Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2002-2003 | 21860 nr. 71 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2002-2003 | 21860 nr. 71 |
Vastgesteld 6 mei 2003
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen1 heeft op 16 april 2003 overleg gevoerd met minister Van der Hoeven van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen over de Vijfde voortgangsrapportage Weer samen naar school (21 860, nr. 70).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissie
Mevrouw Eijsink (PvdA), die mede namens de fractie van D66 spreekt, is een groot voorstander van het WSNS-project. Op een aantal punten verloopt het traject heel goed, maar er zijn ook vier grote problemen. Hoewel de wachtlijsten door de vorig jaar gestarte specifieke aanpak korter zijn geworden en in de komende maanden verder zullen worden teruggedrongen, blijkt uit talloze voorbeelden dat zij nog steeds zeer lang zijn, met name voor autistische kinderen, kinderen met het syndroom van Down en hoogbegaafde kinderen. In enkele gevallen is sprake van een wachttijd van een halfjaar of zelfs twee jaar. Dit is onaanvaardbaar, omdat deze leerlingen sowieso al zeer kwetsbaar zijn. Mede hierom zullen de fracties van de PvdA en D66 een apart overleg aanvragen over het onlangs uitgekomen rapport Thuiszitters in beeld. Er is grote behoefte aan een plan van aanpak dat ervoor moet zorgen dat deze kinderen per 1 september a.s. een plek in het reguliere onderwijs krijgen.
Mede dankzij de grote inzet van leerkrachten hebben deze kwetsbare kinderen de mogelijkheid om het reguliere primaire onderwijs te volgen, maar bij de overgang naar het voortgezet onderwijs komt een deel van deze kinderen in een vrije val terecht. Ook dit hangt samen met wachtlijsten, mede omdat het leerlingvolgsysteem in het voortgezet onderwijs, initiatieven voor een betere afstemming tussen basisscholen en voortgezet onderwijs en een voorbeeldproject nog in een verkennende fase zijn. Welke plannen zijn er om deze valkuil niet nog groter te laten worden?
Mede gelet op de onzekerheid over de toekomstige financiële middelen voor WSNS, moet de afstemming tussen Weer samen naar school (WSNS), de gewichtenregeling in het kader van het onderwijsachterstandenbeleid en het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (GOA) niet pas na de brede evaluatie in 2004 worden verbeterd. Kan eind 2003 een grote evaluatie plaatsvinden waarbij deze samenhang wordt meegenomen?
De invoering per 1 augustus a.s. van de leerlinggebonden financiering (LGF) is niet los te zien van de ontwikkelingen in het reguliere onderwijs, bijvoorbeeld de verzwaring van de taken voor leerkrachten. Welke afstemming vindt er plaats tussen WSNS+ en de LGF, mede ter bestrijding van de wachtlijsten?
Blijkens het onderzoek van dr. Smeets leveren de samenwerkingsverbanden een zeer beperkte bijdrage; bovendien is het percentage leerlingen op een wachtlijst hoger naarmate het samenwerkingsverband groter is. Wellicht hangt dit samen met een te grote bureaucratie binnen de samenwerkingsverbanden. Wat vindt de minister van dit oordeel over de samenwerkingsverbanden?
Mevrouw Kraneveldt (LPF) wijst erop dat het hoge percentage migranten in de groep «geen onderwijs» (76%) misschien veroorzaakt wordt doordat deze groep niet op de hoogte is van de mogelijkheden. Wellicht kan via gerichte informatie aan de ouders van deze groep kinderen worden voorkomen dat deze kinderen buiten de boot vallen.
Het is mogelijk dat scholen die het al moeilijk hebben met achterstandsleerlingen, leerlingen te snel doorverwijzen naar het speciaal onderwijs. Wordt dat bevestigd door het aantal beschikkingsaanvragen dat door de Permanente commissies leerlingenzorg (PCL) wordt afgewezen?
Ook mevrouw Kraneveldt vraagt een reactie van de minister op de mening van dr. Smeets dat de samenwerkingsverbanden een zeer geringe invloed hebben op verwijzingen, de leerprestaties en het schoolwelbevinden van leerlingen. Mede gelet op de tegenvallende resultaten van de samenwerkingsverbanden, is het de vraag of dit kostbare onderwijsgeld doelmatig wordt besteed. Wellicht is het beter om de gelden die nu beschikbaar worden gesteld voor het optuigen van de samenwerkingsverbanden, direct aan de scholen te geven, zodat zij daarmee de juiste zorg kunnen inkopen of de professionalisering van het onderwijzend personeel kunnen bevorderen.
