Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201222112 nr. 1245

22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie

Nr. 1245 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 21 oktober 2011

Binnen de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie1 hebben enkele fracties de behoefte om enige vragen en opmerkingen voor te leggen aan de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie inzake een brief van 20 september 2011 over het EU-voorstel Groenboek exportcontrole Dual Use COM(2011) 393 en over de brief van 22 september 2011 inzake de kabinetsreactie groenboek exportcontrole dual-usegoederen (Kamerstuk 22 112, nr. 1225).

De staatssecretaris heeft deze vragen beantwoord bij brief van 23 september 2011.

Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Van der Ham

De adjunct-griffier van de commissie,

Peen

Inhoudsopgave

Blz.

   

Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

2

   

Reactie van de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie

9

I. VRAGEN EN OPMERKINGEN VANUIT DE FRACTIES

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de VVD

Exportcontrolebeleid is erop gericht te voorkomen dat geëxporteerde goederen een bijdrage leveren aan de proliferatie van massavernietigingswapens of gebruikt worden voor militaire doeleinden in landen van zorg. De leden van de VVD-fractie steunen deze doelstellingen van harte en zijn van mening dat Nederland en de EU hierbij internationaal een actieve rol moeten blijven spelen. Tegelijkertijd zijn de leden zich ervan bewust dat het handhaven van de regels op een transparante en efficiënte wijze moet gebeuren, om zoveel mogelijk ongemak bij de industrie te voorkomen. Bij het verlenen van vergunningen moet binnen de kaders van de regelgeving zoveel mogelijk rekening worden gehouden met het verkleinen van de hinder voor het bedrijfsleven. Hoe denkt de staatssecretaris dat de hinder die bedrijven ondervinden bij de export van goederen voor tweeërlei gebruik verder verminderd kan worden? Hoe kunnen bijvoorbeeld de administratieve lasten verminderd worden?

In de kabinetsreactie wordt gesteld door export van goederen voor tweeërlei gebruik mogelijk 10% van de export van de EU uitmaakt, terwijl deze 1% van de Nederlandse export vormt. Welke plaats neemt Nederland in de EU in als exporteur van dit soort goederen en welke landen zijn de grootste exporteurs, relatief en absoluut?

Op internationaal niveau zal er gezorgd moeten worden dat regelgeving zoveel mogelijk geharmoniseerd is, om te voorkomen dat Nederlandse bedrijven hun concurrentiepositie zien verslechteren. Op wat voor een manier proberen Nederland en de EU hieraan met gericht beleid een bijdrage te leveren?

De Europese Commissie geeft aan dat de praktische uitvoering van het beleid en de regelgeving door lidstaten heeft geleid tot verschillende benaderingen, te onderscheiden in administratieve, essentiële en operationele verschillen. Kan de staatssecretaris aangeven hoe deze verschillen in de EU er in de praktijk uitzien, waar deze toe leiden en op welke wijze Nederland en Nederlandse bedrijven door deze verschillende benaderingen bij de implementatie hinder ondervinden, bijvoorbeeld doordat zij een grotere hinder ondervinden dan bedrijven in andere lidstaten van de EU? Kan het voorkomen dat bedrijven met meerdere vestigingen daardoor kiezen voor het «makkelijkste» regime, gezien het internationale karakter van de meeste van deze bedrijven.

Nu er een Europese wettelijk kader en beleidskader is moet er gezorgd worden dat de vastgestelde regels zoveel mogelijk op gelijke wijze worden nageleefd door de verschillende lidstaten, een level-playing field is een kernvoorwaarde voor de interne markt. Na harmonisatie van de regelgeving moet nu worden overgegaan tot harmonisatie van de implementatie om Europese bedrijven op internationaal niveau een gelijk speelveld te geven. De leden van de VVD-fractie delen hierbij de mening van de staatssecretaris dat er een verbetering moet komen op het gebied van informatie-uitwisseling. Hoe kan dit volgens de staatssecretaris het beste worden vormgegeven? Hoe kan ervoor worden gezorgd dat lidstaten tevens dezelfde criteria en belangenafweging zouden gebruiken om vervolgens deze informatie te beoordelen?

De leden van de VVD-fractie steunen net als de regering het eindbeeld van de Europese Commissie dat de samenwerking tussen de EU-douaneautoriteiten een voorbeeld is voor de uitvoercontrole-instanties en is tevens van mening dat er echter geen one size fits all benadering moet worden gekozen.

De staatssecretaris is voorstander van het verplaatsen van de aanpassingsprocedure naar een besluitvorming in de Raad. Verwacht de staatssecretaris dat hier problemen ontstaan wanneer bepaalde landen een belang hebben bepaalde producten aan zo weinig mogelijk restricties te verbinden waardoor een effectieve actualisering van de controlelijsten belemmerd of vertraagd kan worden? Zijn er nog andere mogelijkheden om de aanpassingsprocedure van de controlelijsten efficiënter te maken?

In de kabinetsreactie wordt gesteld dat de Nederlandse regering geen voorstander is van afschaffing of inkorting van de lijst met goederen waarvoor ook binnen de EU een vergunning is verricht. Kan de staatssecretaris toelichten wat hiervoor de overwegingen zijn? Is de staatssecretaris niet van mening dat het ook in het voordeel van de Nederlandse industrie zou zijn wanneer er een interne markt voor dit soort goederen in de EU zou kunnen functioneren? De leden zijn van mening dat in sommige gevallen dit mogelijk moet zijn.

In de kabinetsreactie wordt aangegeven dat Nederland terughoudend is met het gebruik van de algemene vergunningen, waarom is dit de mening van de staatssecretaris? Is dit tevens het geval in andere EU-lidstaten? Zo nee, hoe kan ervoor gezorgd worden dat gebruik hiervan geharmoniseerd wordt?

De afhandeling van individuele en globale vergunningen duurde in 2010 gemiddeld 4 weken. Wat was dit gemiddelde op EU-niveau? Hoe kan ervoor gezorgd worden deze wachttijd te verlagen, zonder de inhoudelijke toetsing aan te tasten, om de hinder voor het Nederlandse bedrijfsleven zoveel mogelijk te beperken?

In welke gevallen wordt een catch-all door Nederland ingezet? In hoeverre wordt dit ook door andere Europese landen gedaan? Is het wenselijk dit op Europees niveau te harmoniseren en coördineren?

Concluderend zijn de leden van de VVD-fractie van mening dat het initiatief van de Europese Commissie om te kijken naar het functioneren van het huidige systeem positief is. Wat de leden betreft werkt het huidige systeem goed, maar moet er zoveel mogelijk gekeken worden naar de mogelijkheden om efficiënter met de uitvoering om te gaan. We moeten niet toe naar en aanscherping, maar een harmonisatie van de uitvoering van de huidige regelgeving. Hierbij moet vooropstaan dat de controle op de goederen goed uitgevoerd moet blijven, dat de hinder voor het bedrijfsleven tot een minimum moet worden beperkt en dat EU-lidstaten zoveel mogelijk op dezelfde wijze de regels moeten toepassen. Specifiek moeten hier met name een geharmoniseerd Europees exportcontrolesysteem en gemeenschappelijk exportcontrolebeleid aan bijdragen, aangevuld met een betere uitwisseling van informatie en het vergroten van de transparantie over de implementatie van het beleid in alle EU-lidstaten, zodat de handhaving van het beleid zoveel mogelijk op dezelfde wijze zal gebeuren.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdA

De leden van de fractie van de PvdA hebben met belangstelling kennis genomen van het groenboek van de Europese Commissie en de kabinetsreactie op dit groenboek. De leden verwelkomen dit groenboek dat als doel heeft een breed publiek debat op gang te brengen over de werking van huidige systeem. Deze leden hopen dat dit groenboek als basis kan dienen voor een langere termijn visie van het EU-kader voor controles op de uitvoer van dual-usegoederen. De leden hebben echter nog enkele vragen.

Het algemene kader waarbinnen leveranties van goederen voor tweeërlei gebruik worden vastgesteld is vastgelegd in Europese regelgeving. Toch bestaat er verschil in de praktische uitvoering door de verschillende lidstaten met verschillende benaderingen in de EU tot als gevolg. De verschillen in uitvoering hebben te maken met administratieve verschillen, essentiële verschillen en operationele verschillen tussen de lidstaten. De leden betreuren het dat in het groenboek slechts aangeven wordt dat er nagedacht moet worden over een beperking van de belangrijkste verschillen in de toepassing van de verordening producten voor tweeërlei gebruik. De staatssecretaris geeft in zijn reactie op het groenboek aan dat Europa een stap voorsprong heeft. Deelt de staatssecretaris de mening dat de verschillen juist weergeven dat er nog helemaal geen sprake is van een voorsprong? Deelt de staatssecretaris eveneens de mening dat de Europese Commissie wel degelijk met oplossingen moet komen over dit probleem en niet slechts moet «nadenken» over mogelijke aanpassingen? Indien dit het geval is, op welke wijze gaat de staatssecretaris deze dialoog bevorderen?

Kan de staatssecretaris aangeven waaruit blijkt dat de samenwerking binnen Europa op het gebied van exportcontrole goed is? Zijn er ook landen binnen de EU waar moeizaam mee valt samen te werken? Zo ja, welke landen zijn dit? De staatssecretaris geeft aan dat de samenwerking erg goed is, maar hij geeft tegelijkertijd aan dat hij de mening van de Europese Commissie deelt dat de effectiviteit kan worden vergoot. Kan de staatssecretaris toelichten op welke wijze hij denkt dat de effectiviteit verbeterd kan worden?

De leden van de fractie van de PvdA delen de mening van de staatssecretaris dat de bestaande lijst van gevoelige goederen niet afgeschaft of verdergaand ingekort zou moeten worden. Kan de staatssecretaris toelichten of hij het gebruik van nationale algemene vergunningen (NGA’s – National General Export Authorisations) bevordert? Zo nee, waarom niet?

De leden van de fractie van de PvdA lezen dat Nederland zich inspant om voor bedrijven een gelijk speelveld te bieden. Indien blijkt dat een gebrek aan gelijk spel wordt geconstateerd, zal de staatssecretaris altijd proberen het speelveld te herstellen. Is de staatssecretaris ook bereid om dit gelijke speelveld tussen landen te bevorderen? Indien een partnerland wél ontlastende informatie kan verstrekken, geldt dan dat het voor de hand ligt om de minder strenge regels van dat land over te nemen?

