Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201221501-31 nr. 282

21 501-31 Raad voor de Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken

Nr. 282 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 14 juni 2012

Op 21 juni a.s. vindt de Raad WSBVC, onderdeel Werkgelegenheid en Sociaal Beleid in Luxemburg plaats. Ter voorbereiding van de Raad vindt een AO plaats

op 20 juni a.s.

Bijgaand treft u de geannoteerde agenda aan.

Tijdens de Raad zal in het kader van de Europa2020 strategie een debat worden gevoerd over de landenspecifieke aanbevelingen en de bijdrage aan de Europese Raad op 28 juni.

Andere agendapunten zijn onder andere wetgevende initiatieven met betrekking tot de Detacheringsrichtlijn, het Programma voor initiatief voor sociaal ondernemerschap, het Globaliseringsfonds en bescherming werknemers tegen elektromagnetische straling.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, H. G. J. Kamp

Geannoteerde agenda

Raad voor Werkgelegenheid en Sociaal Beleid d.d. 21 juni 2012

Agendapunt: Wetgevende initiatieven met betrekking tot de Detacheringsrichtlijn

Aard van de bespreking:

Voortgangsverslag

Voorstel en toelichting

Het gaat hier om het voorstel voor een richtlijn inzake de handhaving en implementatie van de Detacheringsrichtlijn en om een voorstel voor een verordening inzake het uitoefenen van het recht op collectieve actie in relatie tot de vrijheden van dienstverlening en -vestiging. De eerstgenoemde wordt aangeduid als «handhavingsrichtlijn» en beoogt naleving van de bepalingen uit de detacheringrichtlijn te bevorderen. De voorgestelde verordening beoogt duiding te geven aan een aantal uitspraken van het Europese Hof van Justitie. Als principe is opgenomen dat bij de uitoefening van de EU-vrijheden van vestiging en dienstverlening rekening moet worden gehouden met het fundamentele recht op collectieve actie, waaronder het recht om te staken, en omgekeerd.

Zie ook de BNC-fiches die hierover zijn opgesteld (kamerstuknr. 22 112, nr. 1395 en 22 112 nr. 1396).

Het voortgangsverslag is ten tijde van het opstellen van de geannoteerde agenda nog niet gereed, maar dit zal aangeven dat het Deense voorzitterschap een aantal raadswerkgroepen heeft gewijd aan de handhavingsrichtlijn. In deze vergaderingen heeft het voorzitterschap kennis kunnen nemen van het palet van standpunten van lidstaten en hebben de lidstaten zich verder verdiept in de gevolgen die de richtlijn met zich meebrengt. Substantiële voortgang is nog niet geboekt en naar verwachting zal het inkomende Cypriotische voorzitterschap zich eerst richten op de bepalingen over grensoverschrijdende boete-inning.

Met betrekking tot de zogenoemde Monti-2-verordening zal het voortgangsverslag naar verwachting melden dat de besprekingen hierover zijn stilgelegd. Het is het eerste dossier waartegen eenderde van de nationale parlementen, waaronder de Tweede Kamer, bezwaren kenbaar heeft gemaakt met betrekking tot de subsidiariteit van het voorstel. Hiermee is voor het eerst gebruik gemaakt van de zogenaamde «gele kaart-procedure» die sinds de laatste wijziging van het EU-verdrag in 2009 bestaat. De Commissie beraadt zich nu over de verder te volgen handelwijze.

Nederlandse opstelling

Nederland is in zijn algemeenheid positief over de handhavingsrichtlijn. Deze positieve houding vloeit voort uit het feit dat de naleving van de regels op het gebied van gelijke arbeidsvoorwaarden voor mensen die in Nederland komen werken voor Nederland een hoge prioriteit heeft. Belangrijke elementen in het voorstel vindt Nederland:

  • Verheldering van de kenmerken van gedetacheerde werknemers en (postbus)ondernemingen;

  • Versterking van de informatie-uitwisseling tussen de verbindingsbureaus van de lidstaten;

  • Doelstelling om het grensoverschrijdend innen van boetes te verbeteren;

  • Introductie van een element van ketenaansprakelijkheid met betrekking tot salarisbetaling in de bouw.