Hangt de uitval van leerlingen bij de overgang naar het voortgezet onderwijs samen met het niveau en het karakter van het voortgezet onderwijs of zijn er ook andere oorzaken? Kan de minister in dit verband een toelichting geven op het voorbeeldproject van WSNS+?
Mevrouw Van Miltenburg (VVD) benadrukt dat het WSNS-project bedoeld is voor kinderen, maar dat de voortgangsrapportage niet duidelijk maakt hoe het met de betrokken kinderen gaat. De wachtlijsten zijn fors afgenomen, maar blijven een punt van zorg en moeten eigenlijk helemaal verdwijnen.
Er moet veel meer samenhang komen in het beleid, met name op het punt van onderwijsachterstanden. Het moet duidelijker worden welke soort zorg nodig: zorg die vanuit het GOA kan worden geboden of zorg die vanuit WSNS kan worden geboden.
Gelet op het feit dat het WSNS-project al elf jaar bestaat, is het verbijsterend dat er al verheugd wordt gereageerd als op de PABO's op vrijwillige basis meer modules worden aangeboden die betrekking hebben op de zorg voor kinderen. De indruk bestaat dat de PABO's de toekomstige leraren niet goed voorbereiden op het omgaan met zorgleerlingen.
De leerkrachten willen graag meer tijd aan zorg besteden, maar kunnen dat niet, bijvoorbeeld omdat de klassenorganisatie daarvoor tekortschiet of omdat zij niet in staat zijn om goed om te gaan met het leerlingvolgsysteem. Deze zaken zijn echter voor alle leerlingen in het basisonderwijs belangrijk. Los van het tekort aan onderwijzend personeel voor speciale scholen is dus ook de kwaliteit van de leerkrachten een punt van zorg.
Het is verheugend dat de zorg voor dyslectische kinderen goed functioneert, maar de aandacht die in hier in de voortgangsrapportage aan wordt besteed, suggereert dat dit wordt gezien als de enige reden waarom zoveel kinderen te maken krijgen met WSNS. Er zijn veel meer problemen en veel problemen van de leerkrachten worden juist veroorzaakt door kinderen met een meervoudig probleem.
Uit het onderwijsveld komen steeds meer klachten over PCL's. In de volgende voortgangsrapportage zou daarom meer aandacht aan het functioneren van de PCL's besteed moeten worden. Vertonen de beschikkingen in de verschillende delen van het land bijvoorbeeld geen onacceptabele verschillen?
De heer Jan de Vries (CDA) constateert dat uit de rapportage moeilijk beleidsvoornemens te distilleren zijn. Het is verheugend dat het aantal leerlingen in het speciaal basisonderwijs vrij constant blijft, maar er is een zorgwekkende groei in het speciaal onderwijs. Bovendien lijkt de populatie in het speciaal onderwijs steeds «zwaarder» te worden. Gaat het inderdaad vooral om een groei in de clusters 3 en 4 en zo ja, welke conclusie trekt de minister daar dan uit? Hoe is die groei te verklaren? Zoals de minister heeft toegezegd, zal in de eindevaluatie de relatie tussen WSNS en het Regionaal Expertisecentrum (REC) aan de orde komen, met name ten aanzien van de eerste twee leerjaren in het voortgezet onderwijs.
De wachtlijsten nemen af, maar er is pas reden voor tevredenheid als iedere leerling snel op de juiste plaats kan worden geplaatst. Bestaan de wachtlijsten vooral uit specifieke groepen? Leidt de constatering dat grotere samenwerkingsverbanden langere wachtlijsten hebben, tot actie? Met name in de Randstad zijn er langere wachtlijsten. Is er een verband met de geografische ligging of met de bevolkingssamenstelling in de Randstad? Hoe wordt er omgegaan met regionale verschillen in het WSNS-proces? Zijn de bureaucratische processen geen belangrijke oorzaak voor de wachtlijsten?
Het is verbazingwekkend dat de onderwijsinspectie op het punt van de thuiszitters niet het totale beeld boven water krijgt, terwijl het Nederlands Instituut voor zorg en welzijn (NIZW) in ieder geval een completer beeld met zeer zorgelijke cijfers schetst. Moet er niet gekozen worden voor een andere, sluitende aanpak?