De leden lezen dat uitvoercontrole moet plaatsvinden voorafgaand aan de export. Kan de staatssecretaris toelichten hoe het zit met de controle als het gaat om tussenhandel of doorvoerexport? Wat is de opvatting van de regering over de verordening (EG) nr. 428/2009 die voor tussenhandel en doorvoer volledige nieuwe controles heeft ingevoerd? Is de staatssecretaris van mening dat deze verordening voldoende controle biedt op transacties die vanuit de EU naar derde landen gaan?

De leden van de fractie van de PvdA delen de opvatting van de staatssecretaris die zegt dat naast het uitwerken en verfijnen van procedures en wetgeving, het noodzakelijk is om te komen tot een inhoudelijk gemeenschappelijk exportcontrolebeleid en verbeterde informatie-uitwisseling te komen. Nederland steunt het voorstel van de Commissie voor een «geautoriseerde marktdeelnemer» (Authorised Economic Operator – AEO), maar is van mening dat het instrument vooral toepasbaar is bij grenscontroles, niet bij toezichtonderzoek. Waarom is de staatssecretaris geen voorstander van het gebruik van het AEO als voorwaarde voor vergunningsaanvragen of voor het gebruik van algemene vergunningen? De staatssecretaris is voorstander van verbeterde informatie-uitwisseling. Kan de staatssecretaris toelichten of hij vindt dat EU landen een verplichte informatieverstrekking over afgifte of weigering van een vergunning onderling zouden moeten uitwisselen?

De staatssecretaris geeft aan dat een langdurige behandeling van vergunningsaanvragen de handelsbelangen van het bedrijfsleven negatief beïnvloedt en zet zich in voor snelle afhandeling. De leden vragen welke stappen de staatssecretaris hiertoe onderneemt en of hij daarbij garandeert dat de inhoudelijke toetsing (met name veiligheidsbelang) hierbij niet in gevaar komt?

De leden lezen dat de overheid in een enkel geval additionele voorschriften zal stellen om te waarborgen dat de risico’s ook na levering van goederen beperkt blijven. Deelt de staatssecretaris de mening dat alle landen dit eigenlijk zouden moeten doen?

De leden van de fractie van de PvdA vinden het opmerkelijk dat Nederland de mogelijkheid van artikel 4, vijfde lid, niet heeft geïmplementeerd. Met die bepaling kan een land, zonder dat daarvoor een ad-hoc beschikking nodig is, een vergunningsplicht instellen indien een exporteur slechts vermoedt dat zijn producten in een wapenprogramma zullen terecht komen. Kan de staatssecretaris toelichten waarom hij deze bepaling niet heeft geïmplementeerd? Vertrouwt de staatssecretaris hiermee dus niet op deskundige oordeel van de exporteur?

De doorvoer van goederen levert bij de staatssecretaris – net als bij de leden van de fractie van de PvdA – veel vragen op. Is de staatssecretaris van mening dat met zijn voorstel om degene die de douaneformaliteiten verricht als verantwoordelijke aan te wijzen of indien er geen douaneformaliteiten worden verricht, de vervoerder aan te wijzen haar twijfels/vragen voldoende worden weggenomen?

De leden van de fractie van PvdA zijn erg te spreken over het gegeven dat Nederland zal blijven ijveren voor aanvullende Europese regelgeving zodat de problemen omtrent tussenhandel werkelijk en geharmoniseerd worden aangepakt. Dit hebben de leden van de PvdA-fractie ook altijd benadrukt. Het voorstel van de staatssecretaris om het invoeren van een Europese meldplicht voor tussenhandelaren, zodat de handhavingsinstanties beter kunnen overzien welke tussenhandelaars in de EU actief zijn, vinden de leden daarom ook een goede eerste stap.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het groenboek en de brief van de staatssecretaris van 22 september jongstleden. De leden van de CDA-fractie zijn in de eerste plaats van mening dat het Nederlandse beleid open, eerlijk en in overeenstemming moet zijn met de internationale verdragen, zoals het non-proliferatieverdrag, VN-resoluties, richtlijnen van internationale exportcontroleregimes en regelgeving van de Europese Unie inzake de uitvoer van wapens en dual-use items. Wapenexport is een gevoelig en belangrijk onderwerp dat zorgvuldig besproken dient te worden.

De leden van de CDA-fractie verwelkomen het groenboek en hebben met veel interesse kennis genomen van de onderwerpen en het beleid dat in het groenboek wordt aangesneden. Het vormen van dat beleid is een voortdurende zoektocht naar de optimale balans tussen buitenlands- en veiligheidsbeleid enerzijds en handelspolitiek anderzijds. Het belang van goede exportcontrole wordt internationaal erkend en vindt zijn weerslag in diverse non-proliferatieverdragen en exportcontroleregimes. De leden van de CDA-fractie staan pal voor deze internationale afspraken en zijn van mening dat deze internationale kaders leidend moeten zijn. Gezamenlijk beleid op dit soort onderwerpen is cruciaal! Deelt de staatssecretaris deze opvatting met de leden van de CDA-fractie? Graag een reactie.

De leden van de CDA-fractie delen de opvatting van de regering dat het primaire doel van die internationale samenwerkingsovereenkomsten het inperken van het risico van proliferatie met massavernietigingswapens dient te zijn. Wel moeten ook de belangen van legitieme internationale handel en samenwerking zo min mogelijk worden geschaad. De leden van de CDA-fractie vragen de staatssecretaris hoe hij er concreet voor wil zorgen dat de belangenafweging «in balans» is? Graag een reactie.

In de brief geeft de staatssecretaris aan dat hij het van belang acht dat ook landen die niet zijn aangesloten bij de regimes eigen exportcontrolesystemen ontwikkelen. hij geeft aan dat hij de initiatieven om de systemen te versterken vanuit de Verenigde Naties, de regimes en de Europese Unie verwelkomen. De leden van de CDA-fractie vragen hierbij aan de staatssecretaris of en zo ja hoe hij denkt dat Nederland hier een positieve bijdrage aan kan leveren. Graag een reactie.

Momenteel is het in Nederland zo geregeld dat Nederlandse bedrijven bij export van dual-usegoederen een vergunning nodig hebben om te leveren. In de brief verwoordt de staatssecretaris dit als volgt: «Uitvoercontrole moet plaatsvinden voorafgaand aan de export. Per geval wordt een beoordeling gemaakt van de risico’s omtrent goederen, exporteur, eindgebruiker en het eindgebruik. Indien er aanwijzingen zijn dat de goederen ingezet zullen of kunnen worden voor de ontwikkeling of productie van massavernietigingswapens, geeft Nederland geen toestemming voor de uitvoer.»

In Frankrijk is het weer anders. Daar hebben Franse bedrijven bij export een vergunning nodig om hun producten aan te mogen bieden. Dit is dus eerder in het proces. Ongeacht de vraag wat nu het beste systeem is, hechten de leden van de CDA-fractie aan een Europees gelijk speelveld. Dit betekent dat er een verder Europees harmonisatiebeleid gevoerd dient te worden. Het invoeren van een Europese meldplicht voor tussenhandelaren, zodat de handhavingsinstanties beter kunnen overzien welke tussenhandelaars in de EU actief zijn, zou bijvoorbeeld een goede eerste stap zijn in dit harmonisatieproces. De leden van de CDA-fractie vragen de staatssecretaris hoe hij aankijkt tegen dit probleem en wat de Nederlandse bijdrage kan zijn.

Dit betekent dat er niet alleen een juridisch, maar ook praktisch level playing field moet zijn ten aanzien van dual-usegoederen, omdat er anders concurrentievervalsing optreedt. Voorbeeld: het kan en mag niet zo zijn dat een bedrijf in Duitsland verboden wordt om een dual-use product te leveren aan Syrië terwijl het identieke product wel geleverd mag worden aan Syrië door een bedrijf in Portugal. Dan volgt voor de leden van de CDA-fractie ook de vraag: waar kunnen bedrijven in Nederland terecht die een klacht willen indienen over de casus zoals hierboven beschreven? Dus als een bedrijf in een land erachter komt dat bedrijven in andere landen mogen doorleveren (al dan niet door gebrekkig toezicht in die landen dan wel door het niet strikt toepassen van dual-use richtlijn), tot wie kunnen zij zich dan wenden om een dergelijke zaak aanhangig te maken? Graag een reactie.

De leden van de CDA-fractie pleiten in deze context voor een stevig Europees kader dat voldoende ruimte biedt aan de lidstaten voor concreet beleid. Een algemene Europese vergunning past ook volgens de leden niet in een dergelijk beleid. Daarnaast moet het risico dat het nemen van een beslissing zoveel tijd in beslag neemt, dat afnemers ervoor kiezen uit te wijken naar andere leveranciers, waardoor mogelijk omzet verloren gaat voor het Nederlandse of Europese bedrijfsleven voorkomen worden. De leden van de CDA-fractie vragen de staatssecretaris of en zo ja hoe hij ervoor kan zorgen dat deze administratieve/bureaucratische procedures beperkt kunnen blijven zonder dat de veiligheid van het systeem in het gedrang komt. Graag een reactie.

Dit vraagstuk ligt op het vlak van het handelsbelang, dit betekent echter niet dat de leden van de CDA-fractie in hun afweging tussen veiligheid en handelsbelangen de nadruk leggen op handelsbelangen. Veiligheid blijft voor de leden van de CDA-fractie op nummer 1 staan!

Tenslotte pleiten ook de leden van de CDA-fractie ervoor dat Europese autoriteiten de beschikking moeten hebben over alle relevante informatie. Niet alleen de afgewezen vergunningen, maar ook de toegewezen vergunningen en opgelegde catch-alls moeten voor ieder land/bedrijf zichtbaar zijn. Het door de Commissie ontwikkelde dual-use e-system kan een bijdrage leveren bij het efficiënt ontsluiten van deze informatie, het vergroten van de transparantie over de implementatie van het beleid en een effectievere handhaving van de wetgeving in alle EU-lidstaten. Kortom een win-win situatie voor iedereen!

