21 501-31 Raad voor de Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken

CQ VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 19 maart 2026

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het verslag van de Formele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 1 december 2025. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • De uitgaande brief van 17 februari 2026.

  • De antwoordbrief van 18 maart 2026.

De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Van der Bijl

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Den Haag, 17 februari 2026

De leden van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief over het verslag van de Formele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 1 december 2025.2 De leden van de PVV-fractie hebben enkele vragen over het bij genoemde brief gevoegde CPB-onderzoek «Op weg naar Europa: verwachte migratie naar Nederland».3

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie PVV

Volgens de leden van de PVV-fractie onderstreept het CPB-rapport expliciet dat de ramingen gepaard gaan met forse onzekerheden (demografie, migratienetwerken, beleid, retourmigratie, kort verblijf enz.).4 Voornoemde leden hebben enkele vragen over deze onzekerheden.

  • 1. Op welke wijze houdt het CPB-model rekening met onzekerheden rond tijdelijke migratie (korter dan één jaar) en retourmigratie, en leidt dit niet tot een mogelijke onderschatting van structurele migratiestromen?

  • 2. In welke mate houdt de modelmatige verdeling van arbeidsmigranten rekening met verschillen tussen sectoren, zoals bouw, ICT en zorg?

  • 3. Hoe verhouden de ramingen van het CPB zich tot eerdere overschattingen of onderschattingen uit het verleden?5

In zowel het CPB-rapport als de bijbehorende beslisnota worden overgangsmaatregelen aangemerkt als een krachtig beleidsinstrument, waarmee het migratie-effect naar verwachting met ongeveer 50% kan worden gereduceerd, wanneer alleen Nederland een maatregel invoert.6, 7

  • 4. Is het kabinet voornemens om bij toekomstige EU-toetredingen gebruik te maken van overgangsmaatregelen onder het vrij verkeer van werknemers? Zo ja, welke juridische en uitvoeringstechnische voorbereidingen vergt dit?

  • 5. Wat zijn de ervaringen van uitvoeringsinstanties (zoals IND, UWV en gemeenten) met de uitvoering van eerdere overgangsmaatregelen, en op welke wijze worden deze lessen betrokken bij toekomstige EU-toetredingen?

De leden van de PVV-fractie geven aan dat het CPB in zijn onderzoek de migratie-effecten kwantificeert, maar de impact op uitvoering in Nederland enkel impliciet benoemt. Het CPB signaleert volgens deze leden druk op de woningmarkt, arbeidsmarkt en integratie, maar werkt deze effecten in dit onderzoek niet uit.8

  • 6. Hoe worden gemeenten en uitvoeringsinstanties betrokken bij scenario’s waarin migratiestromen richting Nederland toenemen? Is hiervoor een landelijke coördinatiestructuur ingericht?

  • 7. Heeft het kabinet zicht op de impact van de verwachte migratie op de woningmarkt, de inschrijving in het BRP en toegang tot taal-en inburgeringstrajecten? Wordt hier vooraf capaciteit op gereserveerd?

  • 8. Worden de benodigde ketenpartners (bijvoorbeeld VNG, COA, DUO, SVB) al geïnformeerd of betrokken bij voorbereidende plannen ten aanzien van mogelijke toetreding van genoemde kandidaats-lidstaten?

Daarnaast hebben de leden van de PVV-fractie nog enkele vragen met betrekking tot monitoring en tussentijdse bijsturing.

  • 9. Op welke wijze gaat u tussentijds monitoren of de migratiestromen conform verwachting verlopen?

  • 10. Over welk beleidsinstrumentarium beschikt u binnen het bestaande EU-kader om, indien nodig, bij te sturen op migratie-effecten?

De leden van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid zien uw beantwoording met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag binnen vier weken.

Voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, R. van Gurp

BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 18 maart 2026

Bijgaand ontvangt u de beantwoording van de vragen gesteld bij het verslag van de Formele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 1 december 2025, welke uw Kamer mij op 17 februari jl. heeft toegezonden.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.A. Vijlbrief

Vraag 1

Op welke wijze houdt het CPB-model rekening met onzekerheden rond tijdelijke migratie (korter dan één jaar) en retourmigratie, en leidt dit niet tot een mogelijke onderschatting van structurele migratiestromen?

Antwoord

Het Centraal Planbureau (CPB)-model dat gebruikt is om het aantal extra migranten door de toetreding van een kandidaat-lidstaat tot de Europese Unie te schatten, houdt geen rekening met tijdelijke migratie korter dan één jaar. De internationale migratiedata die gebruikt is, omvat namelijk alleen informatie over migranten die ten minste één jaar in een land zijn geregistreerd. Zoals door het CPB benadrukt, kennen de schattingen verschillende onzekerheden (zie ook antwoord op vraag 3) die de werkelijke migratie kunnen vergroten of beperken.

