Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2016-201722026 nr. 493

22 026 Nederlands deel van een hogesnelheidsspoorverbinding Amsterdam–Brussel–Parijs en Utrecht–Arnhem–Duitse grens

Nr. 493 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 13 december 2016

De vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu over de brief van 31 oktober 2016 inzake het controlerapport bij 39e Voortgangsrapportage HSL-Zuid (Kamerstuk 22 026, nr. 490).

De Staatssecretaris heeft deze vragen beantwoord bij brief van 13 december 2016. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Van Dekken

De adjunct-griffier van de commissie, Israel

Vraag 1

Acht u het verstandig de grootprojectstatus te beëindigen nu geen helderheid kan worden geboden over de financiële gevolgen van de problematiek rond zettingen, met name rond de betonkwaliteit?

Antwoord 1

Ja. In de brief over de Voortgang van het MIRT (Kamerstuk 34 550 A, nr. 18) hebben Minister Schultz en ik geschetst bij welke criteria sprake kan zijn van beëindiging van de groot projectstatus. Daarin is gesteld dat het in ieder geval zinvol is om het gesprek over beëindiging van de groot projectstatus aan te gaan indien er sprake is van één van de volgende criteria:

  • 1. De geprognosticeerde uitgaven zijn voor 75% gerealiseerd en de prognose eindstand binnen de budgettaire randvoorwaarde past;

  • 2. Het grootste deel (circa 90%) van het doelbereik (bij programma’s) dan wel de scope (bij projecten) is gerealiseerd;

  • 3. Het risicoprofiel geeft geen aanleiding meer tot substantiële» impact op tijd en geld.

Als deze criteria worden gehanteerd komt het project HSL-Zuid in aanmerking voor beëindiging. Gezien het feit dat de grootste uitgaven (reeds lang geleden) zijn gedaan en de projectorganisatie is opgeheven, past de grootprojectstatus mijns inziens niet meer bij de HSL-Zuid. Het feit dat voor de beton nog geen financiële ruimte is gereserveerd omdat nog onderzoek wordt gedaan naar de aard en omvang van de betonproblematiek van de gehele HSL-Zuid, doet hier niet aan af.

De Accountantsdienst Rijk (ADR) heeft geconstateerd dat voor de restpunten zettingen en betonproblematiek geen periodieke kwantitatieve risicoanalyses hebben plaatsgevonden. Ik zal daarom deze kwantitatieve risicoanalyses laten uitvoeren conform het beoordelingskader van de ADR, voor zover dat mogelijk is in deze fase waarin het onderzoek naar de restpunten nog loopt. Aangezien met name voor beton geldt dat de aard en omvang van de problematiek nog niet bekend is, zal de kwantitatieve risicoanalyse waarschijnlijk een grote bandbreedte hebben. Ik zal uw Kamer hierover uiterlijk in het najaar van 2017 over informeren.

Vraag 2

Welke frequentie van voortgangsrapportages acht u wenselijk, mede gezien de problematiek van de zettingen en de betonkwaliteit?

Antwoord 2

Ik stel voor uw Kamer halfjaarlijks met een voortgangsbrief te informeren over relevante ontwikkelingen bij de HSL-Zuid, waaronder zettingen en betonkwaliteit. Uiteraard zal ik uw Kamer altijd direct informeren als dat aan de orde is.

Vraag 3

Hoe staat u tegenover de gedachte om de Auditdienst Rijk (ADR) enkel nog voor de onderdelen betonkwaliteit en zettingen om een oordeel te vragen over de kwaliteit en volledigheid van de financiële en niet-financiële informatie in de voortgangsrapportage, alsmede over de beheersing en het beheer van deze onderdelen van het project?

Antwoord 3

Ik ben graag bereid de ADR te vragen om jaarlijks een onderzoek uit te voeren naar de beheersing en het beheer van de onderdelen betonkwaliteit en zettingen en de informatie daarover in een voortgangsbrief. De ADR is hier in beginsel toe bereid, waarbij de ADR zich zal beraden over hoe dit onderzoek het beste kan worden ingevuld.

Vraag 4

Heeft de kritiek van de Auditdienst op de toekomstgerichte financiële informatie over betonkwaliteit en zettingen alleen betrekking op het feit dat nog nader onderzoek moet plaatsvinden voordat de concrete maatregelen, de financiële gevolgen en de planning inzichtelijk zijn? Zo nee, op welke andere zaken heeft deze kritiek betrekking?

Antwoord 4

De kritiek van de Auditdient op de toekomstgerichte financiële informatie is een gevolg van het niet uitvoeren van kwantitatieve risicoanalyses. De Auditdienst verwacht conform het beoordelingskader van het project dat, als onderdeel van de periodieke kwantitatieve risicoanalyse, een schatting wordt gemaakt van de benodigde tijd en het benodigde geld voor het oplossen van de betonproblematiek en de zettingen. Hieronder vallen zowel het nadere onderzoek als de herstelmaatregelen.

Vraag 5

Waarom heeft in het verslagjaar geen periodieke kwantitatieve risicoanalyse plaatsgevonden?

Antwoord 5

Wat betreft zettingen geldt dat regelmatig wordt bezien of de bestaande risicoreservering bijstelling behoeft. Ik heb uw Kamer bij VGR 38 en 39 geïnformeerd dat de resultaten uit de monitoringsprogramma’s geen aanleiding geven om de risicoreservering voor zettingen aan te passen. Voor de betonproblematiek geldt dat dit vraagstuk zich in de analysefase bevindt, waardoor het niet mogelijk is een risicoreservering te maken. Ik heb uw Kamer hierover geïnformeerd, onder meer bij de aanbieding van VGR 37 van oktober 2015. Zoals blijkt uit VGR 39 wordt het onderzoek naar de betonproblematiek op de hele HSL-Zuid naar verwachting eind 2017 zijn afgerond.

Vraag 6

Hoe beoordeelt u de conclusie dat het ontbreken van kwantitatieve risicoanalyses met betrekking tot betonkwaliteit en zettingen niet overeenkomstig daarvoor geldende uitgangspunten en veronderstellingen ordelijk, controleerbaar en deugdelijk tot stand zijn gekomen?

Antwoord 6

De in de voortgangsrapportage opgenomen toekomstgerichte financiële informatie en niet-financiële informatie ten aanzien van zettingen en betonkwaliteit is niet conform het controlekader van de ADR tot stand gekomen. Ik zal daarom deze kwantitatieve risicoanalyses laten uitvoeren conform het beoordelingskader van de ADR, voor zover dat mogelijk is in deze fase waarin het onderzoek naar de restpunten nog loopt. Aangezien met name voor beton geldt dat de aard en omvang van de problematiek nog niet bekend is, zal de kwantitatieve risicoanalyse waarschijnlijk een grote bandbreedte hebben. Ik zal uw Kamer hierover uiterlijk in het najaar van 2017 over informeren.

Vraag 7

Hoe beoordeelt u de conclusie dat de beheersing van planning en budgettering waar het gaat om betonkwaliteit en zettingen, niet effectief is?

Antwoord 7

De ADR concludeert dat de beheersing en het beheer van het project Hogesnelheidslijn Zuid in de periode 1 juli 2015 tot en met 30 juni 2016 in overeenstemming was met de voor het project relevante onderdelen van het Governancemodel Grote Projecten en het Beheersmodel Grote Projecten. Uitzondering hierop is de kwantificering van risico’s met betrekking tot betonkwaliteit en zettingen. Zie ook het antwoord op vraag 1.