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

De leden van de fractie van D66 hebben met belangstelling kennis genomen van de voorstellen van de staatssecretaris naar aanleiding van het groenboek exportcontrole dual-usegoederen.

Blij met terughoudendheid ten opzichte van versoepeling van dual-usegoederen. De verspreiding van dergelijke goederen moet streng gecontroleerd worden om zodoende de risico’s minimaal te houden. Ook kan zo de kans op het in verkeerde handen belanden van dual-usegoederen tot een minimum verkleind worden. De staatssecretaris maakt in zijn inbreng de correcte afweging tussen veiligheid en handelsbelangen door de nadruk op veiligheid te leggen. De leden van de D66-fractie leggen hierbij wel de nadruk op hun mening dat het hier evengoed gaat om de veiligheid van inwoners van derde landen als inwoners van Nederland. En dat het hierbij ook moet gaan om potentiële slachtoffers van mensenrechtenschendingen door eigen regime. Graag op dit laatste punt een reactie van de staatssecretaris.

Een afzonderlijk punt willen de leden van de D66-fractie maken over de status van IT-apparatuur. De uitvoer van ICT en andere technologische producten en software voor tweeërlei gebruik naar staten of staatsbedrijven in landen met repressieve regimes speelt een belangrijke rol bij het schenden van mensenrechten.

Het staat buiten kijf dat technologieën die vanuit de EU worden geïmporteerd en door Europese bedrijven zijn ontworpen2 worden gebruikt door repressieve regimes. Voor wat Egypte betreft hebben kranten uitgebreid verslag gedaan3 van het Europese telefoonbedrijf Vodafone dat zaken deed onder rechtstreeks toezicht van het voormalige Mubarak-regime: het staakte zijn diensten, maar verzond wel regeringsgezinde sms-berichten. Verder heeft onderzoeksjournalistiek door Bloomberg gewezen op de rol van het Fins/Duitse Nokia Siemens Networks in Bahrein4.

Wat is het standpunt van de staatssecretaris met betrekking tot deze goederen en welke procedures en verplichtingen gelden wat betreft deze goederen en diensten?

De staatssecretaris schrijft dat de aanpassingsprocedure van de Europese controlelijst vertraagd is sinds de inwerkingtreding van het verdrag van Lissabon. Kan de staatssecretaris aangeven hoe de procedure voor aanpassing er dan nu precies uit ziet?

Waarom heeft Nederland het artikel 8, waarmee een lidstaat om redenen van openbare veiligheid of uit mensrechtenoverwegingen een verbod of vergunningplicht kan instellen voor de uitvoer van dual-usegoederen die niet op de lijst van bijlage I voorkomen, nog nooit gebruikt? Heeft de staatssecretaris nooit twijfels gehad over mensenrechtenoverwegingen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van GroenLinks

De leden van de GroenLinks-fractie hebben met interesse kennis genomen van de kabinetsreactie op het groenboek exportcontrole op goederen voor tweeërlei gebruik.

Volgens hen vormen bepaalde goederen voor tweeërlei gebruik naast grote kansen, ook een groot risico op schending van mensenrechten. De toepassingen hiervan zullen in de toekomst alleen maar toenemen.

Zij vragen zich dan ook af of de staatssecretaris voornemens is analoog aan het wapenexportbeleid op eenzelfde wijze risicoanalyses te gebruiken voor de inschatting van de mogelijke ongewenste toepassing van deze producten. Zal de staatssecretaris bij een dergelijke analyse ook via de criteria uit het gemeenschappelijk EU standpunt wapenexport te werk gaan?

Gezien de misstanden bij de export- en doorvoer van wapens en de export, in erkenning waarvan de staatssecretaris heeft aangekondigd de controle te gaan verscherpen, vinden de leden van de GroenLinks-fractie het van belang niet af te wachten tot deze misstanden ook bij producten van tweeërlei gebruik zich openbaren. De staatssecretaris wil koploper zijn tegen de inperking van vrijheid van meningsuiting op internet. De leden van de GroenLinks-fractie maken zich ernstig zorgen om blokkades en beperkingen op het gebied van internet die de afgelopen jaren in veel landen plaatsvinden. Ook Europese bedrijven exporteren technologie, vaak uitgerust met filtermogelijkheden omdat in veel landen de overheid uit veiligheidsoverwegingen het dataverkeer willen aftappen. Gezien de toename van toepassingen zoals deze, vragen de leden van de GroenLinks-fractie zich af op welke wijze de staatssecretaris aandacht besteed aan deze risico’s.

In het groenboek (pagina 5) staat dat bij «ruime beschikbaar van bepaalde producten in het buitenland» minder reden is om de uitvoer er van te controleren. De genoemde leden zouden graag een reactie van de staatssecretaris krijgen op deze constatering. Immers, als er in het buitenland ruime beschikbaarheid is van clustermunitie, is dat ook geen reden om controle op clustermunitie stop te zetten.

De staatssecretaris bepleit in de kabinetsreactie duidelijk een meer geharmoniseerde/gecommunautariseerde aanpak van exportcontrole. Is het denkbaar dat Nederland in de Europese Raad hiervoor een medestander vindt? Welke lidstaten zouden dit niet willen?

De staatssecretaris stelt in zijn kabinetsreactie op het groenboek dat het instrument van een algemene vergunning te generiek is en op gespannen voet staat met de uitgangspunten van het Nederlandse exportcontrolebeleid (p. 8). Uit het groenboek blijkt dat slechts 7 lidstaten met een algemene vergunning werken.

Nederland is één van de lidstaten die met een algemene vergunning werkt. Is de staatssecretaris er voorstander van deze algemene vergunning in te trekken?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen zich tot slot af op welke wijze de Tweede Kamer geïnformeerd zal worden over het al dan niet afgeven van vergunning voor export en doorvoer van goederen voor tweeërlei gebruik. Zal de Kamer hier door middel van periodieke rapportages over worden geïnformeerd?

II. REACTIE VAN DE STAATSSECRETARIS

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de VVD

1

Exportcontrolebeleid is erop gericht te voorkomen dat geëxporteerde goederen een bijdrage leveren aan de proliferatie van massavernietigingswapens of gebruikt worden voor militaire doeleinden in landen van zorg. De leden van de VVD-fractie steunen deze doelstellingen van harte en zijn van mening dat Nederland en de EU hierbij internationaal een actieve rol moeten blijven spelen. Tegelijkertijd zijn de leden zich ervan bewust dat het handhaven van de regels op een transparante en efficiënte wijze moet gebeuren, om zoveel mogelijk ongemak bij de industrie te voorkomen. Bij het verlenen van vergunningen moet binnen de kaders van de regelgeving zoveel mogelijk rekening worden gehouden met het verkleinen van de hinder voor het bedrijfsleven. Hoe denkt de staatssecretaris dat de hinder die bedrijven ondervinden bij de export van goederen voor tweeërlei gebruik verder verminderd kan worden? Hoe kunnen bijvoorbeeld de administratieve lasten verminderd worden?

Het is onvermijdelijk dat bedrijven ongemak ondervinden van exportcontrole. Ik streef er echter naar om dit noodzakelijke kwaad tot een minimum te beperken. Bedrijven die regelmatig vergunningplichtige goederen exporteren, kunnen een globale vergunning aanvragen. Deze geldt voor meerdere transacties, zodat niet voor elke individuele transactie een vergunning aangevraagd hoeft te worden en de administratieve lasten aanzienlijk beperkt kunnen worden. Om in aanmerking te komen voor een globale vergunning, moet een bedrijf overeenkomstig de exportcontroleregelgeving handelen en de regelgeving en onderliggende doelstellingen aantoonbaar in de administratieve organisatie hebben verankerd.

2

In de kabinetsreactie wordt gesteld door export van goederen voor tweeërlei gebruik mogelijk 10% van de export van de EU uitmaakt, terwijl deze 1% van de Nederlandse export vormt. Welke plaats neemt Nederland in de EU in als exporteur van dit soort goederen en welke landen zijn de grootste exporteurs, relatief en absoluut?

Gedetailleerde statistische informatie over de uitvoer van goederen voor tweeërlei gebruik en de verschillen tussen Europese lidstaten is vooralsnog niet beschikbaar. Het is daarom niet mogelijk om aan te geven welke plaats Nederland inneemt in de EU.

Een van de beweegredenen van de Europese Commissie om deze vraag in het groenboek te stellen, is om meer informatie te verzamelen over het belang van handel in goederen voor tweeërlei gebruik in de verschillende lidstaten.

3

Op internationaal niveau zal er gezorgd moeten worden dat regelgeving zoveel mogelijk geharmoniseerd is, om te voorkomen dat Nederlandse bedrijven hun concurrentiepositie zien verslechteren. Op wat voor een manier proberen Nederland en de EU hieraan met gericht beleid een bijdrage te leveren?

De belangrijkste leveranciers van goederen voor tweeërlei gebruik bevinden zich in landen die zijn aangesloten bij de internationale exportcontroleregimes. In die regimes wordt ook gezorgd voor het creëren van een level playing field, onder andere door informatie-uitwisseling over geweigerde vergunningaanvragen. Daarnaast zet Nederland zich in de EU in voor snelle implementatie van aanpassingen in de goederenlijsten van deze regimes, om te voorkomen dat de concurrentiepositie van Europese bedrijven slechter is dan die van bedrijven buiten de EU.

Ook acht Nederland het van belang om zo veel mogelijk leveranciers van goederen voor tweeërlei gebruik aan de regimes te laten deelnemen, om zo voor vergaande harmonisatie te zorgen. Het spreekt voor zich dat nieuwe deelnemers aan de regimes aan alle criteria voor deelname moeten voldoen.

4

De Europese Commissie geeft aan dat de praktische uitvoering van het beleid en de regelgeving door lidstaten heeft geleid tot verschillende benaderingen, te onderscheiden in administratieve, essentiële en operationele verschillen. Kan de staatssecretaris aangeven hoe deze verschillen in de EU er in de praktijk uitzien, waar deze toe leiden en op welke wijze Nederland en Nederlandse bedrijven door deze verschillende benaderingen bij de implementatie hinder ondervinden, bijvoorbeeld doordat zij een grotere hinder ondervinden dan bedrijven in andere lidstaten van de EU? Kan het voorkomen dat bedrijven met meerdere vestigingen daardoor kiezen voor het «makkelijkste» regime, gezien het internationale karakter van de meeste van deze bedrijven.