Gelet op het feit dat achterstandsscholen vaak doorverwijzen, wordt gestreefd naar een betere afstemming tussen WSNS en het achterstandenbeleid, maar is het niet onontkoombaar dat de complexiteit van de problematiek op achterstandsscholen en de cumulatie van problemen van hun leerlingen leidt tot een groter aantal doorverwijzingen?
Zowel voor doorlopende leerlijnen als voor de indicatiestelling is een betere aansluiting tussen WSNS en het voortgezet onderwijs van groot belang. Het onderzoek van dr. Smeets wekt in dit verband overigens ten onrechte de indruk dat het lwoo en het praktijkonderwijs geen volwaardige schoolloopbaan bieden. Deelt de minister deze visie?
Met betrekking tot het speciaal basisonderwijs constateert de onderwijsinspectie gebreken in de leerlingenzorg en een groot gebrek aan personeel. Een actievere stimulering van het opleiden in de school en het via een betere toerusting van het personeel tegengaan van de uitstroom van personeel zijn voor het speciaal basisonderwijs van groot belang.
Het belang van het WSNS-project moet ook weerspiegeld worden in de lerarenopleidingen. Iemand die de PABO heeft voltooid, moet dus voldoende toegerust zijn om te werken met zorgleerlingen.
Tot de eindevaluatie van WSNS is het te vroeg voor een eindoordeel, maar de eindevaluatie moet wel kritisch worden beoordeeld, uitgaande van het belang van het kind.
Mevrouw Vergeer-Mudde (SP) is voorstander van het WSNS-traject, mits daar voldoende mensen, middelen en gebouwen voor beschikbaar zijn. Dat laatste is niet het geval. Uit het Onderwijsverslag blijkt dat maar liefst driekwart van het speciaal basisonderwijs onvoldoende zicht heeft op de leerprestaties; uit de tussentijdse rapportage van de zomer van 2002 blijkt dat door onvoldoende (ervaren) personeel en het ontbreken van handelingsplannen en geschikte leermiddelen de kerndoelen niet worden gehaald. Op het punt van de leermiddelen heeft inmiddels enige verbetering plaatsgevonden, maar gelet op de ernst van de problematiek van de leerlingen, is de situatie nog steeds desastreus. Wat vindt de minister van het pleidooi van de Landelijke vereniging voor speciale onderwijszorg voor klassenverkleining, klassenassistenten in de jongere groepen, vergroting van de formatie van de kleutergroepen tot het niveau van de vroegere iobk-scholen en gelijkstelling van het schoolbudget voor het speciaal basisonderwijs aan dat van het speciaal onderwijs? Dit vergt grote investeringen, maar dit soort investeringen voor 50 000 kwetsbare kinderen verdient zichzelf terug.
Het ontbreekt de scholen niet aan de wil, maar juist aan facilitering om zorgleerlingen op te kunnen vangen. Het WSNS-project heeft immers ook geleid tot een onverantwoorde verzwaring van de taken van het reguliere basisonderwijs. De klassen zijn te groot, er is onvoldoende geschikt materiaal en er is gebrek aan tijd en deskundigheid. Wil de minister daarom ter ontlasting van het overbelaste reguliere basisonderwijs meer geld in het formatiebudget beschikbaar stellen voor werkdrukverlaging en bijscholingsuren?
De opmerking dat de schoolloopbaan van zorgleerlingen die na het reguliere basisonderwijs naar het lwoo of het praktijkonderwijs gaan, daardoor alsnog in de knel dreigt te komen, suggereert volkomen onterecht dat het lwoo en het praktijkonderwijs niet volwaardig zijn.
Omdat er al tientallen jaren wordt gelet op dyslectische leerlingen, is het vreemd dat er nu gepraat wordt over het signaleren van problemen en de implementatie van methodes.
In september 2000 stelde het ministerie van OCW in een persbericht dat geïndiceerde leerlingen vanaf 1 augustus 2002 binnen drie maanden een plaats zouden moeten hebben op een speciale school. Per 1 oktober 2002 staat 22% van die kinderen echter nog steeds langer dan drie maanden op een wachtlijst. Belangrijke oorzaken daarvan zijn het bereiken van de maximale groepsgrootte en huisvestingsproblemen. Erkent de minister dat de doelstelling niet gehaald is? De Tweede Kamer heeft een wet aangenomen die plaatsing binnen drie maanden verplicht, maar krijgen de scholen daarvoor de ruimte, het personeel en de middelen? Zijn er sancties en zo ja, gelden die dan voor het ministerie of voor de school?
