Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201221501-33 nr. 365

21 501-33 Raad voor Vervoer, Telecommunicatie en Energie

Nr. 365 BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 4 april 2012

Hierbij informeer ik u over de bijgevoegde vragenlijst van de Europese Commissie1. Deze vragenlijst wordt aan alle lidstaten en betrokken organisaties gezonden. De Commissie oriënteert zich op verdergaande liberalisering van het openbaar vervoer. De vragenlijst is daarbij een instrument om de huidige situatie in de lidstaten in kaart te brengen. De verwachting is dat de Commissie in de tweede helft van het jaar een voorstel voor een nieuwe liberaliseringsrichtlijn zal uitbrengen.

In mijn brief van 26 oktober 2011(Kamerstuk 21 501-33, nr. 343) heb ik met u afgesproken dat ik u op de hoogte houd over verdergaande liberalisering in het OV. Ik heb de vragenlijst 21 maart ontvangen en de deadline voor het invullen van de vragenlijst is zeer krap (formeel 6 april 2012, waarbij enkele dagen respijt is gegeven). Daarom schets ik u hierbij de redeneringen die ik zal hanteren bij het invullen van de vragenlijst. Ik zal deze invullen volgens de volgende uitgangspunten:

  • Weergave van feiten over de Nederlandse situatie in het openbaar vervoer.

  • Nederland is ver gevorderd met liberalisering en marktwerking in het openbaar vervoer. Het regionale openbaar vervoer is bijna overal aanbesteed en ook de drie grote steden bereiden zich op een aanbesteding voor. Decentrale spoorlijnen zijn eveneens aanbesteed.

  • Aanbesteding van concessies voor openbaar vervoer heeft geleid tot een hogere kwaliteit voor de reiziger en een stijgende efficiency.

  • De markt voor regionaal OV is open voor verschillende vervoerbedrijven. De NMa heeft geconstateerd dat er sprake is van een werkende biedersmarkt.

  • Aanpassing van nationale wetgeving aan de PSO-verordening (wijziging Wp2000) is bijna afgerond.

  • Het hoofdrailnet behoort tot de subsidiariteit van de regering van de nationale lidstaten.

  • Het vervoer op het hoofdrailnet wordt tot 2025 onderhands gegund aan NS. Hiervoor wordt een concessie opgesteld en zijn afspraken over HSA gemaakt.

  • Onderdeel van het voornemen is om vanuit het hoofdrailnet tenminste twee extra stoptreinlijnen te decentraliseren. Aanvullend kunnen nog drie andere stoptreinlijnen voor decentralisatie in aanmerking komen. Ik onderzoek deze opties momenteel. Dit voornemen wordt gerelateerd aan de randvoorwaarden van PHS, tariefharmonisatie en samenloop. Op basis van de ervaringen van decentralisatie van de eerste lijnen en een te ontwikkelen toetskader wil ik tijdens een midterm review bezien of er nog andere lijnen buiten de Randstad zijn die voor decentralisatie in aanmerking komen.

  • Zoals met u besproken in het Algemeen Overleg op 15 februari jongstleden voer ik momenteel met alle betrokken partijen een nadere analyse uit op het FMN-plan. Ik zal uw Kamer hierover in juni informeren.

  • NS is reeds in het buitenland actief via haar dochteronderneming Abellio.

Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

De minister van Infrastructuur en Milieu, M. H. Schultz van Haegen- Maas Geesteranus


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.