Het model houdt wel rekening met retourmigratie. Er wordt namelijk gekeken naar een cumulatief effect. De geschatte aantallen betreffen het totale aantal extra migranten over een periode van tien jaar na toetreding.

Vraag 2

In welke mate houdt de modelmatige verdeling van arbeidsmigranten rekening met verschillen tussen sectoren, zoals bouw, ICT en zorg?

Antwoord

De gevolgen van migratie hangen samen met migratiekenmerken zoals leeftijd, inkomen en de sector waarin arbeidsmigranten werken. In het onderzoek van het CPB is daarom gekeken naar de kenmerken van migranten uit huidige kandidaat-lidstaten. Die worden vergeleken met migratiekenmerken van migranten bij eerdere EU-uitbreidingsrondes.

Toetreding tot de Europese Unie kan effect hebben op de sectoren waarin arbeidsmigranten werkzaam zijn. Zo constateert het CPB dat na de eerdere EU-uitbreidingrondes van 2004, 2007 en 2013 migranten uit nieuwe lidstaten meer via uitzendbureaus zijn gaan werken. Ook is er een lichte stijging te zien in de bouw. Daarentegen is voor migranten uit de huidige kandidaat-lidstaten die in Nederland werken een dergelijke stijging van werken via uitzendbureaus en de bouw tussen 2003 en nu niet waarneembaar, maar dat zou mogelijk na toetreding wel het geval kunnen zijn.

Verder laat het onderzoek zien dat migranten uit de kandidaat-lidstaten die nu al werkzaam zijn in Nederland via detachering overwegend in de bouw, industrie en ICT werken.

Vraag 3

Hoe verhouden de ramingen van het CPB zich tot eerdere overschattingen of onderschattingen uit het verleden?9

Antwoord

In 2004 heeft het CPB de economische effecten van arbeidsmigratie uit Midden -en Oost-Europa geschat. De schattingen uit deze studie bleken uiteindelijk lager dan de daadwerkelijke migratie. Volgens het CPB is dat met name te verklaren doordat de CPB-studie op te lage schattingen van andere instituten was gebaseerd. Daarnaast speelden overgangsmaatregelen, die per lidstaat verschillend werden toegepast, een belangrijkere rol dan vooraf ingeschat. Door gefaseerde openstelling van de arbeidsmarkten ontstonden sterke netwerkeffecten, die geleid hebben tot meer migratie dan verwacht.

Het CPB baseert zich voor de analyse van het effect van migratie vanuit de huidige kandidaat-lidstaten op de eerdere EU-uitbreidingrondes, met name die van 2004, 2007 en 2013. Door te kijken naar de migratiestromen uit die periodes, kunnen lessen worden getrokken over de omvang, samenstelling en het motief van migratie. Daarbij wordt rekening gehouden met de verwachte bevolkingsgroei/- afname in de kandidaat-lidstaten in de komende tien jaar. Deze inzichten gebruiken de onderzoekers voor het inschatten van toekomstige migratieveranderingen.

Het is lastig om met zekerheid te voorspellen hoeveel migranten extra naar Nederland komen. Dit geeft het CPB ook in haar onderzoek aan. De schattingen zijn gebaseerd op verschillende aannames en gaan gepaard met meerdere vormen van onzekerheid. Zo zijn er zijn meerdere demografische, geografische en economische redenen waardoor de huidige situatie van toetreding anders is dan bij eerdere uitbreidingsrondes. Daardoor kunnen de geraamde effecten ook anders uitpakken.

Vraag 4

Is het kabinet voornemens om bij toekomstige EU-toetredingen gebruik te maken van overgangsmaatregelen onder het vrij verkeer van werknemers? Zo ja, welke juridische en uitvoeringstechnische voorbereidingen vergt dit?

Antwoord

In het verleden (2004, 2007, 2013) heeft het kabinet gebruik gemaakt van overgangsmaatregelen om het vrij verkeer van werknemers tijdelijk te beperken. Overgangsmaatregelen moeten worden vastgelegd in de individuele toetredingsverdragen met de toetredende landen in kwestie. Het kabinet zal overwegen om bij de toekomstige EU-toetredingen in te zetten op en gebruik te maken van overgangsmaatregelen, om arbeidsmobiliteit op basis van het vrij verkeer van werknemers en diensten tijdelijk te beperken. In dat kader zal uiteraard ook zorgvuldig gekeken worden naar de voorbereidingen die overgangsmaatregelen vergen. Het CPB-onderzoek laat zien dat overgangsmaatregelen kunnen helpen om de aantallen te sturen.