De minister benadrukt dat het WSNS-project al ruim tien jaar loopt en dat het lerarentekort voor alle vormen van onderwijs de grootste zorg is. Zoals toegezegd zal de Kamer worden geïnformeerd over de resultaten van het plan van aanpak inzake het lerarentekort. De thuiszitters zullen aan de hand van het onderzoek van het NIZW en het in mei verschijnende inspectierapport over wachtlijsten en thuiszitters in het speciaal onderwijs in aparte overleggen aan de orde komen. Wel vraagt de minister mevrouw Eijsink nadere gegevens over de door haar genoemde voorbeelden van kinderen die lange tijd op plaatsing wachten.
Mede dankzij de groepsverkleining, waardoor basisscholen meer armslag kregen, is de zorg voor zorgleerlingen verbeterd. Binnen het WSNS-project moeten knelpunten bij scholen, samenwerkingsverbanden en overheid op maat opgelost worden, waarbij dus ook rekening wordt gehouden met verschillen tussen samenwerkingsverbanden. De oorzaken van de wachtlijsten zijn onderzocht door een team van experts. Vanaf 2000 tot september 2004 is er een specifieke impuls voor het aanpakken van de wachtlijsten, die vanaf 2001 wordt gesteund met extra maatregelen, bijvoorbeeld extra scholingsactiviteiten en nieuwe instrumenten voor signalering en begeleiding. Met uitzondering van het samenwerkingsverband in Almere, waarover nog overleg wordt gevoerd, hebben de samenwerkingsverbanden met grote knelpunten bovendien extra geld gekregen om de zorgstructuur te versterken. Om daarvoor in aanmerking te komen, hebben zij, met hulp van het team van experts, een geloofwaardig verbeterplan moeten indienen. Deze verbeterplannen worden vanaf september 2002 uitgevoerd, lopen tot augustus 2004 en zijn erop gericht dat er in 2004 geen wachtlijsten meer zijn, afgezien van frictiewachttijd. Garanties kunnen echter niet worden gegeven en er moet goed op worden gelet dat er geen nieuwe wachtlijsten ontstaan.
Als deze impuls verdwijnt, moeten de bereikte verbeteringen beklijven. Het geld gaat dan als structurele bijdrage in het zorgbudget van alle samenwerkingsverbanden. De samenwerkingsverbanden die nu extra geld krijgen, moeten deze impuls dus benutten voor structurele verbeteringen. Daarop wordt door de inspectie toegezien; dit is een van de aandachtspunten voor de evaluatie in 2004. Die evaluatie kan overigens niet worden vervroegd, want dan wordt er geen goed beeld verkregen van de samenhang met andere trajecten, bijvoorbeeld met de LGF, die in augustus 2003 van start gaat.
Deze extra impuls betekent niet dat de andere samenwerkingsverbanden uit het oog worden verloren. De onderwijsorganisaties hebben het WSNS+-project opgezet om alle samenwerkingsverbanden een kwaliteitsimpuls te geven. In dat kader is in het lopende schooljaar veel geïnvesteerd in verbetering van de leerlingenzorg, omgaan met verschillen en de kwaliteit van het speciaal basisonderwijs; er is ook grote behoefte aan deze ondersteuning. De concrete resultaten van deze aanpak zullen begin 2004 zichtbaar worden. Het WSNS+-project wordt verlengd tot 2006. Naast de in het Onderwijsverslag vermelde knelpunten zullen de activiteitenprogramma's in ieder geval de volgende speerpunten bevatten: modellen voor samenwerkingsmogelijkheden tussen WSNS+ en het GOA, initiatieven voor verdere professionalisering van leraren en interne begeleiders en voorstellen en projecten om knelpunten op te lossen in het zorgtraject van een individuele leerling binnen het samenwerkingsverband. Als sluitstuk in de aanpak van de wachtlijsten zijn in de Wet op het primair onderwijs drie plaatsingsdata opgenomen. De effecten van deze wet, die op 1 augustus 2003 in werking treedt, zullen in het najaar van 2004 zichtbaar worden.