De verschillen waar de Europese Commissie op doelt, komen vooral tot uitdrukking in het gebruik van het onder de dual-useverordening (428/2009) beschikbare instrumentarium. Sommige lidstaten hebben meer dan Nederland gebruik gemaakt van de mogelijkheid om goederen onder een algemene vergunning te brengen. Hier staat tegenover dat Nederland vaker globale vergunningen afgeeft aan vertrouwde exporteurs en sneller beslist op herhaalaanvragen, zodat dit verschil nauwelijks leidt tot hinder voor het Nederlandse bedrijfsleven.

Een ander verschil, waar Nederlandse bedrijven wel hinder van ondervinden, is de wijze waarop Europese lidstaten het catch-all instrument toepassen en daaruit volgende vergunningaanvragen beoordelen. Om deze hinder tot een minimum te beperken en te voorkomen dat bedrijven kiezen voor het «makkelijkste» regime, zet Nederland zich actief in om het Europese catch-all beleid verder te harmoniseren, meer en sneller informatie te delen over toepassing van de catch-all en het no-undercut beginsel minder vrijblijvend toe te passen.

5

Nu er een Europese wettelijk kader en beleidskader is moet er gezorgd worden dat de vastgestelde regels zoveel mogelijk op gelijke wijze worden nageleefd door de verschillende lidstaten, een level-playing field is een kernvoorwaarde voor de interne markt. Na harmonisatie van de regelgeving moet nu worden overgegaan tot harmonisatie van de implementatie om Europese bedrijven op internationaal niveau een gelijk speelveld te geven. De leden van de VVD-fractie delen hierbij de mening van de staatssecretaris dat er een verbetering moet komen op het gebied van informatie-uitwisseling. Hoe kan dit volgens de staatssecretaris het beste worden vormgegeven? Hoe kan ervoor worden gezorgd dat lidstaten tevens dezelfde criteria en belangenafweging zouden gebruiken om vervolgens deze informatie te beoordelen?

Op dit moment ligt de nadruk van de informatie-uitwisseling op het delen van informatie over afgewezen vergunningen. Nederland is van mening dat het uitwisselen van informatie over toegekende vergunningen zal bijdragen aan een gelijk speelveld. De grens tussen toekennen en afwijzen wordt duidelijker als EU-lidstaten transparant zijn over beslissingen aan beide zijden van die scheidslijn. En hoe duidelijker de grens is, hoe beter kan worden vastgesteld of hij daadwerkelijk op de juiste plek ligt.

De leden van de VVD-fractie steunen net als de regering het eindbeeld van de Europese Commissie dat de samenwerking tussen de EU-douaneautoriteiten een voorbeeld is voor de uitvoercontrole-instanties en is tevens van mening dat er echter geen one size fits all benadering moet worden gekozen.

6

De staatssecretaris is voorstander van het verplaatsen van de aanpassingsprocedure naar een besluitvorming in de Raad. Verwacht de staatssecretaris dat hier problemen ontstaan wanneer bepaalde landen een belang hebben bepaalde producten aan zo weinig mogelijk restricties te verbinden waardoor een effectieve actualisering van de controlelijsten belemmerd of vertraagd kan worden? Zijn er nog andere mogelijkheden om de aanpassingsprocedure van de controlelijsten efficiënter te maken?

De goederenlijst in de bijlage van de dual-useverordening is een letterlijke weergave van de goederenlijsten uit de exportcontroleregimes. In die regimes vindt het overleg plaats dat leidt tot aanpassing van de lijsten. Nationale handelsbelangen – ook die van individuele EU-lidstaten – worden hierin meegewogen, zodat mijn voorkeur uitgaat naar de snelst mogelijke implementatie in de EU, te weten via een uitvoeringshandeling.

7

In de kabinetsreactie wordt gesteld dat de Nederlandse regering geen voorstander is van afschaffing of inkorting van de lijst met goederen waarvoor ook binnen de EU een vergunning is verricht. Kan de staatssecretaris toelichten wat hiervoor de overwegingen zijn? Is de staatssecretaris niet van mening dat het ook in het voordeel van de Nederlandse industrie zou zijn wanneer er een interne markt voor dit soort goederen in de EU zou kunnen functioneren? De leden zijn van mening dat in sommige gevallen dit mogelijk moet zijn.

De intracommunautaire vergunningplicht geldt alleen voor de meest gevoelige goederen, zoals nucleaire verrijkingsinstallaties, stealth-technologie en ballistische raketten. Het is van groot belang dat het civiele eindgebruik van deze goederen gewaarborgd is. Daarom gaat mijn voorkeur eerder uit naar een minder belastende wijze van controleren dan naar het afschaffen van de controle.

8

In de kabinetsreactie wordt aangegeven dat Nederland terughoudend is met het gebruik van de algemene vergunningen, waarom is dit de mening van de staatssecretaris? Is dit tevens het geval in andere EU-lidstaten? Zo nee, hoe kan ervoor gezorgd worden dat gebruik hiervan geharmoniseerd wordt?

Nederland is van mening dat het instrument algemene vergunning zeer generiek is en op gespannen voet staat met de uitgangspunten van het Nederlandse dual-use exportcontrolebeleid. Bij gebruik van de algemene vergunningen vindt geen voorafgaande toetsing van het proliferatiegevaar per geval plaats, maar wordt pas achteraf melding gemaakt van een uitvoer. Nederland gebruikt het instrument daarom terughoudend en slechts voor een zeer beperkt aantal, relatief ongevoelige, goederen. Andere lidstaten maken weliswaar vaker gebruik van algemene vergunningen, maar ook daar geldt het instrument alleen voor goederen en bestemmingen die relatief ongevoelig zijn. De introductie van nieuwe communautaire algemene vergunningen en het uitfaseren van nationale algemene vergunningen kan het gebruik verder harmoniseren, maar ik blijf van mening dat een one size fits all benadering onwenselijk is.

9

De afhandeling van individuele en globale vergunningen duurde in 2010 gemiddeld 4 weken. Wat was dit gemiddelde op EU-niveau? Hoe kan ervoor gezorgd worden deze wachttijd te verlagen, zonder de inhoudelijke toetsing aan te tasten, om de hinder voor het Nederlandse bedrijfsleven zoveel mogelijk te beperken?

Gedetailleerde statistische informatie over de afhandeling van vergunningen en de verschillen tussen Europese lidstaten is vooralsnog niet beschikbaar. Het kabinet is van mening dat zorgvuldigheid voorop staat bij het behandelen van aanvragen, maar streeft ernaar de behandeltermijn zo kort mogelijk te houden. Momenteel werken het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I) en de Douane gezamenlijk aan het verdergaand automatiseren van het vergunningaanvraag en -behandelproces om de doorlooptijden verder terug te brengen.

10

In welke gevallen wordt een catch-all door Nederland ingezet? In hoeverre wordt dit ook door andere Europese landen gedaan? Is het wenselijk dit op Europees niveau te harmoniseren en coördineren?

Nederland legt een catch-all beschikking op aan een individuele exporteur voor de uitvoer van specifiek omschreven producten naar een bepaald land als er aanwijzingen zijn dat de goederen in kwestie mogelijk gebruikt zullen worden voor het ontwikkelen of produceren van massavernietigingswapens. De vergunningplicht geldt voor een heel bestemmingsland om te voorkomen dat de regel makkelijk te omzeilen is door de goederen naar bijvoorbeeld een buurman van de oorspronkelijke eindgebruiker te sturen. De opgelegde vergunningplicht stelt de Nederlandse autoriteiten in staat meer informatie te vergaren en op basis daarvan een weloverwogen besluit te nemen. Het komt geregeld voor dat er in tweede instantie voldoende waarborgen zijn voor het civiele eindgebruik van de goederen en de vergunning toch wordt afgegeven. Als de exporteur besluit de transactie af te blazen en het product aan een klant in een ander land te verkopen, moet hij dit voorafgaand aan de uitvoer melden.

Nederland is ervan overtuigd dat met deze toepassing de risico’s omtrent de specifieke zending en eventueel toekomstige zendingen, het omleidingsrisico en de belasting voor het bedrijfsleven in evenwicht zijn.

De toepassing van het catch-all instrument in Europa kent grote verscheidenheid. Een aantal willekeurige voorbeelden. In Duitsland betekent het opleggen van de catch-all beschikking automatisch dat uitvoer helemaal verboden is. Om dat verbod zo nodig ook bij een rechter stand te laten houden, heeft de Duitse overheid veel meer belastende informatie nodig dan Nederland over het vermoede eindgebruik om een catch-all te kunnen opleggen. Zweden legt de vergunningplicht alleen op voor een specifieke zending, en niet voor toekomstige zendingen van hetzelfde product naar dezelfde eindgebruiker. Denemarken wil na het opleggen van een catch-all worden geïnformeerd over iedere zending naar die eindgebruiker van zorg, ook als de goederen niets met dual-use goederen te maken hebben. De Finse praktijk is vergelijkbaar met de Nederlandse, maar het informeren over een veranderde eindbestemming is uniek voor Nederland, terwijl andere lidstaten moeten proberen via hun douane te achterhalen wat uiteindelijk met de zending is gebeurd.

Nederland is van mening dat deze verscheidenheid in het toepassen van de catch-all onwenselijk is. Daarom staat Nederland in beginsel positief tegenover het invoeren van een Europese catch-all en steunt Nederland het voorstel van de Commissie om gezamenlijk systematisch bij te houden welke catch-all beschikkingen zijn opgelegd, zodat deze informatie beschikbaar is voor alle lidstaten bij het beoordelen van uitvoer van vergelijkbare producten of van uitvoer naar dezelfde eindgebruiker.

