Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201121501-31 nr. 249

21 501-31 Raad voor de Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken

Nr. 249 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 juni 2011

Hierbij ontvangt u het verslag van de Raad WSBVC, onderdeel Werkgelegenheid en Sociaal Beleid, van 17 juni 2011.

Het belangrijkste onderwerp van deze Raad betrof de werkgelegenheidsgerelateerde landenspecifieke aanbevelingen aan de lidstaten in het kader van de Europa2020-strategie. De Raad stelde een eerste standpuntbepaling vast met voorbehouden van een aantal lidstaten en was dus niet in staat om een unaniem akkoord te bereiken.

De Raad nam verder een voortgangsverslag aan over het wijzigingsvoorstel van de verordening met betrekking tot de coördinatie van sociale zekerheidsstelsels. Bij dit punt discussieerden ministers over de relatie tussen de coördinatie van sociale zekerheidsstelsels en de richtlijn vrij verkeer van personen. Nederland heeft hierover een verklaring mede-ondertekend om zorgen hierover te uiten.

Een tweede voortgangsverslag betrof de richtlijn zwangerschapsverlof. Veel lidstaten, waaronder Nederland, vroegen het woord om hun zorgen te uiten met betrekking tot het voorstel van de Europese Commissie en het Europees Parlement om het minimumverlof te verlengen tot 18 respectievelijk 20 weken.

Tevens is bijgevoegd, conform eerdere toezegging, het voortgangsverslag van het richtlijnvoorstel gelijke behandeling buiten arbeid. Tijdens de Raad is hierover niet gesproken.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

H. G. J. Kamp

VERSLAG RAAD WSBVC 17 JUNI 2011

Landenspecifieke aanbevelingen ihkv Europa2020

Onder de titel «Uitvoering van de Europa 2020-strategie» werden de landenspecifieke aanbevelingen besproken. Het doel was om een eerste standpuntbepaling van de Raad WSBVC vast te stellen. Het proces van het vaststellen van de aanbevelingen moest dit keer onder grote tijdsdruk plaatsvinden, aangezien dit jaar het zogenaamde Europese Semester is ingevoerd waarbij de lidstaten al voor de zomer hun aanbevelingen kennen en er zodoende rekening mee kunnen houden in hun nationale begrotingen, die doorgaans in het najaar worden vastgesteld.

Het lukte de Raad niet om een gezamenlijk standpunt vast te stellen, omdat een aantal lidstaten bezwaren hadden tegen de aan hen gerichte aanbevelingen. Hierbij ging het zowel om procedurele als inhoudelijke bezwaren. Qua procedures bestond er bezwaar tegen de opdeling van aanbevelingen naar ofwel de Raad WSBVC of de ECOFIN Raad, waarbij de balans te zeer in de richting van de ECOFIN Raad zou zijn doorgeslagen, zo de opdeling überhaupt te maken zou zijn. Ook was er een voorbehoud op sommige aanbevelingen omdat zij te weinig de rol van de sociale partners bij met name loonvorming en pensioenhervormingen zouden respecteren. Inhoudelijk bestond er onder meer bezwaar tegen een aanbeveling om de statutaire pensioenleeftijd te verhogen omdat de uitdaging juist zou liggen bij het verhogen van de effectieve pensioenleeftijd.

Minister Kamp bedankte de Commissie voor de twee werkgelegenheidsgerelateerde aanbevelingen aan Nederland. Hij memoreerde dat de Commissie met het formuleren van de landenspecifieke aanbevelingen geleverd had waar de regeringsleiders en staatshoofden eerder op het niveau van de Europese Raad om gevraagd hadden. Hij stelde dat er nog grote inspanningen nodig zijn om de overheidsfinanciën gezond te maken en de arbeidsmarkten te versterken. Minister Kamp gaf aan dat Nederland de aanbeveling had gekregen om de pensioenleeftijd te verhogen en stelde dat Nederland dit ook gaat doen. De minister lichtte in dit kader het vlak voor de Raad door de sociale partners overeengekomen pensioenakkoord toe, waarbij de pensioenleeftijd in 2020 naar 66 jaar zal gaan en in 2025 naar 67 jaar. Tegelijk, zo meldde hij, wordt met de sociale partners ingezet op duurzame inzetbaarheid om de oudere werknemers ook echt tot de pensioenleeftijd aan de slag te houden. Hierbij heeft de oudere werknemer zelf ook een belangrijke verantwoordelijkheid om aantrekkelijk te blijven voor de arbeidsmarkt, aldus de minister. Hij gaf aan dat de aanbevelingen meerwaarde bieden en lidstaten de mogelijkheid geven om elkaar aan te spreken op hun eigen verantwoordelijkheden. Hij rondde af met de opmerking dat het opvolgen van de aanbevelingen zal bijdragen aan een grotere financiële stabiliteit en een hogere werkgelegenheid in Europa.

