een cessie. Op grond van artikel 14 lid 2 van Rome I is het recht dat de vordering beheerst van toepassing in de relatie met de debiteur van de overgedragen vordering. Het is dus een aanknopingspunt waar partijen bij een cessie nu al rekening mee houden en dat voor alle lidstaten bekend is. Dat geldt niet voor het recht van de vestigingsplaats van de cedent, dat onder Rome I geen aanknopingspunt vormt. Tot slot zou invoering van het recht dat de overgedragen vordering beheerst als hoofdregel als voordeel hebben dat in ieder geval ten aanzien van alle derden, waaronder de debiteur van de overgedragen vordering, hetzelfde recht van toepassing is op bijvoorbeeld de vraag of de cessie geldig is en de vordering daadwerkelijk is overgegaan in het vermogen van de cessionaris. De stakeholders hebben aangegeven dat gebruik van het recht dat de overgedragen vordering beheerst om deze redenen beter zal werken dan het recht van de vestigingsplaats van de cedent.
Als het recht dat de overgedragen vordering beheerst de hoofdregel wordt, is een apart regime voor bankrekeningen inderdaad niet nodig. De lidstaten (en de Europese Commissie) zijn het erover eens dat de goederenrechtelijke aspecten van cessie van tegoeden op bankrekeningen moeten worden beheerst door het recht dat van toepassing is op de overgedragen vordering. Dit sluit aan bij de bestaande praktijk en staat ook zo in het voorstel van de Europese Commissie. Toepasselijkheid van een ander rechtsstelsel dan het recht dat de vordering beheerst is ook volgens de stakeholders onwenselijk.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe het kabinet zich zal inzetten de uiteindelijke verordening zo aangepast te krijgen dat het aansluit bij de wensen van het kabinet, gezien de bezwaren van het kabinet ten aanzien van de voorgenomen keuzes bij deze verordening.
Het is Nederland bekend dat er lidstaten zijn (o.a. Frankrijk, België en Luxemburg) waar nu het recht van de vestigingsplaats van de cedent geldt als het toepasselijke recht op de goederenrechtelijke aspecten van cessie. Andere lidstaten (o.a. het Verenigd Koninkrijk en Spanje) passen nu het recht dat de vordering beheerst toe op de goederenrechtelijke aspecten van cessie. Nederland zal ervoor pleiten dat het recht dat de overgedragen vordering beheerst de hoofdregel wordt voor het toepasselijk recht op de goederenrechtelijke aspecten van cessie. Nederland heeft er geen probleem mee als naast die hoofdregel een beperkte rechtskeuze wordt ingevoerd voor het recht van de vestigingsplaats van de cedent, zodat de regeling daarmee een keuze tussen een van deze stelsels toestaat. Voor de formulering van een beperkte rechtskeuze kan worden aangesloten bij artikel 4 lid 3 van het voorstel. Daar is de omgekeerde situatie geregeld voor securitisaties, namelijk de mogelijkheid om, naast de hoofdregel van het recht van de vestigingsplaats van de cedent, te kiezen voor het recht dat de overgedragen vordering beheerst. In het door Nederland voorgestelde compromis zou het recht dat de overgedragen vordering beheerst de hoofdregel worden en het recht van de vestigingsplaats van de cedent de keuzemogelijkheid.
Nederland zal daarvoor in gesprek gaan met de delegaties van de andere lidstaten en de Commissie.
De leden van de VVD-fractie vragen of handhaving van het in artikel 14 Verordening Rome I neergelegde acquis onderdeel is van de Nederlandse inzet (zie artikel 14 Rome I, zoals uitgelegd in overweging 38 in de considerans bij die verordening). Zij wijzen erop dat dat acquis overeenstemt met de in 2008 in de Nederlandse wet neergelegde regeling voor de cessie (artikel 10 Wet conflictenrecht goederenrecht en vervolgens artikel 10:135 Burgerlijk Wetboek) en met de gangbare praktijk van vóór 2008.
In Nederland wordt overweging 38 in de considerans bij Rome I zo uitgelegd dat ook de geldigheid van de cessie tussen cedent en cessionaris onder de reikwijdte van artikel 14 lid 1 van Rome I valt. Andere lidstaten en de Commissie leggen deze bepaling minder ruim uit. Dit heeft te maken heeft met een verschillend begrip van wat «goederenrechtelijk» is. De Europese Commissie lijkt ervan uit te gaan dat het nieuwe voorstel alle goederenrechtelijke aspecten van cessie regelt. Dit is ook wat het kabinet wil: één regime voor alle goederenrechtelijke aspecten (dus ook die tussen cedent en cessionaris). Overigens bepleit een aantal lidstaten om de regeling in het voorstel in haar geheel op te nemen in Rome I. Voor het kabinet is aanvaardbaar om een regeling voor de goederenrechtelijke aspecten van cessie in Rome I op te nemen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat er verdeeldheid bestaat binnen de lidstaten over de precieze invulling van dit onderwerp. Zij vragen of ik kan aangeven in welke lidstaten het voorgestelde systeem al bestaat en of het gaat om een meerderheid van de lidstaten. Zij vragen mij verder in hoeverre ik weerstand verwacht uit andere lidstaten ten aanzien van dit voorstel.
In ieder geval Frankrijk, België en Luxemburg hanteren het systeem dat door de Europese Commissie wordt voorgesteld, namelijk het recht van de vestigingsplaats van de cedent. Er zijn mogelijk meer lidstaten die dat systeem hanteren maar het is niet bekend of het een meerderheid betreft. Er is namelijk ook een aantal lidstaten (o.a. Spanje en Engeland) dat uitgaat van het recht dat de overgedragen vordering beheerst. Hierbij wordt ook gewezen op de impact assessment van de Europese Commissie, p. 18.3 Bij de onderhandelingen over Rome I zijn de lidstaten er destijds niet uitgekomen om dit onderwerp op Europees niveau te regelen vanwege grote verschillen onderling. De kans bestaat dus dat er nu weer veel tegenstand en onderlinge verdeeldheid zullen zijn.
In het fiche lezen de leden van de CDA-fractie dat de proportionaliteit van het voorstel negatief is. Zij vragen zich af hoe zwaar dit zal wegen bij de verdere standpuntbepaling ten aanzien van dit voorstel en of het niet adresseren van dit proportionaliteitsprobleem zal betekenen dat het gehele voorstel niet akkoord wordt bevonden door Nederland. Zij vragen daarnaast welke gevolgen de negatieve beoordeling van de proportionaliteit van het voorstel zal hebben voor de verdere behandeling.
Dit voorstel dient in de Raad met gekwalificeerde meerderheid te worden aangenomen. Dat kan ook zonder instemming van Nederland. Het is daarom van belang aansluiting te zoeken bij andere lidstaten die ook voorstander zijn van de voor Nederland acceptabele optie van het recht dat de overgedragen vordering beheerst als hoofdregel voor het toepasselijke recht op de goederenrechtelijke aspecten van grensoverschrijdende cessie.
Bij securitisaties worden grote aantallen vorderingen (vaak hypotheekvorderingen) overgedragen door banken aan speciaal daarvoor opgerichte bedrijven. Het worden daardoor verhandelbare effecten («securities»). Het doel van securitisaties is onder andere het opschonen van de balans van de bank. Als de vorderingen verkocht zijn, staan ze namelijk niet langer op de balans.
Verordening (EG) nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-22112-2695.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.