Agendapunt: Programma voor sociale verandering en innovatie (PSCI)

Aard van de bespreking:

Het voorzitterschap stelt een gedeeltelijk gemeenschappelijk standpunt voor. Het besluit over budgettaire onderdelen (zoals omvang van het programma) volgt uit de lopende onderhandelingen over het Meerjarig Financieel Kader en het Financieel Reglement.

Voorstel en toelichting

Het voorstel betreft het programma voor sociale verandering en innovatie (PSCI) als onderdeel van het nieuwe Meerjarig Financieel Kader (2014–2020). Het PSCI zal drie bestaande programma’s, Progress, Eures en de Microfinancieringsfaciliteit, samenvoegen en op onderdelen uitbreiden.

De belangrijkste veranderingen zijn dat binnen Progress een budget wordt vrijgemaakt voor sociale experimenten, dat binnen Eures meerdere services zullen worden aangeboden op het gebied van recruitment en dat de Microfinancieringsfaciliteit wordt uitgebreid en zich ook zal richten op het ondersteunen van sociale ondernemingen.

Nederlandse opstelling

Nederland staat in principe positief tegenover de vereniging van de drie programma’s in het PSCI. Voor de begroting zet Nederland in op een substantiële vermindering van de Nederlandse afdrachten aan de EU en een hervormde begroting die is toegespitst op de prioriteiten van dit decennium. Vanuit dit oogpunt kijkt Nederland kritisch naar de invulling van het PSCI.

Agendapunt: Europees Globaliseringsfonds

Aard van de bespreking:

Voortgangsrapportage.

Voorstel en toelichting

De Commissie heeft voorgesteld het Europees Globaliseringsfonds (EGF) in de periode 2014–2020 voort te zetten. De Commissie stelt daarbij een verbreding van de aanvraaggrond voor. Behalve op grond van veranderingen in wereldhandelspatronen kunnen aanvragers een beroep doen op grond van een ernstige economische ontwrichting, veroorzaakt door een onverwachte crisis, zoals de huidige financieel-economische crisis, maar ook eventuele toekomstige crises. Daarnaast stelt de Commissie een verbreding voor van de potentiële aanvragers met onder meer uitzendkrachten en zelfstandig ondernemers, waaronder nadrukkelijk ook landbouwers. Tevens wordt uitbreiding van de subsidiabele kosten voorgesteld met investeringen in fysieke bedrijfsmiddelen.

Nederlandse opstelling

Nederland heeft sterke twijfels over het EGF als instrument en zal zich inzetten om de voorstellen van de Commissie zoveel mogelijk te beperken. Dit standpunt is ingegeven vanuit een negatief oordeel over de subsidiariteit van het voorstel. Het naar werk begeleiden van mensen die worden ontslagen is een nationale zaak.

Nederland is kritisch over de bevoegdheden die de Commissie in het voorstel krijgt om te bepalen onder welke voorwaarden landbouwers een beroep kunnen doen op het fonds.

Agendapunt: Bescherming werknemers tegen elektromagnetische straling

Aard van de bespreking

Voortgangsrapportage.

Voorstel en toelichting

Het richtlijnvoorstel beoogt werknemers te beschermen tegen de ongewenste effecten van blootstelling aan elektromagnetische velden. Het voorstel is een wijziging van de gelijknamige richtlijn uit 2004 (2004/40/EG). Deze richtlijn is niet geïmplementeerd, omdat de medische sector in 2006 aangaf dat de blootstellingslimieten hierin de toepassing en ontwikkeling van MRI ernstig zou beperken. De invoering van deze richtlijn is daarom uitgesteld tot 31 oktober 2013.

De belangrijkste wijziging in het voorstel betreft de uitzondering van de limieten voor MRI scanners en de strijdkrachten. In dit gewijzigde richtlijnvoorstel is rekening gehouden met de laatste wetenschappelijke inzichten. Nederland heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de totstandkoming van dit gewijzigde voorstel.

Nederlandse opstelling

Door de inspanningen van Nederland is in dit Commissievoorstel een consistent geheel van limieten en andere waarden opgenomen, dat een reëler verband legt tussen blootstelling en nadelige korte termijneffecten. Nederland is positief over de uitzondering voor MRI-toepassingen, omdat daardoor MRI-toepassing in de toekomst veilig wordt gesteld, terwijl de bescherming van de werknemers geborgd blijft. Nederland is ook positief over de uitzondering van limieten voor de strijdkrachten.

Agendapunt: Gelijke behandeling buiten arbeid

Aard van de bespreking:

Voortgangsrapportage.