Meerdere lidstaten pleitten voor het in de toekomst nauwer betrekken van de sociale partners bij het Europees Semester op punten waar zij een belangrijke rol spelen – zo niet het primaat hebben – zoals bij loonvorming en pensioenen. Een andere grote lijn in het debat waren vragen bij de rechtsbasis van de aanbevelingen die in een aantal gevallen tegelijk rusten op Art. 121 (coördinatie economisch beleid) en Art. 148 (richtsnoeren werkgelegenheidsbeleid) van het Verdrag. Dit terwijl de mate van dwingendheid en de sancties die aan beide artikelen verbonden zijn, sterk verschillen. Onder Art. 148 zijn er geen sanctiemiddelen terwijl Art. 121 in uiterste instantie tot een boeteprocedure aanleiding kan geven. Het niet eenduidig kunnen toebedelen van de aanbevelingen aan één van de beide artikelen, leidt ook tot onduidelijkheid van toebedeling ervan aan de Raad WSBVC (Art. 148) dan wel aan de ECOFIN Raad (Art. 121), aldus de nodige delegaties.

Een andere algemene notie in het debat was het gevoel bij veel lidstaten dat de aanbevelingen vaak te weinig zouden aansluiten bij specifieke nationale praktijken en instituties. De lidstaten die momenteel onder een budgettair programma van EU en/of IMF staan, gaven aan hun aanbeveling om dit programma voortvarend te implementeren, te kunnen onderschrijven. Eén lidstaat wees er hierbij wel op dat deze programma’s enkel een korte termijn focus hebben en weinig oog zouden hebben voor beleid dat op langere termijn nodig kan zijn.

In reactie op het debat stelde Commissaris Andor dat hij het met veel lidstaten eens was dat goed bekeken moet worden hoe het proces van het Europees Semester komend jaar verbeterd kan worden. Ook onderschreef hij dat het voor de Commissie een moeilijke opgave was een juiste balans te vinden tussen enerzijds op de afzonderlijke lidstaten toegesneden aanbevelingen en anderzijds het onderling consistent houden van de 27 sets aanbevelingen. Evenzeer toonde hij zich gevoelig voor het argument van lidstaten dat bij loonvorming en loonindexatie het primaat in de lidstaten veelal bij de sociale partners ligt. Hij wees er echter op dat het hier normaliter niettemin een tripartiete verantwoordelijkheid betreft waar ook overheden een belangrijke invloed op hebben. Andor gaf aan in september een conferentie te willen organiseren om een nauwere betrokkenheid van de sociale partners bij het Europees Semester nader te bespreken. Minder open stond Andor voor het probleem dat enkele lidstaten zagen in de dubbele rechtsbasis onder veel aanbevelingen. In dit verband wees hij erop dat er geen automatische link bestaat tussen de rechtsbasis die een bepaalde tekst heeft en de Raadsformatie waarin deze wordt besproken.

De voorzitter nodigde het inkomende Poolse voorzitterschap uit tot een grondige evaluatie van het Europees Semester. Verder meldde hij dat het niet gelukt was om een akkoord te bereiken. De eerste standpuntbepaling werd vastgesteld en met vermelding van de voorbehouden van de betreffende lidstaten naar de Raad Algemene Zaken doorgezonden met afschrift aan de ECOFIN Raad.

Zwangerschapsverlof (voortgangsverslag)

Het voortgangsverslag is kort toegelicht door het Hongaarse voorzitterschap. Gezien de kritische houding van veel lidstaten tijdens de Raad van december 2010, heeft het voorzitterschap zich geconcentreerd op de amendementen van het Europees Parlement die minder ingrijpend waren dan de verlenging naar 20 weken en de twee weken vaderschapsverlof.