Vraag 5

Wat zijn de ervaringen van uitvoeringsinstanties (zoals IND, UWV en gemeenten) met de uitvoering van eerdere overgangsmaatregelen, en op welke wijze worden deze lessen betrokken bij toekomstige EU-toetredingen?

Antwoord

Ervaringen met eerdere EU-uitbreidingsrondes hebben laten zien dat het van belang is om goed voorbereid te zijn op de mogelijke effecten op arbeidsmobiliteit. Het CPB-onderzoek draagt daaraan bij, evenals de lessen en ervaringen van uitvoeringsorganisaties en toezichthouders zoals IND, UWV, NLA en gemeenten. Het kabinet betrekt relevante uitvoeringsorganisaties in een vroeg stadium bij de advisering rondom EU-uitbreiding en mogelijke overgangsmaatregelen. In het verleden is bijvoorbeeld gebleken dat overgangsmaatregelen kunnen zorgen voor extra druk op de uitvoering, omdat deze afwijken van de standaardregels en procedures. Daar zal dus goed naar gekeken moeten worden, samen met uitvoeringsorganisaties en toezichthouders.

Vraag 6

Hoe worden gemeenten en uitvoeringsinstanties betrokken bij scenario’s waarin migratiestromen richting Nederland toenemen? Is hiervoor een landelijke coördinatiestructuur ingericht?

Antwoord

Het kabinet zal nauw blijven samenwerken met gemeenten en uitvoeringsorganisaties om arbeidsmigratie in goede banen te leiden. Op dit moment ziet het kabinet geen noodzaak om bestaande landelijke coördinatiestructuren uit te breiden.

Vraag 7

Heeft het kabinet zicht op de impact van de verwachte migratie op de woningmarkt, de inschrijving in het BRP en toegang tot taal-en inburgeringstrajecten? Wordt hier vooraf capaciteit op gereserveerd?

Antwoord

De verwachting is dat de extra migratie naar Nederland als gevolg van toetreding van Montenegro, Albanië en Servië tot de EU relatief beperkt zal zijn. Dat neemt niet weg dat het in absolute zin nog steeds om aanzienlijke aantallen kan gaan en dat we goed voorbereid moeten zijn.

Gelet op de naar verwachting relatief lagere aantallen bij de toetreding van Montenegro, Albanië en Servië zal dit waarschijnlijk beperkt extra druk op de woningmarkt opleveren. Daarnaast kan er ook een positief effect zijn op de woningmarkt doordat werknemers uit de nieuwe lidstaten kunnen bijdragen aan het verminderen van de arbeidskrapte in de bouw.

De extra arbeidsmigratie zorgt naar verwachting tot meer aanvragen maar niet tot grote extra druk op inschrijving in het BRP of taal- en inburgeringstrajecten. Dit kan naar verwachting opgevangen worden binnen de bestaande capaciteit. Taal- en inburgeringstrajecten zijn niet verplicht aangezien EU-arbeidsmigranten zich op de Europese interne markt begeven. Wel vindt het kabinet het belangrijk dat arbeidsmigranten die langdurig hier willen blijven ook de Nederlandse taal leren. De rol van de werkgever is hierbij essentieel.

Vraag 8

Worden de benodigde ketenpartners (bijvoorbeeld VNG, COA, DUO, SVB) al geïnformeerd of betrokken bij voorbereidingen?

Antwoord

Ja, relevante uitvoerings- en toezichtorganisaties worden betrokken bij de voorbereidingen en advisering rondom EU-uitbreiding.

Vraag 9

Op welke wijze gaat u tussentijds monitoren of de migratiestromen conform verwachting verlopen?

Antwoord

In algemene zin houdt het kabinet migratiestromen bij, waarbij ook gekeken wordt naar het land van herkomst. Dit gebeurt in de CBS-migrantenmonitor10. De Migrantenmonitor is een onderzoek dat het CBS jaarlijks uitvoert in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Hierin wordt specifiek onderscheid gemaakt tussen arbeidsmigratie vanuit EU-lidstaten en EU-kandidaat-lidstaten. Ook de jaarlijkse Staat van Migratie11 bevat relevante informatie over cijfermatige en beleidsmatige ontwikkelingen op het terrein van migratie.

Vraag 10

Over welk beleidsinstrumentarium beschikt u binnen het bestaande EU-kader om, indien nodig, bij te sturen op migratie-effecten?