Voorstel en toelichting

Op 2 juli 2008 heeft de Europese Commissie een voorstel gepubliceerd voor gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of levensovertuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid. Deze conceptrichtlijn is van toepassing buiten arbeid. Het voorstel schept een kader voor het verbod van discriminatie op de hierboven genoemde gronden. In het voorstel is niet gepreciseerd welke terreinen wel en niet onder de richtlijn vallen en het is onduidelijk hoeveel kosten de richtlijn met zich meebrengt. Mede hierdoor is er weinig vooruitgang geboekt in de onderhandelingen.

Nederlandse opstelling:

Nederland zal de voortgangsrapportage aanhoren.

Agendapunt: Europa2020 strategie

Aard van de bespreking:

  • Debat over landenspecifieke aanbevelingen op het gebied van arbeidsmarkt, de nationale hervormingsprogramma’s (NHP) en de Employment Performance Monitor (EMP) en het werkgelegenheidspakket.

  • Doel is politieke overeenstemming over de landenspecifieke aanbevelingen en het onderschrijven van een opinie over de NHP’s en van de inhoud van de EMP.

Voorstel en toelichting

De Raad zal debatteren over de bijdrage aan de Europese Raad op 28 juni met betrekking tot de landenspecifieke aanbevelingen in het kader van de Europa2020-strategie. In totaal zijn vijf landenspecifieke aanbevelingen aan Nederland gedaan. Twee hiervan zullen worden behandeld in deze Raad, de andere liggen voor aan andere Raadsformaties. Het Deens voorzitterschap streeft naar politieke overeenstemming over de twee landenspecifieke aanbevelingen die deze Raad voorliggen. Daarnaast zal de gezamenlijke opinie van het Werkgelegenheidscomité (EMCO) en het Sociaal Beschermingscomité (SPC) over de beoordeling van de NHP’s worden onderschreven. Verder streeft het Deense voorzitterschap naar het onderschrijven van de Europa2020-arbeidsmarktmonitor.

Ad i) De Commissie geeft in het kader van de Europa2020-strategie aanbevelingen op het gebied van macro-economie en arbeidsmarkt. Het is de tweede keer dat dit gebeurt in het kader van de Europa2020-strategie. De aanbevelingen onder de Europa2020-strategie zijn specifieker dan vorig jaar om een gerichter debat te kunnen voeren tussen lidstaten en Commissie.

De Commissie publiceerde dinsdag 30 mei jl. haar landenspecifieke aanbevelingen.

Ad ii) Het Werkgelegenheidscomité en het Sociaal Beschermingscomité hebben een gezamenlijke opinie over de landenspecifieke aanbevelingen opgesteld. In de opinie vragen het Sociale Beschermingscomite en het Werkgelegenheidscomité aandacht voor de ernstige gevolgen van de economische en financiële crisis voor de werkgelegenheid en de sociale consequenties daarvan. Beide comités zullen dit blijven monitoren en terzake advies aan de Raad WSB geven.

Ad iii) De Europa2020-arbeidsmarktmonitor of Employment Performance Monitor (hierna: EPM) biedt een overzicht van de situatie op de arbeidsmarkten in de lidstaten van de EU. De kwantitatieve inbreng voor de EPM is afkomstig van het Joint Assessment Framework (JAF). De JAF bestaat uit een groot aantal indicatoren om de voortgang op de doelstellingen van Europa 2020 bij te houden. In de EPM is voor ieder land een kwantitatief overzicht opgenomen met de voortgang op de belangrijkste JAF indicatoren. Daarnaast is een tabel opgenomen waarin per lidstaat goede arbeidsmarktprestaties en arbeidsmarktuitdagingen geformuleerd zijn. Voor Nederland zijn de positieve punten vooral onze hoge participatiegraad, lage jeugdwerkloosheid, stijgende uittreedleeftijd en een goed onderwijssysteem en een daling in het aantal vroegtijdige schoolverlaters. Onze uitdagingen liggen op terrein van gewerkte uren, arbeidsparticipatie van migranten en te hoge ontslagbescherming voor vaste contracten.