Concluderend zijn de leden van de VVD-fractie van mening dat het initiatief van de Europese Commissie om te kijken naar het functioneren van het huidige systeem positief is. Wat de leden betreft werkt het huidige systeem goed, maar moet er zoveel mogelijk gekeken worden naar de mogelijkheden om efficiënter met de uitvoering om te gaan. We moeten niet toe naar een aanscherping, maar een harmonisatie van de uitvoering van de huidige regelgeving. Hierbij moet vooropstaan dat de controle op de goederen goed uitgevoerd moet blijven, dat de hinder voor het bedrijfsleven tot een minimum moet worden beperkt en dat EU-lidstaten zoveel mogelijk op dezelfde wijze de regels moeten toepassen. Specifiek moeten hier met name een geharmoniseerd Europees exportcontrolesysteem en gemeenschappelijk exportcontrolebeleid aan bijdragen, aangevuld met een betere uitwisseling van informatie en het vergroten van de transparantie over de implementatie van het beleid in alle EU-lidstaten, zodat de handhaving van het beleid zoveel mogelijk op dezelfde wijze zal gebeuren.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdA

De leden van de fractie van de PvdA hebben met belangstelling kennis genomen van het groenboek van de Europese Commissie en de kabinetsreactie op dit groenboek. De leden verwelkomen dit groenboek dat als doel heeft een breed publiek debat op gang te brengen over de werking van huidige systeem. Deze leden hopen dat dit groenboek als basis kan dienen voor een langere termijn visie van het EU-kader voor controles op de uitvoer van dual-usegoederen. De leden hebben echter nog enkele vragen.

11

Het algemene kader waarbinnen leveranties van goederen voor tweeërlei gebruik worden vastgesteld is vastgelegd in Europese regelgeving. Toch bestaat er verschil in de praktische uitvoering door de verschillende lidstaten met verschillende benaderingen in de EU tot als gevolg. De verschillen in uitvoering hebben te maken met administratieve verschillen, essentiële verschillen en operationele verschillen tussen de lidstaten. De leden betreuren het dat in het groenboek slechts aangeven wordt dat er nagedacht moet worden over een beperking van de belangrijkste verschillen in de toepassing van de verordening producten voor tweeërlei gebruik. De staatssecretaris geeft in zijn reactie op het groenboek aan dat Europa een stap voorsprong heeft. Deelt de staatssecretaris de mening dat de verschillen juist weergeven dat er nog helemaal geen sprake is van een voorsprong? Deelt de staatssecretaris eveneens de mening dat de Europese Commissie weldegelijk met oplossingen moet komen over dit probleem en niet slechts moet «nadenken» over mogelijke aanpassingen? Indien dit het geval is, op welke wijze gaat de staatssecretaris deze dialoog bevorderen?

Hoewel er verschillen bestaan in de wijze waarop Europese lidstaten uitvoering geven aan het exportcontrolebeleid is het niveau van exportcontrole in de EU over het algemeen hoog. Vanwege de interne markt en de gemeenschappelijke buitengrens bestaat er verregaande samenwerking op het gebied van handhaving en grenscontrole, waardoor Europa wel degelijk een stap voorsprong heeft.

De grootste winst valt te behalen door meer informatie te delen over verleende vergunningen en registratie van bedrijven die gebruik maken van algemene vergunningen en door het verder harmoniseren van het exportcontrolebeleid.

Met het Groenboek beoogt de Commissie een dialoog op gang te brengen om het huidige systeem effectiever en efficiënter te maken. Nederland beoogt een actieve bijdrage aan deze dialoog te leveren en zal zich – zowel in de officiële overlegfora als daarbuiten – enthousiast blijven inzetten voor de in de kabinetsreactie genoemde standpunten.

12

Kan de staatssecretaris aangeven waaruit blijkt dat de samenwerking binnen Europa op het gebied van exportcontrole goed is? Zijn er ook landen binnen de EU waar moeizaam mee valt samen te werken? Zo ja, welke landen zijn dit? De staatssecretaris geeft aan dat de samenwerking erg goed is, maar hij geeft tegelijkertijd aan dat hij de mening van de Europese Commissie deelt dat de effectiviteit kan worden vergoot. Kan de staatssecretaris toelichten op welke wijze hij denkt dat de effectiviteit verbeterd kan worden?

De samenwerking tussen EU-lidstaten op het gebied van exportcontrole is voor een groot deel geformaliseerd in de dual-useverordening en heeft betrekking op de uitwisseling van informatie over afgewezen vergunningen, opgelegde catch-alls en vergunningaanvragen waar meerdere lidstaten bij betrokken zijn. Daarnaast vindt er ook informeel contact plaats over specifieke dossiers of technische vraagstukken waar individuele landen over specifieke kennis beschikken.

Het kabinet is van mening dat de effectiviteit vergroot kan worden door meer informatie te delen, vooral over toegekende vergunningaanvragen, en door minder vrijblijvendheid bij het gebruik van de uitgewisselde informatie. Het kabinet hecht sterk aan het no-undercut beginsel en streeft, ondanks de mogelijkheid af te wijken van de beslissing van andere lidstaten, naar nul undercuts per jaar.

Het kabinet is voorstander van een versterking van het no-undercut beginsel en minder vrijblijvendheid bij het overnemen van elkaars beslissingen.

13

De leden van de fractie van de PvdA delen de mening van de staatssecretaris dat de bestaande lijst van gevoelige goederen niet afgeschaft of verdergaand ingekort zou moeten worden. Kan de staatssecretaris toelichten of hij het gebruik van nationale algemene vergunningen (NGA’s – National General Export Authorisations) bevordert? Zo nee, waarom niet?

Het kabinet is van mening dat het instrument algemene vergunning zeer generiek is en op gespannen voet staat met de uitgangspunten van het Nederlandse exportcontrolebeleid. Bij gebruik van de algemene vergunningen vindt geen voorafgaande toetsing van het proliferatiegevaar per geval plaats, maar wordt pas achteraf melding gemaakt van een uitvoer. Hhet instrument wordt daarom terughoudend gebruikt en slechts voor een zeer beperkt aantal relatief ongevoelige, goederen. Het kabinet is op korte termijn niet voornemens het aantal nationale algemene vergunningen voor dual-use goederen uit te breiden.

14

De leden van de fractie van de PvdA lezen dat Nederland zich inspant om voor bedrijven een gelijk speelveld te bieden. Indien blijkt dat een gebrek aan gelijk spel wordt geconstateerd, zal de staatssecretaris altijd proberen het speelveld te herstellen. Is de staatssecretaris ook bereid om dit gelijke speelveld tussen landen te bevorderen? Indien een partnerland wél ontlastende informatie kan verstrekken, geldt dan dat het voor de hand ligt om de minder strenge regels van dat land over te nemen?

In de afweging tussen veiligheid en handelsbelangen ligt de nadruk op veiligheid. Het kabinet is van mening dat het belangrijk is om te voldoen aan de internationale verplichtingen op het gebied van non-proliferatie, ook als dit betekent dat het Nederlandse bedrijfsleven daarvan hinder ondervindt.

Op basis van beschikbare informatie wordt per geval getoetst wat de risico’s zijn op ongewenst gebruik van de goederen en wat de waarborgen zijn dat de goederen voor het opgegeven civiele eindgebruik worden ingezet. Als een partnerland ontlastende informatie verstrekt, kan dit de beoordeling positief beïnvloeden.

15

De leden lezen dat uitvoercontrole moet plaatsvinden voorafgaand aan de export. Kan de staatssecretaris toelichten hoe het zit met de controle als het gaat om tussenhandel of doorvoerexport? Wat is de opvatting van de regering over de verordening (EG) nr. 428/2009 die voor tussenhandel en doorvoer volledige nieuwe controles heeft ingevoerd? Is de staatssecretaris van mening dat deze verordening voldoende controle biedt op transacties die vanuit de EU naar derde landen gaan?

Zoals ook is te lezen in de Memorie van Toelichting bij de Wet strategische diensten5, die per 1 januari 2012 van kracht zal worden, is het kabinet weliswaar tevreden dat de EU-verordening bepalingen voor de controle op tussenhandel bevat, maar vindt zij dat de EU-wetgever voor een beperkte variant heeft gekozen. Ook na implementatie van de nationale mogelijkheden blijft het voor kwaadwillenden mogelijk de regels te omzeilen, en alsnog via makelaarsactiviteiten bij te dragen aan de ontwikkeling van een massavernietigingswapen of een raket. De verordening definieert tussenhandeldiensten namelijk als een activiteit verricht vanuit de Europese Unie die betrekking heeft op de overbrenging van gecontroleerde goederen van een derde land naar een ander derde land. Het gevolg van deze locatiegerelateerde definitie van tussenhandeldiensten is dat er vormen van tussenhandel zijn die niet onder de reikwijdte van de verordening 428/2009 vallen – omdat ze niet voldoen aan de locatie-eis – maar waarbij wel degelijk makelaarsactiviteiten kunnen worden verricht die bijdragen aan een wapenprogramma. Nederland is dan ook van mening dat niet kan worden volstaan met het reguleren van de goederenstroom vanuit de Europese Unie maar dat aanvullende bepalingen nodig zijn om andere vormen van tussenhandeldiensten ten behoeve van het ontwikkelen of vervaardigen van massavernietigingswapens tegen te kunnen gaan.

De Nederlandse wet laat zien dat er zeker mogelijkheden zijn om tegemoet te komen aan zorgen over administratieve lasten en een oplossing te vinden waarmee zowel proliferatierisico’s worden afgedekt als de nadelen voor het bedrijfsleven binnen de perken blijven. Nederland zal blijven ijveren voor aanvullende Europese regelgeving zodat de problemen werkelijk en geharmoniseerd worden aangepakt. Het invoeren van een Europese meldplicht voor tussenhandelaren, zodat de handhavingsinstanties beter kunnen overzien welke tussenhandelaars in de EU actief zijn, zou een goede eerste stap zijn.

16

De leden van de fractie van de PvdA delen de opvatting van de staatssecretaris die zegt dat naast het uitwerken en verfijnen van procedures en wetgeving, het noodzakelijk is om te komen tot een inhoudelijk gemeenschappelijk exportcontrolebeleid en verbeterde informatie-uitwisseling te komen. Nederland steunt het voorstel van de Commissie voor een «geautoriseerde marktdeelnemer» (Authorised Economic Operator – AEO), maar is van mening dat het instrument vooral toepasbaar is bij grenscontroles, niet bij toezichtonderzoek. Waarom is de staatssecretaris geen voorstander van het gebruik van het AEO als voorwaarde voor vergunningsaanvragen of voor het gebruik van algemene vergunningen? De staatssecretaris is voorstander van verbeterde informatie-uitwisseling. Kan de staatssecretaris toelichten of hij vindt dat EU landen een verplichte informatieverstrekking over afgifte of weigering van een vergunning onderling zouden moeten uitwisselen?

