Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 21 februari 2013
Met uw brief van 23 januari 2012 bracht u het verzoek aan mij over om de Kamer schriftelijk
te laten weten wat ik vind van het rapport dat de zogeheten High Level Group on Media
Freedom and Pluralism1 onlangs heeft uitgebracht aan de Europese Commissie, i.c. aan commissaris mw. N.
Kroes. In deze brief zal ik mijn positie met betrekking tot dit rapport toelichten.
Allereerst is van belang om vast te stellen dat het hier gaat om een rapport van vier
deskundigen, onder leiding van mw. V. Vike-Freiberga, voormalig premier van Letland.2 Deze groep werd in oktober 2011 ingesteld door commissaris Kroes en had als opdracht,
aanbevelingen te doen ten behoeve van «the respect, the protection, the support and
the promotion of pluralism and freedom of the media in Europe».3 De vier auteurs benadrukken dat het gaat om aanbevelingen, die zijn gedaan op persoonlijke
titel. Met andere woorden: het rapport en de daarin vervatte aanbevelingen kunnen
niet gezien worden als opvattingen van de Europese Commissie, laat staan als voorgenomen
beleid. Ik vind het belangrijk om dat expliciet vast te stellen.
Op dit moment is nog niet duidelijk wat de Commissie gaat doen met dit rapport.
Commissaris Kroes heeft laten weten, dat het rapport nog wordt geanalyseerd en dat
zij zich beraadt op welke wijze zij verdere discussie met de mediasector en de Lidstaten
vorm wil geven. Mogelijk volgt er een consultatie. Uiteraard volgt het kabinet dit
dossier met de grote aandacht, die het onderwerp «vrijheid en pluriformiteit van de
media» verdient.
Gelet op de hierboven geschetste status van het rapport vind ik het niet opportuun
om daar uitgebreid inhoudelijk op te reageren. Ik volsta daarom met enkele opmerkingen
over het rapport en de mogelijke rol van de Europese Unie op het terrein van mediavrijheid
en pluriformiteit.
Lidstaten hebben een verantwoordelijkheid voor het beschermen en stimuleren van mediavrijheid
en pluriformiteit. Ik stel vast dat dit belangrijke principe bevestigd wordt in het
rapport.4 De vier auteurs stellen dat de Europese Unie op sommige terreinen een belangrijke
rol te vervullen heeft: die rol ligt bij grensoverschrijdende kwesties binnen de Interne
Markt, inclusief kwesties op het terrein van mededinging. Daarnaast menen zij dat
de Europese Unie binnen haar werkterrein een rol moet spelen bij het overeind houden
van fundamentele rechten van EU-burgers.
Ik ben dat laatste met de auteurs eens, maar dat laat onverlet dat het kabinet bij
alle Commissievoorstellen met media-aspecten nauwlettend de voorvraag zal blijven
stellen of zij in de eerste plaats wel passen binnen de verdeling van bevoegdheden
tussen de Unie en de Lidstaten. In ieder geval zal ik mij namens het kabinet blijven
inzetten voor het waarborgen van de vrijheid en onafhankelijkheid van de media c.q.
van de journalistieke nieuwsvoorziening. Die fundamentele waarden mogen nimmer in
het geding komen, of het nu gaat om voorstellen op nationaal niveau of op Europees
niveau.
Bovenal zal het kabinet er voor waken dat de Europese Unie zich geen rol toe-meet
die ook maar enige discussie kan opleveren over het niveau van bescherming van de
vrijheid van meningsuiting, zoals deze is vastgelegd in artikel 10 EVRM, artikel 11
EU-Grondrechtenhandvest en artikel 7 van onze Grondwet. Ter illustratie noem ik de
aanbeveling5 uit het rapport dat toezichthouders (de High Level Group spreekt over «media councils»)
boetes moeten kunnen opleggen aan media/journalisten of iemand zijn journalistieke
status moeten kunnen ontnemen. Ik kan mij in die aanbeveling niet vinden.
In Nederland kennen we twee routes voor beoordeling van de journalistiek. De eerste
is een vorm van zelfregulering door middel van de Raad voor de Journalistiek. De tweede
route voert een klagende partij naar de rechter. Die kan in voorkomende gevallen een
onafhankelijk oordeel vellen en een passende sanctie opleggen. Geen van beide routes
kent het ontnemen van de journalistieke status als een sanctiemogelijkheid: de journalistiek
is een vrij beroep en dat moet vooral zo blijven.
De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
S. Dekker