De Commissie gaf net als tijdens de vorige Raad in december aan dat zij het standpunt van het Europees Parlement afwees om het minimum-zwangerschapsverlof te verlengen tot 20 weken en volledig te betalen. De Commissie vond een verlenging van de huidige periode van 14 weken echter wel noodzakelijk en legde daarbij een verband met dalende fertiliteitscijfers in het kader van de demografische ontwikkelingen. Het Commissievoorstel om het verlof te verlengen tot 18 weken, met een mogelijkheid ook ouderschapsverlof in te zetten en met een minimumbetaling van ziekteverlof vond zij nog steeds een goed uitgangspunt.

Ondanks het feit dat een discussie niet voorzien was, vroegen veel Lidstaten, waaronder Nederland, het woord om hun zorgen met betrekking tot het voorstel van de Commissie en het door het Europees Parlement ingenomen standpunt nogmaals onder de aandacht te brengen. Minister Kamp gaf aan moeite te hebben met zowel het Commissievoorstel als de EP-amendementen. Beiden zijn voor Nederland niet nodig. Nederland geeft een goede bescherming aan de vrouw en betaalt 100% salaris door. Minister Kamp vroeg de Commissie om een impact-assessment over de effecten van de EP-amendementen.

Verschillende lidstaten lieten hetzelfde geluid horen. Was in december jongstleden vooral veel kritiek op de vergaande amendementen van het Europees Parlement, nu stelden verschillende lidstaten dat er überhaupt geen behoefte bestaat aan het Commissie-voorstel. Slechts een paar lidstaten uitten zich in positieve zin en spraken steun uit aan de Commissie. Zij moedigden het Poolse voorzitterschap aan verder te gaan met onderhandelen.

Commissaris Reding gaf aan dat de Commissie goede nota had genomen van de standpunten van de lidstaten.

Richtlijnvoorstel «gelijke behandeling buiten arbeid» (voortgangsverslag)

De voorzitter lichtte het voortgangsverslag toe. Het Hongaarse voorzitterschap had zich met name gericht op het beter begrijpen van de notie van «reasonable accomodation» in het richtlijnvoorstel en had geprobeerd met tekstvoorstellen te komen die hiertoe bij kunnen dragen. Commissaris Reding dankte het voorzitterschap voor de technische vooruitgang die geboekt was. Reding merkte op dat het Europees Parlement de discussies op de voet volgt en aandringt op vooruitgang.

Voorstel wijziging van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en Verordening (EG) nr. 987/2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 (diverse wijzigingen 2010) – (voortgangsverslag)

Het Voorzitterschap had gekozen voor een voortgangsverslag, in plaats van besluitvorming, omdat het voorstel voor enkele lidstaten gevoelige punten bleek te bevatten. Hoewel er een gekwalificeerde meerderheid van stemmen was voor de compromistekst, wilde het voorzitterschap geen stemming doordrukken. Nederland had kunnen instemmen met het compromisvoorstel.

Commissaris Andor benadrukte het fundamentele belang van de bescherming van rechten van mobiele burgers en merkte op dat het Commissievoorstel en het daarop gebaseerde voorzitterschapscompromis toch voornamelijk technisch van aard zijn. In de daaropvolgende interventies toonde een aantal lidstaten zich tevreden over het uitstel van de besluitvorming, maar een aantal spraken hun teleurstelling daarover uit.

Een aantal lidstaten, waaronder Nederland, heeft voorts een verklaring aan de notulen toegevoegd. Deze gaat over de relatie tussen de coördinatie van sociale zekerheidsstelsels en de richtlijn vrij verkeer van personen. In de verklaring wordt erop gewezen dat de sociale zekerheid van mobiele burgers een steeds politieker thema wordt. Van harmonisatie van sociale zekerheidssystemen kan geen sprake zijn, op EU niveau dient men zich te beperken tot coördinatie. Burgers die van hun recht op vrij verkeer binnen de EU gebruikmaken kunnen niet aan de voorwaarde van het beschikken over voldoende eigen inkomsten voldoen door in hun land van bestemming een non-contributieve uitkering aan te vragen. Er is verheldering nodig van de wetgeving over dit onderwerp als neergelegd in de coördinatieverordening sociale zekerheid 883/04 en de richtlijn vrij verkeer van personen 2004/38.

