21 563
Overbelevering van gas aan Brigitta uit de Common Area van het Groningerveld

nr. 12
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 januari 2005

In vervolg op de brief van 16 juli 2001 (Kamerstukken II, 2000–2001, 21 563, nr. 11) over de Common Area, waarin bericht werd over het arbitragegeschil dat in dezen van start was gegaan tussen de Staat, NAM, Shell en ExxonMobil, deel ik het volgende mee.

De arbitrage betrof het aandeel voor de Staat in het indertijd door NAM van Brigitta ontvangen bedrag van DM 4,6 mld. (EUR 2,35 mld.) voor het door Brigitta eerder teveel ontvangen gas. NAM heeft hierover weliswaar inmiddels de gebruikelijke totale basisafdracht van rond 68% afgedragen aan de Staat (EUR 1,6 mld.), maar achtte zich niet gehouden daarover ook een afdracht op grond van de MOR (Overeenkomst meeropbrengstverdeling Gronings aardgas (85/15–95/5)) te verrichten.

Arbiters hebben deze week de uitspraak gedaan dat de MOR weliswaar niet rechtstreeks van toepassing is, maar dat de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid meebrengt dat de resterende opbrengst, die NAM tot op heden voor zich zelf heeft behouden, alsnog gelijkelijk tussen partijen verdeeld moet worden.

NAM is op 17 januari 2005 in het kader van dit arbitragegeschil veroordeeld tot betaling aan de Staat van EUR 376 998 885,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2000 tot aan de dag van betaling.

De Staat is op grond van de uitspraak van mening dat het toegewezen bedrag van ca EUR 377 mln. hem onverkort en zonder verrekening toekomt. NAM stelt zich op grond van de uitspraak evenwel op het standpunt dat het bedrag dient te worden verrekend onder de zogeheten basisafdrachten-regeling, zodat van het toegewezen bedrag van c.a. EUR 377 mln. netto ongeveer EUR 120 miljoen aan de Staat zou toekomen.

Momenteel wordt over deze kwestie tussen de partijen nader overleg gevoerd. De budgettaire gevolgen staan dus nog niet vast. Zodra daartoe aanleiding is zal ik u opnieuw informeren.

Het onderhavige geschil is nader beschreven in de brief van de Minister van Economische Zaken van 9 juli 1999 (Kamerstukken II, 1998–1999, 21 563, nr. 8) en in daaraan voorafgaande brieven. De kern daarvan is als volgt. Een gedeelte van het Gronings aardgasveld bevindt zich in het Eems-Dollard gebied. Het verloop van de staatsgrens tussen Nederland en Duitsland is in dit gebied omstreden. In het Eems-Dollard verdrag (1960) zijn beide Staten overeengekomen de aardgasvoorraden in het betwiste gebied gelijk te verdelen. De concessie aan Nederlandse zijde is aan NAM verleend, aan Duitse zijde aan Brigitta. Waar de concessies elkaar overlappen, wordt gesproken van «Common Area». NAM heeft het aardgas ten behoeve van Brigitta gewonnen. In mei 1991 bleek Brigitta daarbij ruim 20 mld. m3 aardgas meer ontvangen te hebben dan haar toekwam. Het geschil dat hierover ontstond hebben NAM en Brigitta onderworpen aan ICC-arbitrage. Hierin is Brigitta uiteindelijk in 1999 veroordeeld tot betaling van DM 4,6 mld. (EUR 2,35 mld.) aan NAM.

NAM heeft vervolgens van dit door haar ontvangen bedrag de gebruikelijke totale basisafdracht van rond 68% afgedragen aan de Staat (EUR 1,6 mld.). Omdat NAM zich niet gehouden achtte daarover ook een afdracht op grond van de MOR te verrichten, is arbitrage gestart en hebben partijen een Aanvullende Arbitrage Overeenkomst gesloten. Daarin is deze week voornoemde uitspraak gedaan.

De Minister van Economische Zaken,

L. J. Brinkhorst

Naar boven