Antwoord

Arbeidsmigratie kan waardevol zijn voor onze economie, maar mag niet samengaan met uitbuiting en misstanden zoals die nu voorkomen in Nederland. Het kabinet voert de adviezen van de Commissie Roemer en het SER-advies «Arbeidsmigratie naar waarde» uit.

Ook in Europees verband zet het kabinet in op het bevorderen van eerlijke arbeidsmobiliteit. Het kabinet zet zich in voor verduidelijking van het juridisch kader voor de detachering van derdelanderwerknemers, om onrechtmatige detachering tegen te gaan. Een helder juridisch kader en effectieve handhaving gaan hand in hand. Daarom zet het kabinet ook in op versterking van de Europese Arbeidsautoriteit (ELA), die een belangrijke rol speelt in het bevorderen van (samenwerking bij) grensoverschrijdende handhaving.

Tot slot zal het kabinet overwegen om bij de toekomstige EU-toetredingen in te zetten op en gebruik te maken van overgangsmaatregelen, om arbeidsmobiliteit op basis van het vrij verkeer van werknemers en diensten tijdelijk te beperken.


X Noot
1

Samenstelling:

Van Apeldoorn (SP), Bakker-Klein (CDA), Van Ballekom (VVD), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Bezaan (PVV), Bovens (CDA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (BBB), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66), Van Gurp (GroenLinks-PvdA) (voorzitter), Huizinga-Heringa (ChristenUnie), Karaaslan-Kilic (D66), Koffeman (PvdD), Van der Linden (VVD), Moonen (D66) (ondervoorzitter), Van den Oetelaar (FVD), Perin-Gopie (Volt), Petersen (VVD), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp), Van Wijk (BBB)

X Noot
2

Kamerstukken I 2025/2026, 21 501-31, CN

X Noot
3

Bijlage bij Kamerstukken I 2025/2026, 21 501-31, CN: Centraal Planbureau (2025), «Op weg naar Europa: verwachte migratie naar Nederland», pag. 3–4, 10–12

X Noot
4

Idem 2.,

X Noot
5

Zie Centraal Planbureau (2004), «Economische effecten van arbeidsmigratie uit Midden- en Oost-Europa». In dit rapport werden de migratiestromen na de EU-uitbreiding geraamd; deze bleken achteraf aanzienlijk hoger dan voorzien.

X Noot
6

Idem 2, pag. 13–15

X Noot
7

Beslisnota bij Verslag Formele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid d.d. 1 december 2025, pag. 2, bijlage bij: Kamerstukken I 2025/2026, 21 501-31, CN

X Noot
8

Idem 2, pag. 5, 21–23)

X Noot
9

Zie Centraal Planbureau (2004), «Economische effecten van arbeidsmigratie uit Midden- en Oost-Europa». In dit rapport werden de migratiestromen na de EU-uitbreiding geraamd; deze bleken achteraf aanzienlijk hoger dan voorzien.


X Noot
1

Samenstelling:

Van Apeldoorn (SP), Bakker-Klein (CDA), Van Ballekom (VVD), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Bezaan (PVV), Bovens (CDA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (BBB), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66), Van Gurp (GroenLinks-PvdA) (voorzitter), Huizinga-Heringa (ChristenUnie), Karaaslan-Kilic (D66), Koffeman (PvdD), Van der Linden (VVD), Moonen (D66) (ondervoorzitter), Van den Oetelaar (FVD), Perin-Gopie (Volt), Petersen (VVD), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp), Van Wijk (BBB)

X Noot
2

Kamerstukken I 2025/2026, 21 501-31, CN

X Noot
3

Bijlage bij Kamerstukken I 2025/2026, 21 501-31, CN: Centraal Planbureau (2025), «Op weg naar Europa: verwachte migratie naar Nederland», pag. 3–4, 10–12

X Noot
4

Idem 2.,

X Noot
5

Zie Centraal Planbureau (2004), «Economische effecten van arbeidsmigratie uit Midden- en Oost-Europa». In dit rapport werden de migratiestromen na de EU-uitbreiding geraamd; deze bleken achteraf aanzienlijk hoger dan voorzien.

X Noot
6

Idem 2, pag. 13–15

X Noot
7

Beslisnota bij Verslag Formele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid d.d. 1 december 2025, pag. 2, bijlage bij: Kamerstukken I 2025/2026, 21 501-31, CN

X Noot
8

Idem 2, pag. 5, 21–23)

X Noot
9

Zie Centraal Planbureau (2004), «Economische effecten van arbeidsmigratie uit Midden- en Oost-Europa». In dit rapport werden de migratiestromen na de EU-uitbreiding geraamd; deze bleken achteraf aanzienlijk hoger dan voorzien.

Naar boven