Ad iv) Het Werkgelegenheidspakket wordt bij het debat betrokken. Met het pakket wordt bekeken hoe in de huidige omstandigheden op de meest effectieve wijze kan worden bijgedragen aan de verwezenlijking van het voorgenoemde werkgelegenheidsstreefdoel van Europa 2020 en hoe de werkgelegenheidsdimensie van de Europa2020 strategie kan worden versterkt. Het pakket geeft daarbij aan dat de arbeidsmarktdynamiek hoofdzakelijk op nationaal niveau tot stand gebracht moet worden en dat dit pakket ter ondersteuning van een banenrijk herstel is.

Nederlandse opstelling

Het kabinet heeft de Tweede Kamer op 13 juni, conform het verzoek van de vaste Kamercommissie voor Europese Zaken op 8 mei jl., een appreciatie van het voorstel voor landenspecifieke aanbevelingen doen toekomen.

Ad i) Landenspecifieke aanbevelingen

Nederland kan instemmen met politieke overeenstemming over de landenspecifieke aanbevelingen op het terrein van de Raad WSBVC over vergrijzing en arbeidsparticipatie.

Ad ii en iii) Gezamenlijke opinie en EPM

Het kabinet kan de gezamenlijke opinie van het SPC en EMCO en de EPM onderschrijven.

Ad iv) Werkgelegenheidspakket

Het kabinet zet in op een versterking van het economisch groeivermogen en daarmee ook op groei van werkgelegenheid, door de overheidsfinanciën op orde te brengen, hervormingen door te voeren op de financiële markten en ons in Europees verband sterk te maken voor meer stabiliteit.

Over het algemeen kan het kabinet zich in veel van de genoemde maatregelen vinden. Nederland zal zich op het standpunt stellen dat belastingen een nationale aangelegenheid zijn. Het werkgelegenheidspakket gaat in op de minimumlonen in de lidstaten. Daarbij wordt niet gepleit voor een Europees minimumloon, waar het kabinet ook geen voorstander van is. De meeste lidstaten kennen reeds een wettelijk of anderszins juridisch bindende of algemeen toepasselijk minimumloon. Daarbij dient ook te worden opgemerkt dat voorzichtigheid moet worden betracht ten aanzien van de oproep te komen tot het vaststellen van minimumlonen op «passende niveaus». Immers, opwaartse wijzigingen van het minimumloon kunnen leiden tot minder werkgelegenheid en (mede) daardoor tot een hogere werkloosheid. Dit kan de situatie in landen waar de werkloosheid de afgelopen tijd al sterk is opgelopen verder verslechteren.

In het Werkgelegenheidspakket herhaalt de Commissie de oproep van de Regeringsleiders aan de lidstaten om een banenplan in het kader van hun Nationale Hervormingsprogramma’s op te stellen. In Europa is als doelstelling afgesproken dat in 2020 de arbeidsparticipatie 75% is (netto arbeidsparticipatie van minimaal 1 uur per week). Nederland heeft nu een netto arbeidsparticipatie van 77%1. In het Nationaal Hervormingsprogramma, dat eind april aan de Commissie is gestuurd, staan de initiatieven van het kabinet nader uitgewerkt, waarbij uitgebreid aandacht is besteed aan de arbeidsmarkt. Hoofdlijn daarvan is het bevorderen van de werkgelegenheid in brede zin. Het kabinet ziet de uitwerking van de maatregelen in het NHP als invulling van het gevraagde banenplan, conform de conclusies van de Raad voor Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken van 17 februari 2012. Tot het introduceren van aparte banenplannen voor doelgroepen of sectoren bestaat naar het oordeel van het kabinet dan ook geen noodzaak.

Agendapunt: Kernboodschappen behorende bij «Pension Adequacy Report»

Aard van de bespreking:

Onderschrijven kernboodschappen behorende bij het «Pension Adequacy Report».

Voorstel en toelichting

Het betreft hier de kernboodschappen bij het Rapport over de toereikendheid van pensioenen 2010–2050, opgesteld door de Commissie en het Sociaal Beschermingscomité. Aangegeven wordt dat er op het gebied van de houdbaarheid van de pensioenen vooruitgang wordt geboekt, maar dat de toereikendheid een punt van zorg is. Aan beide vereisten kan alleen worden voldaan als zoveel mogelijk burgers bijdragen aan de pensioensystemen; vandaar dat een hogere arbeidsparticipatie van groot belang is. Het is belangrijk dat werknemers gezonder zijn, dat zij langer doorwerken en dat vroegpensioenregelingen worden beëindigd. Ook het sparen, door middel van tweede en derde pijlerpensioenregelingen wordt aanbevolen. Ook wordt gewezen op het belang van gelijke behandeling bij pensioenopbouw.

