22 026 Nederlands deel van een hogesnelheidsspoorverbinding Amsterdam–Brussel–Parijs en Utrecht–Arnhem–Duitse grens

Nr. 360 BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Ter Griffie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen op 18 april 2012.

De wens over het vastgestelde beleidsvoornemen nadere inlichtingen te ontvangen kan door of namens de Kamer of door tenminste dertig leden van de Kamer te kennen worden gegeven uiterlijk 18 mei 2012.

Het oordeel dat de concessieverlening een machtiging bij wet behoeft kan door de Kamer worden uitgesproken uiterlijk dertig dagen na het ontvangst van het vastgestelde beleidsvoornemen dan wel binnen veertien dagen na het verstrekken van de in de vorige volzin bedoelde inlichtingen.

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 17 april 2012

Op 18 november 2011 heb ik u met mijn brief over de HSA-problematiek (Kamerstuk 22 026, nr. 343) ter informatie het conceptbeleidsvoornemen voor de gunning van de vervoerconcessie voor het hoofdrailnet 2015–2025 gestuurd. Met deze brief bied ik u overeenkomstig de van toepassing zijnde voorhangprocedures het beleidsvoornemen aan dat conform artikel 66 van de Wet personenvervoer 2000 dient te worden opgesteld. Dit beleidsvoornemen1 gaat vooraf aan de procedure tot concessieverlening en het daadwerkelijke besluit over de vervoerconcessie 2015. Daarnaast schets ik u in deze brief hoe ik de nadere analyse van Het nieuwe spoorplan van FMN aanpak. Ik informeer u in juni over de uitkomsten van deze analyse. Ook het programma van eisen voor de nieuwe vervoerconcessie zal ik in juni voorleggen aan uw Kamer. Genoemde voorhang van het voornemen wordt dan ook verlengd tot en met het overleg met de Kamer over bovengenoemde documenten.

Beleidsvoornemen

Het beleidsvoornemen behandelt onder meer de procedure van concessieverlening en de betrokken markt. Zoals ook op 15 februari 2012 met uw Kamer besproken richt ik mij op een onderhandse gunning van de vervoerconcessie voor het hoofdrailnet aan NS. De HSL-Zuid wordt aan dit net toegevoegd. NS levert in ruil hiervoor een significante bijdrage aan de oplossing van de HSA-problematiek. Een meerderheid van uw Kamer is akkoord gegaan met deze koers.

Conform artikel 66 van de Wet personenvervoer 2000 heb ik de consumenten-organisaties in het Locov om advies over het conceptbeleidsvoornemen gevraagd. Zij hebben positief geadviseerd over het voornemen tot onderhandse gunning aan NS, onder de voorwaarde van het stevig aanscherpen van de concessie-voorwaarden. Tevens hebben de consumentenorganisaties gereageerd op het concept van het programma van eisen en de voorgenomen decentralisatie van stoptreindiensten.

Het integrale advies van de consumentenorganisaties heeft u ontvangen met mijn beantwoording van de vragen over het beleidsvoornemen uit het schriftelijk overleg van de vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu van 26 maart jl. (kenmerk IENM/BSK-2012/51295). Mijn reactie op het advies van de consumentenorganisaties is eveneens bij voornoemde beantwoording gevoegd.

Decentralisatie

Ik heb in het algemeen overleg van 15 februari jl. toegezegd een nadere analyse te doen, inclusief een onafhankelijke toets, van Het nieuwe spoorplan van FMN. Hierbij informeer ik u op hoofdlijnen over het proces en de inhoud van deze nadere analyse.

Doel van de analyse is per regio nader inzicht te verkrijgen in:

  • de waarde voor de reizigers van de regionale netwerken versus de waarde van een geïntegreerd hoofdrailnet;

  • de te verwachten effecten door het creëren van samenloop (voor onder meer de reizigers, de infrastructuur en PHS) en de maakbaarheid en wenselijkheid hiervan;

  • de te verwachten financiële effecten; en

  • de positie van decentrale overheden.

Een onafhankelijke voorzitter voert samen met externe bureaus de analyse uit en begeleidt het proces. Ik ben verheugd u te kunnen melden dat de heer E. J. Janse de Jonge bereid is gevonden als onafhankelijk voorzitter op te treden.

Voor elk van de vijf Regionetten die FMN voorstelt, wordt nader overleg gevoerd. Hierbij worden de vervoerders (NS en FMN), de concessieverleners (decentrale overheden en IenM) en ProRail betrokken. Ook de consumentenorganisaties zijn uitgenodigd aanwezig te zijn. Deze overleggen bieden de mogelijkheid dieper in te gaan op de algemene en de regiospecifieke aspecten van de netwerken. Ik beschouw de leiding van de onafhankelijke voorzitter en de externe bureaus als de borging van de onafhankelijkheid, zoals met uw Kamer besproken.

Op basis van de uitkomsten van deze analyse bezie ik nader welke stoptreindiensten in aanmerking komen voor decentralisatie. Mijn streven is om in juni uw Kamer te informeren over de uitkomsten van de nadere analyse.

Vervolgproces

Ik leg uw Kamer het programma van eisen voor de nieuwe vervoerconcessie voor het hoofdrailnet in juni formeel voor. Graag ga ik op basis van het beleidsvoornemen, het programma van eisen en de nadere analyse van Het nieuwe spoorplan van FMN met uw Kamer het gesprek aan. Onder meer over de onderwerpen in de nieuwe concessie die u belangrijk vindt voor de reizigers te borgen. Na voorhang van het beleidsvoornemen zal ik ingevolge de PSO-verordening (EG) Nr. 1370/2007 in verband met de verlangde transparantie in het Publicatieblad van de Europese Unie informatie met betrekking tot de voorgenomen onderhandse concessieverlening bekend maken.

Het resultaat van het gesprek met uw Kamer is voor mij de uitgangspositie voor de uitwerking van een ontwerp van de vervoerconcessie. In die uitwerking betrek ik ook andere onderwerpen, zoals de inrichting van de aansturing.

Uiteindelijk moet het een werkbare concessie opleveren waarin eisen en financiële kaders in balans zijn en die robuust is voor de toekomst van het hoofdrailnet. Het ontwerp van de concessie wordt voorgehangen in zowel de Eerste als Tweede Kamer. U kunt met mij op dat moment de concrete eisen in de ontwerpconcessie bespreken. Het is mijn inschatting dit medio 2013 te doen, maar dat is mede afhankelijk van het procesverloop. Een nadere schets van de procedure van concessieverlening is opgenomen in het beleidsvoornemen.

De minister van Infrastructuur en Milieu, M. H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt.

Naar boven