Het doel en de reikwijdte van AEO is zeer verschillend van het doel en reikwijdte van exportcontrole, die vooral gericht is op zorgvuldige beoordeling van het eindgebruik en de eindgebruiker van de goederen. Desalniettemin hebben bedrijven met een AEO-status een uitgebreid beoordelingsproces moeten doorstaan, waarbij de vraag centraal staat of het bedrijf voldoet aan douaneregels en over een deugdelijke administratieve organisatie beschikt. Bij het beoordelen van vergunningaanvragen wordt meegewogen of een bedrijf over een internal compliance programme beschikt om te garanderen dat aan de exportcontroleregels wordt voldaan, daarop kan de voor de AEO benodigde administratieve organisatie een positieve invloed hebben. Dit is vooral relevant bij het beoordelen van globale vergunningaanvragen.

Ook bedrijven die geen AEO-status hebben, kunnen een vergunning krijgen als het eindgebruik van de goederen voldoende bekend en acceptabel bevonden is.

Zie verder het antwoord op vraag 5.

17

De staatssecretaris geeft aan dat een langdurige behandeling van vergunningsaanvragen de handelsbelangen van het bedrijfsleven negatief beïnvloedt en zet zich in voor snelle afhandeling. De leden vragen welke stappen de staatssecretaris hiertoe onderneemt en of hij daarbij garandeert dat de inhoudelijke toetsing (met name veiligheidsbelang) hierbij niet in gevaar komt?

Het kabinet is van mening dat zorgvuldigheid voorop staat bij het behandelen van aanvragen, maar streeft ernaar de behandeltermijn zo kort mogelijk te houden. Momenteel loopt er een project voor het verder automatiseren van het vergunningaanvraag en -behandelingsproces om de doorlooptijden verder terug te brengen.

18

De leden lezen dat de overheid in een enkel geval additionele voorschriften zal stellen om te waarborgen dat de risico’s ook na levering van goederen beperkt blijven. Deelt de staatssecretaris de mening dat alle landen dit eigenlijk zouden moeten doen?

Ja. De nadruk zal echter blijven liggen op het vooraf beoordelen van de risico’s op ongewenst eindgebruik.

19

De leden van de fractie van de PvdA vinden het opmerkelijk dat Nederland de mogelijkheid van artikel 4, vijfde lid, niet heeft geïmplementeerd. Met die bepaling kan een land, zonder dat daarvoor een ad-hoc beschikking nodig is, een vergunningsplicht instellen indien een exporteur slechts vermoedt dat zijn producten in een wapenprogramma zullen terecht komen. Kan de staatssecretaris toelichten waarom hij deze bepaling niet heeft geïmplementeerd? Vertrouwt de staatssecretaris hiermee dus niet op deskundige oordeel van de exporteur?

In artikel 4, vierde lid, staat dat een exporteur die weet dat zijn goederen gebruikt zullen worden voor het ontwikkelen of vervaardigen van een massavernietigingswapen daarvan melding moet doen bij de autoriteiten. Het vijfde lid maakt het mogelijk om nationaal regels te stellen voor exporteurs die vermoeden dat hun goederen voor zulke doeleinden gebruikt zullen worden. Ik ben van mening dat die exporteurs zeker de verantwoordelijkheid hebben om de overheid bij dergelijke twijfel om advies te vragen, maar dat het te ver gaat om het niet melden van een vermoeden strafbaar te stellen.

20

De doorvoer van goederen levert bij de staatssecretaris – net als bij de leden van de fractie van de PvdA – veel vragen op. Is de staatssecretaris van mening dat met zijn voorstel om degene die de douaneformaliteiten verricht als verantwoordelijke aan te wijzen of indien er geen douaneformaliteiten worden verricht, de vervoerder aan te wijzen haar twijfels/vragen voldoende worden weggenomen?

De achtergrond van mijn voorstel is vooral praktische van aard. Hoewel de oorspronkelijke exporteur uiteindelijk verantwoordelijk is voor een zending, bevindt deze zich in gevallen van doorvoer vaak buiten de Nederlandse jurisdictie. Dit maakt het vrijwel onmogelijk om overtredingen te onderzoeken en zo nodig te bestraffen.

De leden van de fractie van PvdA zijn erg te spreken over het gegeven dat Nederland zal blijven ijveren voor aanvullende Europese regelgeving zodat de problemen omtrent tussenhandel werkelijk en geharmoniseerd worden aangepakt. Dit hebben de leden van de PvdA-fractie ook altijd benadrukt. Het voorstel van de staatssecretaris om het invoeren van een Europese meldplicht voor tussenhandelaren, zodat de handhavingsinstanties beter kunnen overzien welke tussenhandelaars in de EU actief zijn, vinden de leden daarom ook een goede eerste stap.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het groenboek en de brief van de staatssecretaris van 22 september jongstleden. De leden van de CDA-fractie zijn in de eerste plaats van mening dat het Nederlandse beleid open, eerlijk en in overeenstemming moet zijn met de internationale verdragen, zoals het non-proliferatieverdrag, VN-resoluties, richtlijnen van internationale exportcontroleregimes en regelgeving van de Europese Unie inzake de uitvoer van wapens en dual-use items. Wapenexport is een gevoelig en belangrijk onderwerp dat zorgvuldig besproken dient te worden.

21

De leden van de CDA-fractie verwelkomen het groenboek en hebben met veel interesse kennis genomen van de onderwerpen en het beleid dat in het groenboek wordt aangesneden. Het vormen van dat beleid is een voortdurende zoektocht naar de optimale balans tussen buitenlands- en veiligheidsbeleid enerzijds en handelspolitiek anderzijds. Het belang van goede exportcontrole wordt internationaal erkend en vindt zijn weerslag in diverse non-proliferatieverdragen en exportcontroleregimes. De leden van de CDA-fractie staan pal voor deze internationale afspraken en zijn van mening dat deze internationale kaders leidend moeten zijn. Gezamenlijk beleid op dit soort onderwerpen is cruciaal! Deelt de staatssecretaris deze opvatting met de leden van de CDA-fractie? Graag een reactie.

Ik deel inderdaad met de CDA-fractie de opvatting dat internationale kaders leidend moeten zijn voor goede exportcontrole. Bij het instellen van exportcontrole of sancties is het inderdaad zaak de juiste balans te vinden. Het kabinet is van mening dat het belangrijk is om te voldoen aan de internationale verplichtingen op het gebied van non-proliferatie, ook als die betekenen dat het Nederlandse bedrijfsleven daarvan hinder ondervindt.

22

De leden van de CDA-fractie delen de opvatting van de regering dat het primaire doel van die internationale samenwerkingsovereenkomsten het inperken van het risico van proliferatie met massavernietigingswapens dient te zijn. Wel moeten ook de belangen van legitieme internationale handel en samenwerking zo min mogelijk worden geschaad. De leden van de CDA-fractie vragen de staatssecretaris hoe hij er concreet voor wil zorgen dat de belangenafweging «in balans» is? Graag een reactie.

Ik ben voortdurend op zoek naar mogelijkheden om compliante bedrijven die uitsluitend civiele handel bedrijven en een goed internal compliance programme hebben te faciliteren. Zij kunnen gebruik maken van globale vergunningen, sondages indienen om vooraf de temperatuur van het water te voelen en actieve bemiddeling van mijn ambtenaren als er een gebrek aan level playing field geconstateerd wordt. De nadruk van het exportcontrolebeleid zal echter altijd liggen op de veiligheidsaspecten. Zie ook het antwoord op vraag 21.

23

In de brief geeft de staatssecretaris aan dat hij het van belang acht dat ook landen die niet zijn aangesloten bij de regimes eigen exportcontrolesystemen ontwikkelen. hij geeft aan dat hij de initiatieven om de systemen te versterken vanuit de Verenigde Naties, de regimes en de Europese Unie verwelkomen. De leden van de CDA-fractie vragen hierbij aan de staatssecretaris of en zo ja hoe hij denkt dat Nederland hier een positieve bijdrage aan kan leveren. Graag een reactie.

Nederland draagt actief bij aan het versterken van exportcontrole in andere landen, zowel binnen als buiten de regimes. Dit gebeurt door actieve inbreng in het Europees overleg en in de exportcontroleregimes, door snel en uitgebreid antwoord te geven op (technische) vragen van derde landen en/of buitenlandse partners en door een bijdrage te leveren aan de outreach-activiteiten van de regimes en de EU.

24

Momenteel is het in Nederland zo geregeld dat Nederlandse bedrijven bij export van dual-usegoederen een vergunning nodig hebben om te leveren. In de brief verwoordt de staatssecretaris dit als volgt: «Uitvoercontrole moet plaatsvinden voorafgaand aan de export. Per geval wordt een beoordeling gemaakt van de risico’s omtrent goederen, exporteur, eindgebruiker en het eindgebruik. Indien er aanwijzingen zijn dat de goederen ingezet zullen of kunnen worden voor de ontwikkeling of productie van massavernietigingswapens, geeft Nederland geen toestemming voor de uitvoer.»

In Frankrijk is het weer anders. Daar hebben Franse bedrijven bij export een vergunning nodig om hun producten aan te mogen bieden. Dit is dus eerder in het proces. Ongeacht de vraag wat nu het beste systeem is, hechten de leden van de CDA-fractie aan een Europees gelijk speelveld. Dit betekent dat er een verder Europees harmonisatiebeleid gevoerd dient te worden. Het invoeren van een Europese meldplicht voor tussenhandelaren, zodat de handhavingsinstanties beter kunnen overzien welke tussenhandelaars in de EU actief zijn, zou bijvoorbeeld een goede eerste stap zijn in dit harmonisatieproces. De leden van de CDA-fractie vragen de staatssecretaris hoe hij aankijkt tegen dit probleem en wat de Nederlandse bijdrage kan zijn.