Veel scholen zijn in staat en bereid om zorgleerlingen op te vangen; soms kunnen scholen zorgleerlingen niet opvangen en soms willen zij dat niet. Niemand moet via sancties worden afgerekend op iets waarvoor de verantwoordelijkheid elders ligt.
Ongeveer 8% van de aanvragen bij de PCL's wordt afgewezen. De lopende evaluatie van het functioneren van de PCL's binnen de zorg voor de leerlingen zal aandacht besteden aan de verschillen tussen de door PCL's gehanteerde criteria; die criteria moeten overigens wel passen bij het zorgbeleid van het desbetreffende samenwerkingsverband en kunnen daardoor dus uiteenlopen. De Kamer zal het verslag van deze evaluatie tegelijk met de volgende voortgangsrapportage ontvangen.
Scholen met meer achterstandsleerlingen verwijzen inderdaad vaker naar het speciaal basisonderwijs. De PCL's zien erop toe dat deze verwijzingen niet ten onrechte plaatsvinden. Er is sinds 1998 bovendien een financiële prikkel: bij verwijzing raken achterstandsscholen de extra middelen in het kader van het onderwijsachterstandenbeleid deels kwijt; daarnaast moeten zij de zorgfre's betalen aan het speciaal basisonderwijs. De minister heeft het Transferpunt onderwijsachterstanden en WSNS+ opdracht gegeven om deze problematiek met de betrokken scholen te verkennen, zodat de afstemming tussen WSNS en het GOA kan worden verbeterd. De scholen zitten op dit moment zeker niet te wachten op structuurverandering; zij willen dit traject aflopen, maar zowel de scholen als de gemeenten willen wel verbeteringen aanbrengen. Desgevraagd zegt de minister toe dat de Kamer zal worden geïnformeerd over de resultaten van de genoemde financiële prikkel.
Voor hoogbegaafde kinderen is er een afzonderlijk traject: voor hen wordt samen met de Stichting Plato een oplossing gezocht. Hieraan is bij de begrotingsbehandeling uitvoerig aandacht besteed. Voor de begeleiding van hoogbegaafde leerlingen en autistische leerlingen worden handreikingen ontwikkeld.
Elke voortgangsrapportage heeft haar eigen speerpunten. Het WSNS-project zelf besteedt echter niet alleen aandacht aan dyslexie, maar aan alle specifieke zorgbehoeften. De minister zegt toe dat de volgende voortgangsrapportage zal ingaan op de ontwikkelingen op het punt van de verschillende aandachtsgebieden.
De forse groei van het speciaal onderwijs wordt dit jaar vooral veroorzaakt door de overdracht van 1135 leerlingen van de rijks justitiële jeugdinrichtingen naar het vso-zmok. Daarnaast is er een verontrustende toename van het aantal leerlingen met een verstandelijke handicap of ernstige gedragsproblemen. De groei vindt dus vooral plaats binnen de clusters 3 en 4 van het REC. Hieruit blijkt het grote belang van objectieve criteria voor toelating tot het speciaal onderwijs. Als de toelatingsnormen in de praktijk geleidelijk versoepelen, moet de nieuwe wet inzake de LGF daaraan een eind maken, want het was juist de bedoeling dat in deze clusters sprake zou zijn van een behapbare en beheersbare groep. Er wordt veel voorlichting gegeven over de aansluiting tussen de LGF en WSNS. Naar verwachting zal er op het grensvlak tussen WSNS en de LGF wel wederzijds grensverkeer plaatsvinden tussen het speciaal basisonderwijs en het speciaal onderwijs. Dit zal worden gemonitord; zodra zich op dit punt vreemde dingen voordoen, zal de Kamer hiervan op de hoogte worden gebracht. Een dezer dagen zal de Kamer overigens een voortgangsrapportage over de LGF ontvangen.
Bij de allochtone leerlingen die uitstromen uit het speciaal basisonderwijs met de bestemming «geen onderwijs», gaat het om 89 leerlingen die teruggaan naar hun land van herkomst. Dit zijn vooral kinderen van asielzoekers. Aanvullend beleid is op dit punt dus niet aan de orde.
