Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201621501-31 nr. 403

21 501-31 Raad voor de Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken

Nr. 403 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 april 2016

Op 19 en 20 april vond in Amsterdam de Informele Raad plaats van Ministers van Sociale zaken en Werkgelegenheid. Hierbij ontvangt u het verslag daarvan.

Een groot deel van de bijeenkomst was gewijd aan arbeidsmobiliteit en detachering van werknemers. Verder is in drie parallelle workshops gesproken over de pijler van sociale rechten. Tot slot konden lidstaten kenbaar maken wat hun prioriteiten zijn voor het platform tegen zwartwerk.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher

Verslag Informele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid 19–20 april

Op 19 en 20 april vond de Informele Raad van Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid plaats in Amsterdam. Behalve lidstaten waren ook de Europese Commissie, het Europees parlement, sociale partners en andere Europese stakeholders aanwezig.

Het belangrijkste onderdeel van de informele ministeriële bijeenkomst was een debat over arbeidsmobiliteit en detachering. Het was de eerste mogelijkheid voor lidstaten om zich op politiek niveau uit te spreken over het op 8 maart jl. uitgebrachte voorstel van de Europese Commissie tot aanpassing van de Detacheringsrichtlijn.

Het merendeel van de lidstaten sprak zich in meer of mindere mate positief over het voorliggende voorstel uit. Vaak werd aangegeven dat de loonverschillen niet de basis moeten vormen voor concurrentie. Concurrentie moet juist op kwaliteit plaatsvinden. Sommige lidstaten steunden expliciet het principe van gelijk loon voor gelijk werk op dezelfde plek, terwijl anderen vooral het beperken van de duur van detacheringen als positief punt benadrukten.

Een aantal lidstaten stelde expliciet tegen aanpassing van de Detacheringsrichtlijn te zijn. De meest genoemde reden hiervoor was dat de voorgestelde aanpassingen de interne markt zouden ondermijnen. Daarbij werd gesteld dat loonverschillen in Europa er altijd zijn geweest en niet per definitie leiden tot oneerlijke concurrentie.

Zowel de tegenstanders van aanpassing van de Detacheringsrichtlijn als de voorstanders onderstreepten het belang van het aanpakken van misbruik en wezen daarbij op het belang van een snelle implementatie van de Handhavingsrichtlijn. Al met al verliep het debat in een constructieve sfeer en biedt het een goede basis om het dossier verder te brengen.

Op de agenda van de Informele Raad stonden verder de Europese Pijler van sociale rechten en het Platform tegen zwart werk. De pijler van sociale rechten werd in drie werkgroepsessies besproken. Veel lidstaten gaven in deze sessies aan dat er meer aandacht nodig is voor de sociale dimensie van de EU. Zij stelden het daarom op prijs dat de Europese Commissie een consultatie had uitgebracht over de Pijler van sociale rechten. Enkele lidstaten noemden het wel een gemis dat de Pijler alleen voor de Eurozone is bedoeld. De Europese Commissie gaf daarbij aan dat de Pijler wel voor alle lidstaten is bedoeld, maar dat hij op onderdelen voor de lidstaten van de eurozone verder kan gaan dan voor de overige lidstaten.

Als laatste onderdeel is het Platform tegen zwartwerk besproken. Het platform werd door vrijwel alle lidstaten verwelkomd. Veel lidstaten benadrukten het belang van het Platform voor een goede kennisontwikkeling over zwartwerk en gerelateerde fenomenen. Ook bleek er in ruime mate steun om het Platform ook in te zetten voor grensoverschrijdende inspecties.