21 501-31 Raad voor de Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken

31 544 Europees voorstel voor richtlijn gelijke behandeling

CV1 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 1 september 2026

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken2 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de formele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 1 december 2025 en de voortgangsrapportage betreffende de onderhandelingen over het voorstel voor een Richtlijn inzake gelijke behandeling. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • • De uitgaande brief van 27 januari 2026.

  • • De antwoordbrief van 25 augustus 2026.

De griffier van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, Bergman

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BINNENLANDSE ZAKEN

Aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Den Haag, 27 januari 2026

De leden van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief3 van 17 november 2025 met de Geannoteerde Agenda van Formele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 1 december 2025, als ook van uw brief van 15 december 2025 met het Verslag van de Raad.4 Tevens hebben de leden kennisgenomen van de voortgangsrapportage betreffende de onderhandelingen over het voorstel voor een Richtlijn inzake gelijke behandeling dat op 11 november 2025 door het Deense voorzitterschap is gepubliceerd.5 De leden van de fracties van Volt, D66 en PvdD gezamenlijk hebben naar aanleiding hiervan enkele vragen.

De leden van de voorgenoemde fracties zijn teleurgesteld dat, ondanks de inspanningen van het Deense voorzitterschap, het niet gelukt is om binnen de Raad tot een unaniem akkoord te komen over het voorstel voor EU-Richtlijnvoorstel Gelijke behandeling.

In uw brief van 15 december 2025 stelt u dat Nederland « (...) vrijwel alle onderwerpen in de richtlijn al door middel van nationale wetgeving [heeft] geregeld.». Hoe beoordeelt u deze stelling in het licht van het feit dat in Nederland, ondanks deze wetgeving, nog steeds sprake is van structurele discriminatie, onder meer op de woningmarkt, in de toegang tot zorg en publieke dienstverlening (onder andere voor mensen met een handicap of chronische ziekte) en in het onderwijs? Erkent u dat deze aanhoudende praktijk erop wijst dat wetgeving alleen onvoldoende is en dat aanvullende institutionele waarborgen, handhaving en coördinatie noodzakelijk zijn om gelijke behandeling daadwerkelijk te realiseren?

In de Geannoteerde Agenda wordt benadrukt dat het Richtlijnvoorstel sinds 2008 stilligt vanwege het ontbreken van unanimiteit in de Raad en dat voortgang op EU-niveau onzeker blijft. Deelt u de opvatting dat juist bij een langdurige impasse op Europees niveau een verhoogde verantwoordelijkheid rust op lidstaten om nationaal robuuste en toekomstbestendige waarborgen tegen discriminatie te organiseren, ook met het oog op artikel 1 van de Nederlandse Grondwet?

Hoe verhoudt de oproep van het kabinet aan andere lidstaten tot spoedige aanname van het Richtlijnvoorstel gelijke behandeling zich tot de nationale situatie waarin de positie van de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme niet wettelijk is verankerd en het kabinet heeft verzuimd een meerjarenprogramma van de NCDR tijdig aan de Kamers voor te leggen, met als gevolg dat noodzakelijke maatregelen tegen discriminatie en racisme in Nederland zijn uitgebleven?

De leden van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief.

De voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, I.M. Lagas

BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 25 augustus 2026

Op 27 januari 2026 hebben de leden van Volt, D66 en PvdD vragen gesteld aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het voorstel voor een richtlijn betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid. Omdat de gestelde vragen vooral gaan over het algemene beleid om discriminatie tegen te gaan in Nederland, zal ik deze vragen beantwoorden vanwege mijn coördinerende rol daarbij. Tot mijn spijt heeft de beantwoording van deze vragen vanwege interne afstemming langer dan gebruikelijk geduurd.

De leden van Volt, D66 en PvdD constateren dat in Nederland nog steeds sprake is van structurele discriminatie, onder meer op de woningmarkt, in de toegang tot zorg en publieke dienstverlening (onder andere voor mensen met een handicap of chronische ziekte) en in het onderwijs. Zij vragen of ik erken dat deze aanhoudende praktijk erop wijst dat wetgeving alleen onvoldoende is en dat aanvullende institutionele waarborgen, handhaving en coördinatie noodzakelijk zijn om gelijke behandeling daadwerkelijk te realiseren.

Ik erken dat discriminatie niet alleen door middel van wetgeving kan worden bestreden. Dit blijkt uit diverse adviezen en de eerder opgestelde nationale programma’s tegen discriminatie en racisme waarin maatregelen met een divers karakter zijn opgenomen. De Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme (NCDR) heeft in samenwerking met het vorige kabinet de denkrichtingen voor het Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme opgesteld die op 12 december 2025 ook met uw Kamer zijn gedeeld. Op 8 juni 2026 heeft de Staatscommissie tegen discriminatie en racisme haar eindrapport Discriminatie doorbreken: naar een overheid die discriminatie en racisme bestrijdt en voorkomt gepubliceerd. In het rapport bundelt de Staatscommissie haar eerdere rapportages en komt zij met een actieagenda met oplossingsrichtingen en concrete acties. De komende periode ga ik aan de slag met het opstellen van een rijksbrede strategie voor de aanpak van discriminatie en een kabinetsreactie op het eindrapport van de Staatscommissie.