De overgang van het primair onderwijs naar het voortgezet onderwijs is inderdaad moeilijk. De aansluiting tussen WSNS en het voortgezet onderwijs moet dan ook worden verbeterd. De voortgangsrapportage kondigt op dit punt een aantal acties aan. Het toenemende gebruik van een leerlingvolgsysteem door het voortgezet onderwijs is een oplossing voor een deel van de overgangsproblematiek. Ook zijn er verschillende initiatieven om de contacten tussen basisscholen en scholen voor voortgezet onderwijs te verbeteren en loopt er een voorbeeldproject van WSNS+, waarbij met name de afstemming tussen het primair onderwijs en het vmbo centraal staat. Daarop voortbordurend brengt de Taakgroep vernieuwing basisvorming de mogelijkheden in kaart om de verschillende leerlingvolgsystemen beter op elkaar af te stemmen. Zo moet worden voorkomen dat bij de overgang naar het voortgezet onderwijs een gat valt in de zorg voor de individuele leerlingen.
De opmerking dat de schoolloopbaan in de knel dreigt te komen als zorgleerlingen in het voortgezet onderwijs naar het lwoo of de praktijkschool gaan, is een constatering uit het onderzoek van dr. Smeets en is dus niet van de minister. Dit is zeker niet bedoeld als een diskwalificatie van het lwoo en de praktijkschool. Voor leerlingen die het niet redden in het basisonderwijs en naar het speciaal basisonderwijs gaan, is de doorgaande weg naar het lwoo en de praktijkschool een volwaardige weg. Juist leerlingen die deze weg niet bewandelen, maar eigenlijk naar het voortgezet speciaal onderwijs zouden moeten gaan, komen in de knel.
Veel samenwerkingsverbanden hebben vooral een beheersfunctie: zij maken de afspraken over de verdeling van de zorgmiddelen. Bovendien dwingt een samenwerkingsverband de scholen tot onderling overleg over de zorgstructuur. Op die manier leert men van elkaar, wat leidt tot een effectievere zorgstructuur op schoolniveau. Het klopt dat de invloed van de samenwerkingsverbanden op de leerresultaten van leerlingen beperkt is, want de leerresultaten worden beïnvloed op school, in de klas. WSNS+ wil via een vraaggestuurde benadering juist gerichte ondersteuning bieden aan de leraren. Voor een bredere beoordeling van de samenwerkingsverbanden moet de brede evaluatie van eind 2004 worden afgewacht.
Wat het opleiden binnen de school betreft: in samenwerking met het onderwijsveld en de PABO is in januari 2003 een pilot gestart om een duaal opleidingstraject uit te werken voor onderwijsassistenten, werkzaam in cluster 3- en 4-scholen; de uitvoering vindt plaats in het schooljaar 2003–2004. De achtergrond van die pilot was dat met name binnen REC-instellingen onderwijsondersteuners werken die geschikt en gemotiveerd zijn om door te stromen naar een leraarsfunctie. De opleiding tot leraar in het basisonderwijs sluit niet goed aan bij het type onderwijs waarin die onderwijsassistenten werkzaam zijn. De overdracht van de ervaringen en de beschikbaarstelling van het opleidingstraject vindt later plaats via de Opleidingen speciale onderwijszorg (OSO's), de PABO's en de REC's.
In het curriculum van de PABO's wordt wel degelijk aandacht besteed aan het omgaan met en het begeleiden van zorgleerlingen, maar nog niet voldoende. Daarnaast zijn er de keuzemodules voor heel specifieke zorgbehoeftes, zoals dyslexie, ADHD en hoogbegaafdheid. Op basis van de huidige visitaties zal in het bestuurlijk overleg met de PABO vooral aandacht worden besteed aan de zorgbekwaamheden. Ten aanzien van het voortgezet onderwijs verkeert dit traject nog in een heel ander stadium, maar ook op dat punt moet aandacht worden besteed aan de begeleiding van zorgleerlingen.
Voor de bijscholing van het bestaande personeel zijn in het schoolbudget middelen beschikbaar. Daarnaast zijn er de projectmiddelen in het kader van WSNS+ en het opleiden in de school. Voor het speciaal basisonderwijs is in totaal 2 mln euro beschikbaar voor opleiding en bijscholing. In de cao is voor het gehele primair onderwijs, inclusief het speciaal basisonderwijs, 25 mln euro extra uitgetrokken voor de assistenten.
Mevrouw Eijsink (PvdA) is nog niet gerustgesteld over de aanpak van de wachtlijsten. In korte tijd heeft zij al ongeveer 50 voorbeelden verzameld van kinderen die lang op de wachtlijsten staan en daardoor lang thuiszitten. Zij zal de minister de desbetreffende gegevens overhandigen.