Minister Kamp sprak van een voorwaardelijk verblijfsrecht voor EU burgers die van het recht op vrij verkeer van personen binnen de EU gebruikmaken. Lidstaten hoeven niet het verblijf te accepteren van burgers uit andere lidstaten die niet in hun eigen onderhoud kunnen voorzien. Er was slechts één lidstaat die zich expliciet tegen de verklaring uitsprak door te wijzen op de belastinginkomsten en economische groei die mobiele werknemers genereren voor hun gastland. In een reactie op de interventies sprak Commissaris Andor van een thema met financiële, economische, politieke en juridische invalshoeken. De wisselwerking van de EU-wetgeving over de coördinatie van sociale zekerheidssystemen met de richtlijn vrij verkeer van personen 2004/38 verdient prioriteit. Hierover zal in het najaar verder gesproken worden op basis van informatie uit de lidstaten.

Europees Jaar voor actief ouder worden en solidariteit tussen de generaties (2012) – Verslag van het voorzitterschap

Commissaris Andor gaf een korte update van de onderhandelingen over het besluit. Hij meldde dat de Raad en de EMPL commissie van het Europees Parlement hadden ingestemd met de nu voorliggende tekst en dat het wachten enkel nog was op de plenaire stemming in het Europees Parlement die op 22 of 23 juni zal plaatsvinden. Hij gaf aan dat het EU Werkgelegenheidscomité (EMCO) «gemeenschappelijke principes» zal vaststellen waaraan de lidstaten inspiratie kunnen ontlenen bij het formuleren van hun beleid gericht op vergrijzing en actief ouder worden.

Demografische veranderingen en gezinsbeleid (Gedachtewisseling en aanname van Raadsconclusies)

Elf lidstaten voerden op dit onderwerp het woord. In hun interventies lichtten lidstaten hun nationale beleid toe dat ertoe moet bijdragen dat mensen het krijgen van kinderen en daarmee gepaard gaande gezinstaken goed met actieve deelname aan de arbeidsmarkt kunnen combineren. Er was dus aandacht voor de combinatie van arbeid en zorg via flexibele werkvormen, verlofregelingen, fiscale maatregelen, inkomensondersteuning en armoedebestrijding. Commissaris Andor ondersteunde deze aanpakken waarbij hij aangaf zich te realiseren dat de huidige budgettaire krapte investeringen op dit terrein niet evident maakt. Later dit jaar zal de Commissie een mededeling presenteren.

De ministers hebben een advies goedgekeurd van het Sociale beschermingscomité over de toekomst van de sociale open methode van coördinatie (OMC). Dit advies was noodzakelijk, aangezien de OMC nu ook deels valt onder de Europa2020-strategie. De structuur en inhoud van de OMC is daarom opnieuw bekeken om een goede afstemming tussen OMC en Europa2020-strategie te bewerkstelligen.

Commisaris Andor sprak zijn waardering uit voor het advies en verwelkomde het feit dat sociale inclusie, pensioenen en de langdurige gezondheidszorg, de prioriteiten blijven van de OMC.

De ministers hebben voorts Raadsconclusies aangenomen over de volgende onderwerpen:

  • Arbeidsparticipatie van jongeren

    Hierbij is op te merken dat Commissaris Andor zich in zijn interventie teleurgesteld toonde dat de Raad de suggestie van de Commissie om een Jeugdgarantie te definiëren – waarbij een jongere binnen vier maanden een baan, opleiding of leer-werk traject aangeboden moet krijgen, niet in de conclusies had willen opnemen.

  • Bestrijding van armoede onder kinderen en bevordering van het welzijn van kinderen

    Commissaris Andor bevestigde bij dit onderwerp dat de Commissie in de loop van 2012 een aanbeveling over dit onderwerp zal publiceren.