Dit betekent dat er niet alleen een juridisch, maar ook praktisch level playing field moet zijn ten aanzien van dual-usegoederen, omdat er anders concurrentievervalsing optreedt. Voorbeeld: het kan en mag niet zo zijn dat een bedrijf in Duitsland verboden wordt om een dual-useproduct te leveren aan Syrië terwijl het identieke product wel geleverd mag worden aan Syrië door een bedrijf in Portugal. Dan volgt voor de leden van de CDA-fractie ook de vraag: waar kunnen bedrijven in Nederland terecht die een klacht willen indienen over de casus zoals hierboven beschreven? Dus als een bedrijf in een land erachter komt dat bedrijven in andere landen mogen doorleveren (al dan niet door gebrekkig toezicht in die landen dan wel door het niet strikt toepassen van dual-use richtlijn), tot wie kunnen zij zich dan wenden om een dergelijke zaak aanhangig te maken? Graag een reactie.

Het kabinet spant zich in om bedrijven een gelijk speelveld te bieden. Veel van onze belangrijke handelspartners zien de risico’s van proliferatie ook en voeren een vergelijkbaar exportcontrolebeleid. Wanneer toch het gebrek aan een gelijk speelveld wordt geconstateerd, bijvoorbeeld doordat het bedrijfsleven daarop attendeert of als dat blijkt uit contacten met Europese partners, zal altijd worden geprobeerd het speelveld te herstellen. Ook in Nederland kunnen bedrijven vroeg in het proces advies vragen aan de overheid over de kans dat een vergunning zal worden toegekend. Bij het beoordelen van zo’n sondage zal zoveel mogelijk informatie over de uiteindelijke transactie meegewogen worden. Indien die beoordeling positief is, de omstandigheden gelijk blijven en er geen nieuwe, belastende informatie naar boven komt, zal het aannemelijk zijn dat de uiteindelijke vergunning ook kan worden toegekend.

Indien bedrijven menen dat een wettelijke of bestuurlijke maatregel of een praktijk van een EU-lidstaat in strijd is met het EU-recht, waardoor een gebrek aan level playing field ontstaat, bestaat de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de Europese Commissie. De Europese Commissie kan dan de betreffende lidstaat om informatie vragen en eventueel een infractieprocedure starten. De Europese Commissie verzoekt de klager om zich vooraf of gelijktijdig aan de klacht eerst te wenden tot de bestuurlijke en rechterlijke instanties op nationaal niveau (bestuurder, ombudsman, arbitrage- en verzoeningsprocedure). Dit wordt aanbevolen omdat daar voor de klager voordelen aan verbonden kunnen zijn. De nationale rechtsmiddelen bieden de klager de mogelijkheid om zijn recht over het algemeen op een meer rechtstreekse en persoonlijke manier te doen gelden (bijvoorbeeld door een schadevergoeding) dan wanneer de Commissie een inbreukprocedure inleidt (langdurige procedure).

Een bedrijf kan een klacht indienen bij het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. De Algemene wet bestuursrecht (hoofdstuk 9, Titel 9.1) is op die klacht van toepassing. Een klacht kan ook worden ingediend bij de nationale ombudsman (hoofdstuk 9, Titel 9.2). De ombudsman verzoekt wel om eerst gebruik te maken van de klachtregeling bij het ministerie.

25

De leden van de CDA-fractie pleiten in deze context voor een stevig Europees kader dat voldoende ruimte biedt aan de lidstaten voor concreet beleid. Een algemene Europese vergunning past ook volgens de leden niet in een dergelijk beleid. Daarnaast moet het risico dat het nemen van een beslissing zoveel tijd in beslag neemt, dat afnemers ervoor kiezen uit te wijken naar andere leveranciers, waardoor mogelijk omzet verloren gaat voor het Nederlandse of Europese bedrijfsleven voorkomen worden. De leden van de CDA-fractie vragen de staatssecretaris of en zo ja hoe hij ervoor kan zorgen dat deze administratieve/ bureaucratische procedures beperkt kunnen blijven zonder dat de veiligheid van het systeem in het gedrang komt. Graag een reactie.

Dit vraagstuk ligt op het vlak van het handelsbelang, dit betekent echter niet dat de leden van de CDA-fractie in hun afweging tussen veiligheid en handelsbelangen de nadruk leggen op handelsbelangen. Veiligheid blijft voor de leden van de CDA-fractie op nummer 1 staan!

Zie het antwoord op vraag 17.

Tenslotte pleiten ook de leden van de CDA-fractie ervoor dat Europese autoriteiten de beschikking moeten hebben over alle relevante informatie. Niet alleen de afgewezen vergunningen, maar ook de toegewezen vergunningen en opgelegde catch-alls moeten voor ieder land/bedrijf zichtbaar zijn. Het door de Commissie ontwikkelde dual-use e-system kan een bijdrage leveren bij het efficiënt ontsluiten van deze informatie, het vergroten van de transparantie over de implementatie van het beleid en een effectievere handhaving van de wetgeving in alle EU-lidstaten. Kortom een win-win situatie voor iedereen!

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

De leden van de fractie van D66 hebben met belangstelling kennis genomen van de voorstellen van de staatssecretaris naar aanleiding van het groenboek exportcontrole dual-usegoederen.

26

Blij met terughoudendheid ten opzichte van versoepeling van dual-usegoederen. De verspreiding van dergelijke goederen moet streng gecontroleerd worden om zodoende de risico’s minimaal te houden. Ook kan zo de kans op het in verkeerde handen belanden van dual-usegoederen tot een minimum verkleind worden. De staatssecretaris maakt in zijn inbreng de correcte afweging tussen veiligheid en handelsbelangen door de nadruk op veiligheid te leggen. De leden van de D66-fractie leggen hierbij wel de nadruk op hun mening dat het hier evengoed gaat om de veiligheid van inwoners van derde landen als inwoners van Nederland. En dat het hierbij ook moet gaan om potentiële slachtoffers van mensenrechtenschendingen door eigen regime. Graag op dit laatste punt een reactie van de staatssecretaris.

Ik ben blij dat de D66-fractie en het kabinet het hier met elkaar eens zijn. De insteek van het Nederlandse exportcontrolebeleid is veiligheid boven handelsbelang. Dat geldt inderdaad voor de veiligheid van inwoners van Nederland, derde landen en potentiële slachtoffers van mensenrechtenschendingen door eigen regime.

27

Een afzonderlijk punt willen de leden van de D66-fractie maken over de status van IT-apparatuur. De uitvoer van ICT en andere technologische producten en software voor tweeërlei gebruik naar staten of staatsbedrijven in landen met repressieve regimes speelt een belangrijke rol bij het schenden van mensenrechten.

Het staat buiten kijf dat technologieën die vanuit de EU worden geïmporteerd en door Europese bedrijven zijn ontworpen6 worden gebruikt door repressieve regimes. Voor wat Egypte betreft hebben kranten uitgebreid verslag gedaan7 van het Europese telefoonbedrijf Vodafone dat zaken deed onder rechtstreeks toezicht van het voormalige Mubarak-regime: het staakte zijn diensten, maar verzond wel regeringsgezinde sms-berichten. Verder heeft onderzoeksjournalistiek door Bloomberg gewezen op de rol van het Fins/Duitse Nokia Siemens Networks in Bahrein8.

Wat is het standpunt van de staatssecretaris met betrekking tot deze goederen en welke procedures en verplichtingen gelden wat betreft deze goederen en diensten?

Voor telecommunicatie- en informatiebeveiligingsproducten die genoemd worden in bijlage I van de dual-use verordening, biedt die verordening voldoende waarborgen om de uitvoer van goederen te verbieden indien deze goederengeheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor doeleinden die verband houden met mensenrechtenschendingen. De toetsingscriteria in artikel 12 van de dual-useverordening verwijzen onder andere naar de acht criteria van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie, waaronder ook het mensenrechtencriterium.

Voor producten die niet voorkomen in bijlage I kan een ad-hoc vergunningplicht opgelegd worden voor individuele gevallen indien de goederen geheel of gedeeltelijk zullen worden gebruikt ten behoeve van massavernietigingswapens of van conventioneel militaire toepassingen in een land waar een wapenembargo op rust. Het is op dit moment niet mogelijk om zo’n vergunningplicht voor individuele gevallen op te leggen indien de goederen geheel of gedeeltelijk worden gebruikt voor mensenrechtenschendingen. Omdat ik er ter bescherming van mensenrechten echter belang aan hecht dat bedrijven naast zelfrestrictie ook een kader hebben om besluiten te nemen over export van hun producten zet ik mij er in Europees verband samen met de minister van Buitenlandse Zaken voor in om deze mogelijkheid toe te voegen aan artikel 4 van de dual-use verordening.

28

De staatssecretaris schrijft dat de aanpassingsprocedure van de Europese controlelijst vertraagd is sinds de inwerkingtreding van het verdrag van Lissabon. Kan de staatssecretaris aangeven hoe de procedure voor aanpassing er dan nu precies uit ziet?

Nadat wijzigingen van de controlelijsten in de exportcontroleregimes overeengekomen zijn, worden deze geconsolideerd en doet de Commissie een voorstel tot aanpassing van de lijsten in bijlage I van de dual-use verordening. Deze wijziging geschiedt met behulp van een gewone wetgevingsprocedure. Sinds het verdrag van Lissabon betekent dit dat ook het Europees Parlement hierbij betrokken is.

Op 23 mei 2011 heeft het EP aangegeven dat ze liever niet betrokken wordt in een wetgevingsproces dat uitsluitend dient ter implementatie van internationale afspraken en heeft het de Commissie gevraagd om een voorstel te doen voor een niet-wetgevende procedure. Het kabinet geeft de voorkeur aan een uitvoeringshandeling waarbij de bevoegdheid tot besluitvorming in dit geval aan de Raad is geattribueerd. Het zijn immers de individuele lidstaten die door hun deelname aan de regimes gebonden zijn aan de daar gemaakte afspraken, en niet de Unie als geheel.