Het is jammer dat er nog niet veel in de plaats is gekomen van de vroegere uitstekende opleidingen voor leraren die specifiek gericht zijn op zorgleerlingen.
De structuurbenadering moet niet doen vergeten dat het belang van het kind centraal behoort te staan.
Mevrouw Kraneveldt (LPF) heeft sympathie voor projecten die leerlingen die het al moeilijk hebben, onderwijs op maat willen bieden, maar benadrukt dat aan de hand van de komende voortgangsrapportages en onderzoeken kritisch moet worden bekeken of dergelijke projecten in de praktijk echt werken en of alle knelpunten in de komende jaren zullen worden opgelost.
Mevrouw Van Miltenburg (VVD) benadrukt dat WSNS geïntegreerd moet worden in andere beleidsterreinen en dat de doelstelling van WSNS duidelijk moet zijn.
De heer Jan de Vries (CDA) waardeert de betrokkenheid van de minister bij het belang van de zorgleerlingen. Voor de beoordeling van WSNS is 2004 een cruciaal jaar; het project moet dus eerst netjes worden afgerond.
Mevrouw Vergeer-Mudde (SP) herinnert eraan dat met WSNS niet alleen gestreefd wordt naar integratie, maar ook naar kostenbeheersing. Afgesproken is dat maximaal 2% van de kinderen naar het speciaal basisonderwijs gaat. Dat is echter een willekeurig percentage; vandaar dat de kosten en het budget punten van zorg zijn. Als de verplichting om kinderen binnen drie maanden te plaatsen, inderdaad van kracht wordt, zal de minister dan monitoren of dat leidt tot een vlucht naar het speciaal onderwijs of tot een te groot aantal zorgkinderen in het reguliere onderwijs?
De minister zegt toe dat de gevolgen van de Wet op het primair onderwijs zullen worden gemonitord en dat de Kamer zal worden geïnformeerd over eventuele verschuivingen. Het doel is inderdaad dat maximaal 2% van de kinderen naar het speciaal basisonderwijs gaat, maar op samenwerkingsverbanden waar een hoger percentage noodzakelijk is, kan dat percentage ook hoger zijn.
De politieke beleidsconclusies moeten inderdaad pas na de evaluatie van eind 2004 worden getrokken. Dan kan dus worden bepaald of een alternatieve aanpak noodzakelijk is en of de relatie tussen WSNS en de andere zorgaanpakken moet worden aangepast.
De drie OSO's hebben gespecialiseerde programma's voor scholing en bijscholing voor allerlei zorgbehoeftes. Het in maart verschenen visitatierapport van de OSO's was positief.
Tot slot onderschrijft de minister dat het in dit debat vooral gaat om de desbetreffende kinderen. De structuren moeten ervoor zorgen dat zij de noodzakelijke extra zorg krijgen.
Samenstelling:
Leden: Van Nieuwenhoven (PvdA), Van de Camp (CDA), Kalsbeek (PvdA), Cornielje (VVD), voorzitter, Atsma (CDA), Hamer (PvdA), Karimi (GroenLinks), Van Bommel (SP), Vendrik (GroenLinks), Mosterd (CDA), Slob (ChristenUnie), Vergeer-Mudde (SP), Van Bochove (CDA), Tichelaar (PvdA), Joldersma (CDA), Hessels (CDA), Jan de Vries (CDA), Aptroot (VVD), Eijsink (PvdA), Leerdam (PvdA), ondervoorzitter, Nijs (VVD), Van der Laan (D66), Rutte (VVD), Van Miltenburg (VVD), Kraneveldt (LPF), Hermans (LPF) en Van Dam (PvdA).
Plv. leden: Kruijsen (PvdA), Ferrier (CDA), Verbeet (PvdA), Rijpstra (VVD), Van der Knaap (CDA), Boelhouwer (PvdA), Halsema (GroenLinks), Lazrak (SP), Tonkens (GroenLinks), Van Oerle-van der Horst (CDA), Van der Vlies (SGP), Kant (SP), Wijn (CDA), Dijksma (PvdA), Van Haersma Buma (CDA), Van der Hoeven (CDA), Sterk (CDA), De Vries (VVD), Arib (PvdA), Stuurman (PvdA), De Grave (VVD), Van der Ham (D66), Örgü (VVD), Van Beek (VVD), Varela (LPF), Nawijn (LPF) en Adelmund (PvdA).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-21860-71.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.