  • Ondersteuning van de uitvoering van de Europese strategie inzake handicaps 2010–2020

Diversen

Onder het agendapunt «diversen» is de Raad geïnformeerd over een zevental onderwerpen:

  • a) Conferenties die tijdens het Hongaarse voorzitterschap zijn georganiseerd

  • b) Sociale en werkgelegenheidsaspecten van de richtlijnen betreffende legale migratie (seizoensarbeid en verplaatsingen binnen een onderneming)

  • c) Richtlijnvoorstel over elektromagnetische velden

  • d) Ratificatie en toepassing van het VN-Verdrag over de rechten van mensen met een handicap

  • e) Voorbereiding van de G-20 – bijeenkomst van de ministers van Arbeid en Werkgelegenheid

  • f) Forum betreffende de toekomst van de democratie (Nicosia, 13 en 14 oktober 2011)

  • g) Werkprogramma van het aantredende voorzitterschap

Relevante punten hieruit:

Ad b) Richtlijnvoorstellen betreffende legale migratie

De voorzitter gaf aan dat de standpunten van het Europees Parlement binnenkort beschikbaar komen zodat het inkomende Poolse Voorzitterschap de onderhandelingen kan starten. Commissaris Andor stelde dat het bij seizoenswerk erop aan komt om uitbuiting te voorkomen waarbij Andor memoreerde dat het de eerste keer is dat een richtlijnvoorstel bescherming biedt aan migranten aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Het voorstel over intracorporate transferees moet gezien worden tegen het licht van de noodzaak voor de EU om buitenlandse investeringen aan te trekken en economische groei te bevorderen.

Ad c) Richtlijnvoorstel over elektromagnetische velden

Commissaris Andor gaf een korte toelichting op het betreffende voorstel dat op 14 juni is uitgebracht door de Commissie. Hij memoreerde dat implementatie van de oorspronkelijke richtlijn werd uitgesteld nadat gebleken was dat deze het gebruik van MRI scanners in ziekenhuizen in het gedrang zou kunnen brengen. Hij stelde dat dit wijzigingsvoorstel volgt op een uitgebreid en transparant consultatieproces van deskundigen en andere betrokkenen en riep in herinnering dat de implementatie van de oorspronkelijke richtlijn uitgesteld werd tot april 2012 en dat de onderhandelingen over dit wijzigingsvoorstel derhalve voor die datum moeten zijn afgerond.

Ad e) Voorbereiding van de G-20 – bijeenkomst van de ministers van Arbeid en Werkgelegenheid (26/27 september 2011 te Parijs)

Bij deze bijeenkomst zal de aandacht uitgaan naar vier thema’s: werkgelegenheid voor jongeren en kwetsbare groepen; basale sociale bescherming; verbeterde implementatie van arbeidsrechten, en betere samenwerking tussen de relevante internationale organisaties (oa ILO, Wereldbank, IMF).

Commisaris Andor verwelkomde het initiatief en sprak steun uit voor de notie van een «basic social floor», voor het instellen van een permanente werkgroep arbeidsaangelegenheden en voor een betere samenwerking tussen betrokken organisaties.

Ad g) Werkprogramma van het aantredende voorzitterschap

Het Poolse Voorzitterschapsprogramma kent de volgende hoofdthema’s: solidariteit tussen generaties, demografische veranderingen, «active Europe» (actieve maatregelen om sociale integratie en flexicurity te bevorderen) en partnerschap tussen burgers (bevorderen rol van maatschappelijk middenveld). M.b.t. de richtlijn zwangerschapsverlof beoogt Polen via een debat in de Raad de weg te maken voor een nieuwe oplossing. Ook over de link tussen de Europa2020-strategie en het toekomstige Europees Sociaal Fonds zal de Raad debatteren. Verder zal het Voorzitterschap het voorstel m.b.t. elektromagnetische velden en het Europees globaliseringsfonds behandelen en de besprekingen van de wijzigingen in de coördinatieverordeningen sociale zekerheid voortzetten. Of al tijdens het Poolse Voorzitterschap gesproken zal worden over de aanstaande richtlijnvoorstellen arbeidstijden en detachering zal afhangen van het moment van publicatie.

Tijdens de Informele Raad op 7 en 8 juli a.s. staan de thema’s «effectiviteit van actief sociaal beleid» en «solidariteit tussen de generaties» op het programma.