Nederlandse opstelling

Nederland kan instemmen met de kernboodschappen. In het Nederlands pensioensysteem is door middel van de AOW en de aanvullende pensioenregelingen, de toereikendheid van de pensioenen in het algemeen voldoende gegarandeerd. Positief voor Nederland is dat in de kernboodschappen ook het belang van tweede pijler pensioenen wordt onderstreept. Gelijke behandeling is in het Nederlandse pensioenstelsel reeds afdoende geregeld.

Agendapunt: Demografische uitdagingen

Aard van de bespreking:

Aanname van Raadsconclusies.

Voorstel en toelichting

De Raadsconclusies beogen een antwoord te geven op de gevolgen van de vergrijzing van de Europese bevolking en afnemende arbeidsparticipatie en maatschappelijke participatie. In de Raadsconclusies worden voorstellen gedaan inzake investeren in menselijk kapitaal van alle generaties, met inachtneming van de gelijke kansen voor mannen en vrouwen en met het doel de economische groei te bevorderen, ongelijkheid te verminderen en sociale cohesie te versterken.

De Raadsconclusies focussen op het bevorderen van de arbeidsparticipatie van alle groepen op de arbeidsmarkt, onder andere vrouwen, ouderen, jongeren en gehandicapten. Bij het bevorderen van de arbeidsparticipatie van jongeren wordt veel aandacht besteed aan het verwerven van competenties en een goede aansluiting van onderwijs op de arbeidsmarkt. Ook wordt in de conclusies ingegaan op verdere hervorming en modernisering van pensioensystemen en op aanpassing van de hoogte van de pensioenleeftijd aan de levensverwachting.

Nederlandse opstelling

Nederland kan instemmen met de Raadsconclusies. De voorstellen zijn in overeenstemming met het Nederlandse beleid inzake de bevordering van arbeidsparticipatie, te weten het verhogen van de arbeidsparticipatie van vrouwen en ouderen, het bevorderen van evenwicht tussen arbeid en zorg en een evenwichtige verdeling van mannen en vrouwen op besluitvormingsniveau. Ook de voorstellen inzake hervorming van pensioenstelsels en aanpassing van de hoogte van de pensioenleeftijd aan de levensverwachting zijn in overeenstemming met het Nederlandse beleid.

Agendapunt: Gendergelijkheid en het milieu

Aard van de bespreking:

Aanname van Raadsconclusies.

Voorstel en toelichting

  • In de Raadsconclusies nemen de lidstaten notie van het rapport van het Europees Instituut voor Gendergelijkheid (EIGE) over gendergelijkheid en het milieu. Dit rapport is opgesteld in het kader van de jaarlijkse evaluatie van de doelstellingen van het Beijing actieplatform voor de positie van vrouwen.

  • De Raadsconclusies onderstrepen het belang van de rol van vrouwen bij het terugdringen van klimaatsverandering en de aandacht ervoor in Europees en nationaal beleid.

  • Er zijn vier indicatoren opgesteld die nadere informatie moeten gaan geven in hoeverre de doelstelling met betrekking tot dit thema is bereikt. De indicatoren gaan in op participatie van vrouwen in besluitvorming bij het terugdringen van klimaatsverandering en bij de segmentatie van onderwijs op die gebieden die betrekking hebben op het terugdringen van klimaatsverandering.

Nederlandse opstelling

Nederland kan instemmen met de Raadsconclusies.

Agendapunt: Diversen

Aard van de bespreking:

Informatieverstrekking.

Voorstel en toelichting

De Raad zal kennis nemen van informatie van het Voorzitterschap over de resultaten op het gebied van werkgelegenheid, sociale zaken en emancipatie gedurende het Deens voorzitterschap.

De Raad zal kennis nemen van informatie van de Commissie over de Nationale Roma Integratie Strategieën.

De Raad zal kennis nemen van informatie van de Commissie over de ratificatie en implementatie van het VN Verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap.

Het Voorzitterschap en de Commissie zullen informatie geven over de afgelopen G-20-bijeenkomst van de ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 17-18 mei jl in Mexico.

Nederlandse opstelling:

Nederland zal de informatie aanhoren.


X Noot
1

Eurostat, 2011.