29

Waarom heeft Nederland het artikel 8, waarmee een lidstaat om redenen van openbare veiligheid of uit mensrechtenoverwegingen een verbod of vergunningplicht kan instellen voor de uitvoer van dual-usegoederen die niet op de lijst van bijlage I voorkomen, nog nooit gebruikt? Heeft de staatssecretaris nooit twijfels gehad over mensenrechtenoverwegingen?

Het kabinet is van mening dat de lijsten met vergunningplichtige goederen in de eerste plaats moeten worden vastgesteld in de exportcontroleregimes. Via artikel 3 van de dual-use verordening geldt voor deze goederen in alle lidstaten een vergunningplicht bij uitvoer uit de EU.

Daarnaast is het op basis van artikel 4 mogelijk om door middel van een catch-all beschikking voor individuele zendingen een vergunningplicht op te leggen.

Een nationale vergunningplicht op basis van artikel 8 leidt tot een verslechtering in de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven. Als Nederland bepaalde goederen onder een vergunningplicht wil brengen, zal zij dit daarom in de eerste plaats via de internationale exportcontroleregimes proberen te regelen. Het is tot nu toe nooit nodig geweest om gebruik te maken van de mogelijkheid om dit alleen nationaal te doen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van GroenLinks

De leden van de GroenLinks-fractie hebben met interesse kennis genomen van de kabinetsreactie op het groenboek exportcontrole op goederen voor tweeërlei gebruik.

Volgens hen vormen bepaalde goederen voor tweeërlei gebruik naast grote kansen, ook een groot risico op schending van mensenrechten. De toepassingen hiervan zullen in de toekomst alleen maar toenemen.

30

Zij vragen zich dan ook af of de staatssecretaris voornemens is analoog aan het wapenexportbeleid op eenzelfde wijze risicoanalyses te gebruiken voor de inschatting van de mogelijke ongewenste toepassing van deze producten. Zal de staatssecretaris bij een dergelijke analyse ook via de criteria uit het gemeenschappelijk EU standpunt wapenexport te werk gaan?

De toetsingscriteria in artikel 12 van de dual-use verordening verwijzen onder andere naar de acht criteria van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie.

31

Gezien de misstanden bij de export- en doorvoer van wapens en de export, in erkenning waarvan de staatssecretaris heeft aangekondigd de controle te gaan verscherpen, vinden de leden van de GroenLinks-fractie het van belang niet af te wachten tot deze misstanden ook bij producten van tweeërlei gebruik zich openbaren. De staatssecretaris wil koploper zijn tegen de inperking van vrijheid van meningsuiting op internet. De leden van de GroenLinks-fractie maken zich ernstig zorgen om blokkades en beperkingen op het gebied van internet die de afgelopen jaren in veel landen plaatsvinden. Ook Europese bedrijven exporteren technologie, vaak uitgerust met filtermogelijkheden omdat in veel landen de overheid uit veiligheidsoverwegingen het dataverkeer willen aftappen. Gezien de toename van toepassingen zoals deze, vragen de leden van de GroenLinks-fractie zich af op welke wijze de staatssecretaris aandacht besteed aan deze risico’s.

Zie het antwoord op vraag 27.

32

In het groenboek (pagina 5) staat dat bij «ruime beschikbaarheid van bepaalde producten in het buitenland» minder reden is om de uitvoer er van te controleren. De genoemde leden zouden graag een reactie van de staatssecretaris krijgen op deze constatering. Immers, als er in het buitenland ruime beschikbaarheid is van clustermunitie, is dat ook geen reden om controle op clustermunitie stop te zetten.

In het Groenboek geeft de Commissie aan dat buitenlandse beschikbaarheid van goederen een sleutelelement is van de overwegingen inzake controle op de uitvoer, en concludeert dat bij ruime beschikbaarheid in het buitenland veel minder reden is om de uitvoer ervan te controleren, aangezien dat de prestaties van de bedrijven negatief kan beïnvloeden en er toch geen veiligheidsdoelen mee worden bereikt.

Nederland deelt de mening van de Commissie dat buitenlandse beschikbaarheid zwaar meeweegt, maar acht het tevens van belang om mee te wegen of de landen waar de goederen beschikbaar zijn, aangesloten zijn bij of adherent zijn aan een van de exportcontroleregimes. Op basis van resolutie 1540 van de VN-veiligheidsraad moeten alle landen effectieve exportcontrole hebben, zodat ook bij buitenlandse beschikbaarheid van gecontroleerde goederen verondersteld mag worden dat de goederen onder effectieve controle staan en er dus geen nadeel bestaat voor Europese bedrijven. Indien dit toch het geval is, kan dit in de regimes reden zijn om te spreken over herziening van de controlelijsten om bepaalde goederen van de lijst af te voeren, maar het kan ook reden zijn om te spreken over uitbreiding van het lidmaatschap van het betreffende regime.

Ik ben van mening dat de bruikbaarheid voor militaire of proliferatiegevoelige activiteiten een belangrijker overweging vormt dan de beschikbaarheid van de goederen op de wereldmarkt.

33

De staatssecretaris bepleit in de kabinetsreactie duidelijk een meer geharmoniseerde/gecommunautariseerde aanpak van exportcontrole. Is het denkbaar dat Nederland in de Europese Raad hiervoor een medestander vindt? Welke lidstaten zouden dit niet willen?

Het kabinet is een voorstander van meer harmonisatie op dit terrein. Een aantal andere Europese lidstaten staat hier terughoudender tegenover. Vooral lidstaten die veel goederen voor tweeërlei gebruik produceren en verhandelen lijken bevreesd dat nationale maatregelen die bedoeld zijn om de bedrijven te faciliteren niet meer gebruikt zullen mogen worden.

34

De staatssecretaris stelt in zijn kabinetsreactie op het groenboek dat het instrument van een algemene vergunning te generiek is en op gespannen voet staat met de uitgangspunten van het Nederlandse exportcontrolebeleid (p. 8). Uit het groenboek blijkt dat slechts 7 lidstaten met een algemene vergunning werken.

Nederland is één van de lidstaten die met een algemene vergunning werkt. Is de staatssecretaris er voorstander van deze algemene vergunning in te trekken?

De Nederlandse algemene vergunning is slechts geldig voor een beperkt aantal, relatief ongevoelige goederen voor tweeërlei gebruik. De reden dat deze goederen nog gecontroleerd zijn in het betreffende exportcontroleregime (het Wassenaar-arrangement) ligt vooral aan de zorgen over de uitvoer ervan naar bepaalde gevoelige bestemmingen. Daarom heeft Nederland ervoor gekozen de uitvoer naar andere bestemmingen dan deze gevoelige te faciliteren.

35

De leden van de GroenLinks-fractie vragen zich tot slot af op welke wijze de Tweede Kamer geïnformeerd zal worden over het al dan niet afgeven van vergunning voor export en doorvoer van goederen voor tweeërlei gebruik. Zal de Kamer hier door middel van periodieke rapportages over worden geïnformeerd?

Ik hecht grote waarde aan transparantie over de uitvoering van het exportcontrolebeleid. Daarom publiceer ik via de website www.rijksoverheid.nl/exportcontrole periodiek overzichten van de afgegeven vergunningen voor goederen voor tweeërlei gebruik.


X Noot
1

Samenstelling:

Leden: Dijksma, S.A.M. (PvdA), Snijder-Hazelhoff, J.F. (VVD), Koopmans, G.P.J. (CDA), Ham, B. van der (D66), voorzitter, Smeets, P.E. (PvdA), Samsom, D.M. (PvdA), Jansen, P.F.C. (SP), ondervoorzitter, Jacobi, L. (PvdA), Koppejan, A.J. (CDA), Graus, D.J.G. (PVV), Thieme, M.L. (PvdD), Gesthuizen, S.M.J.G. (SP), Wiegman-van Meppelen Scheppink, E.E. (CU), Tongeren, L. van (GL), Ziengs, E. (VVD), Braakhuis, B.A.M. (GL), Gerbrands, K. (PVV), Lodders, W.J.H. (VVD), Vliet, R.A. van (PVV), Dijkgraaf, E. (SGP), Schaart, A.H.M. (VVD), Verhoeven, K. (D66) en Werf, M.C.I. van der (CDA).

Plv. leden: Jadnanansing, T.M. (PvdA), Elias, T.M.Ch. (VVD), Blanksma-van den Heuvel, P.J.M.G. (CDA), Koolmees, W. (D66), Dikkers, S.W. (PvdA), Dekken, T.R. van (PvdA), Irrgang, E. (SP), Groot, V.A. (PvdA), Holtackers, M.P.M. (CDA), Dijck, A.P.C. van (PVV), Ouwehand, E. (PvdD), Gerven, H.P.J. van (SP), Schouten, C.J. (CU), Gent, W. van (GL), Leegte, R.W. (VVD), Grashoff, H.J. (GL), Mos, R. de (PVV), Taverne, J. (VVD), Bemmel, J.J.G. van (PVV), Staaij, C.G. van der (SGP), Houwers, J. (VVD), Veldhoven, S. van (D66) en Ormel, H.J. (CDA).

X Noot
2

http://www.nokiasiemensnetworks.com/

news-events/press-room/statement-to-the-

public-hearing-on-new-information-

technologies-and-human-rights

X Noot
3

http://online.wsj.com/article/SB100014240527

48703652104576122044234987416.html; http://www.bloomberg.com/news/2011-02-03/vodafone-ordered-to-send-egyptian-government-messages-update1-.html

X Noot
4

http://www.bloomberg.com/news/print/

2011-08-22/torture-in-bahrain-becomes-

routine-with-help-from-nokia-siemens-

networking.html

X Noot
5

Zie Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 32 665, nr. 3, Memorie van Toelichting bij Regels inzake de controle op diensten die betrekking hebben op strategische goederen (Wet strategische diensten).

X Noot
6

http://www.nokiasiemensnetworks.com/news-events/press-room/statement-to-the-public-hearing-on-new-information-technologies-and-human-rights

X Noot
7

http://online.wsj.com/article/SB10001424052

748703652104576122044234987416.html;

http://www.bloomberg.com/news/2011-02-03/vodafone-ordered-to-send-egyptian-government-messages-update1-.html

X Noot
8

http://www.bloomberg.com/news/print/2011-08-22/torture-in-bahrain-becomes-routine-with-help-from-nokia-siemens-networking.html