Een concreet voorbeeld van de wijze waarop discriminatie wordt aangepakt is de Discriminatietoets Publieke Dienstverlening (Discriminatietoets). De Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme heeft op 13 februari 2025 de voortgangsrapportage «Ervaringen en lessen om discriminatie in publieke dienstverlening te voorkomen en te bestrijden» uitgebracht waarin deze discriminatietoets is geïntroduceerd. De discriminatietoets zal zoals aanbevolen door de staatscommissie worden ingebed in bestaande structuren. Binnen het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is een projectteam opgericht dat procesbegeleiding aanbiedt aan organisaties, kennissessies organiseert en zorgt voor duurzame borging van de toets.

De leden vragen of ik de opvatting deel dat juist bij een langdurige impasse op Europees niveau een verhoogde verantwoordelijkheid rust op lidstaten om nationaal robuuste en toekomstbestendige waarborgen tegen discriminatie te organiseren, ook met het oog op artikel 1 van de Nederlandse Grondwet.

Het spreekt voor zich dat elke lidstaat ook een eigen verantwoordelijkheid heeft om met nationale wetgeving discriminatie tegen te gaan. Het discriminatieverbod van artikel 1 van de Grondwet is uitgewerkt in de gelijkebehandelingswetgeving, waaronder de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb), de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte en de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid. Het College voor de Rechten van de Mens ziet toe op de naleving van deze wetgeving. Bij de beantwoording van de vragen van de vaste commissie van Binnenlandse Zaken van uw Kamer over de EU Antiracismestrategie6 is ingegaan op de werking van de gelijkebehandelingswetgeving in de praktijk en op de voorbereidingen die worden getroffen om de Awgb van toepassing te verklaren op al het overheidshandelen.7 Dit laatste sluit aan bij de oproep die hiertoe eerder door de Parlementaire onderzoekscommissie van uw Kamer is gedaan.8

Slachtoffers van discriminatie kunnen het College verzoeken om een oordeel te geven over hun discriminatieklacht en kunnen voor juridische en emotionele een beroep doen op de gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen. Momenteel wordt gewerkt aan een versterking van het stelsel van antidiscriminatievoorzieningen. Daarvan is een wetgevingstraject een belangrijk onderdeel. Het concept wetsvoorstel Bijstand bij discriminatie heeft opengestaan voor (internet)consultatie van 23 maart tot 1 juni 2026. Op de internetconsultatie zijn ruim 50 reacties ontvangen. Ook zijn de gevraagde toetsen en adviezen van het Adviescollege toetsing regeldruk, de Autoriteit Persoonsgegevens, het College voor de Rechten van de Mens en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten ontvangen. De reacties worden momenteel verwerkt. De planning is dat het wetsvoorstel dit najaar aan de Afdeling Advisering van de Raad van State zal worden voorgelegd.

Tot slot vragen de leden hoe de oproep aan andere lidstaten tot spoedige aanname van het Richtlijnvoorstel gelijke behandeling zich verhoudt tot de nationale situatie waarin de positie van de NCDR niet wettelijk is verankerd en het kabinet heeft verzuimd een meerjarenprogramma van de NCDR tijdig aan de Kamers voor te leggen, met als gevolg dat noodzakelijke maatregelen tegen discriminatie en racisme in Nederland zijn uitgebleven.

In het coalitieakkoord is opgenomen dat de NCDR wettelijk wordt verankerd. Op dit moment wordt die verankering voorbereid. Geïnventariseerd wordt welke vorm het meest aangewezen is: een zelfstandige wet, opname in de Algemene wet gelijke behandeling en in overleg met het Ministerie van Justitie en Veiligheid wordt bekeken of de verankering al dan niet kan worden samengevoegd met de wettelijke verankering van de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding.9 Ook wordt geïnventariseerd hoe er recht kan worden gedaan aan het karakter van een regeringscommissaris die enerzijds onder ministeriële verantwoordelijkheid valt, maar anderzijds een zelfstandige taakuitoefening kent, hoe de taakomschrijving het best geformuleerd kan worden, ook in relatie tot andere adviseurs van het kabinet op het terrein van de aanpak van discriminatie, zoals het College voor de Rechten van de Mens, en welke vereisten er moeten worden opgenomen met betrekking tot benoemingswijze en benoemingsduur. Ik verwacht het wetsvoorstel voor het einde van het jaar in internetconsultatie te brengen.

Ik verwacht dat bovenstaande versterkingen zullen bijdragen aan een betere aanpak tegen discriminatie.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, P.E. Heerma


X Noot
1

De letters CV hebben alleen betrekking op 21 501–31.

X Noot
2

Samenstelling:

Beukering (Fractie-Beukering), Dessing (FVD), Dittrich (D66), Doornhof (CDA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Van Hattem (PVV), Janssen (SP), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA), Karaaslan (D66), Kroon (BBB), Lagas (BBB) (voorzitter), Van Langen-Visbeek (BBB), Lievense (BBB), Meijer (VVD) (ondervoorzitter), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Perin-Gopie (Volt), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
3

Kamerstukken I 2025/26, 21 501–31, CM.

X Noot
4

Kamerstukken I 2025/26, 21 501–31, CN.

X Noot
5

ST14921/25 – Voortgangsrapportage van de Raad inzake het voorstel voor een Richtlijn voor gelijke behandeling.

X Noot
6

Kamerstukken I 2025–26, 35 640, nr. D.

X Noot
7

Kamerstukken II 2025–26, 28 481, nr. 25.

X Noot
8

Rapport Gelijk recht doen, Een parlementair onderzoek naar de mogelijkheden van de wetgever om discriminatie tegen te gaan, juni 2022 p. 70.

X Noot
9

Deze opties zijn ook al genoemd in de voortgangsbrief discriminatie en racisme van juni 2026 (Kamerstukken II 2025–2026, 30 950, nr. 566).

Naar boven