Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201121501-31 nr. 233

21 501-31 Raad voor de Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken

Nr. 233 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 31 januari 2011

Hierbij ontvangt u het verslag van de Informele Raad van 17 en 18 januari te Gödöllö (Hongarije).

De bijeenkomst stond in het teken van de thema’s jeugdwerkgelegenheid en het creëren van banen. Commissaris Andor vestigde in dit verband de aandacht op het initiatief «Jeugd in Beweging» dat de Europese Commissie recent in het kader van de Europa 2020 strategie heeft gepubliceerd.

Uit de debatten werd duidelijk dat lidstaten een belangrijk knelpunt zien in een gebrekkige aansluiting van onderwijs en arbeidsmarkt. Beleid om meer banen te creëren en jongeren aan het werk te krijgen, dient zich vooral te richten op een gunstiger belastingregime voor arbeid en op een meer activerende sociale zekerheid.

Commissaris Andor brak een lans voor de introductie van een «open arbeidscontract» waarbij na een proefperiode geleidelijk aan rechten worden opgebouwd. Tevens propageerde de Commissaris het idee van een

«jeugdgarantie» waarbij aan jongeren die geen baan vinden of onderwijs volgen een werk- en/of leeraanbod wordt gedaan. Delegaties tekenden hierbij aan dat gegeven de grote verschillen tussen de lidstaten, het aan de lidstaten moet worden gelaten of en hoe zij verdere opvolging geven aan deze thema’s.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

H. G. J. Kamp

Informele Raad Werkgelegenheid en Sociaal beleid van 17 en 18 januari 2011 te Gödöllö (Hongarije)

De vergadering werd voorgezeten door de Hongaarse minister van Werkgelegenheid, de heer Czomba. De Europese Commissie werd vertegenwoordigd door Commissaris Andor. De Nederlandse delegatie stond onder leiding van minister Kamp.

De informele bijeenkomst van ministers stond in het teken van Werkgelegenheid. Het onderwerp werd besproken aan de hand van twee door het voorzitterschap aangedragen thema’s die in workshops werden besproken «Jeugdwerkgelegenheid» en «Creëren van banen».

Workshop Jeugdwerkgelegenheid

De Raad boog zich over de vraag hoe jonge mensen beter kunnen instromen op de arbeidsmarkt. Op aangeven van het voorzitterschap gingen de delegaties bij beantwoording van deze vraag nader in op de drie aandachtspunten: welke knelpunten er voor arbeidsdeelname van jongeren in hun lidstaat bestaan; met welk beleid deze knelpunten het best kunnen worden aangepakt, en hoe de delegaties in dit verband de beleidssuggesties van de Europese Commissie – zoals verwoord in het Europa 2020 initiatief «Jeugd in Beweging» kunnen waarderen.

Europees Commissaris Andor benadrukte dat juist jongeren tijdens economische crises een extra risico lopen om lange tijd zonder werk te blijven. Hij stelde dat het goede nieuws is dat de economie voorzichtig tekenen van herstel toont maar dat het zorgelijk is dat in een aantal lidstaten de groei te zwak is om werkgelegenheid te creëren. Juist om deze reden houdt de Europese Commissie in het eerste richtinggevende rapport onder de Europa 2020 strategie («Annual Growth Survey») een krachtig pleidooi om de focus in Unie en lidstaten nu te leggen op hervormingen die meer economische groei en daarmee werkgelegenheid genereren, aldus de Commissaris. Met het oog op de positie van jongeren brak hij een lans voor de suggestie van de Europese Commissie aan lidstaten met een sterk gesegmenteerde arbeidsmarkt, om een zogenaamd «open arbeidscontract» te introduceren. Doel van dit contract is om na een proefperiode geleidelijk aan rechten op te bouwen en daarmee een tweedeling op de arbeidsmarkt tussen enerzijds «insiders» met een comfortabele positie en anderzijds «outsiders» met een marginale positie, te voorkomen.

De voorzitter van het EU Werkgelegenheidscomité (EMCO) stelde vast dat juist jongeren sterk geraakt waren door de crisis maar tekende daarbij aan dat zoals gebruikelijk, juist zij nu als eersten profiteren van de aantrekkende economie en arbeidsmarkt. Hij gaf verder aan dat er zijns inziens sprake is van een paradox: enerzijds waren jongeren gemiddeld nog nooit zo hoog geschoold als nu en anderzijds is er al langere tijd een trend zichtbaar dat jongeren langer in tijdelijke banen met onzekere perspectieven blijven «hangen».

De voorzitter van het EU Sociale Beschermingscomité (SPC) stelde dat de oplossing voor de moeilijke sociale positie van jongeren primair in het vinden van een baan moet worden gevonden. Hij gaf aan dat de aanpak van jeugdwerkloosheid prioriteit verdient omdat juist werkloze jongeren een groot risico op armoede lopen. Hij pleitte voor een duidelijke aanpak met een goede balans tussen rechten en plichten waarbij enerzijds van jongeren gevraagd mag worden dat ze actief zoeken naar een baan, een werkervaringsplaats of verdere scholing, maar anderzijds aan jongeren ook kansen daartoe worden geboden.

Nederland gaf aan dat het in de gelukkige omstandigheid verkeert dat zowel de algemene als de jeugdwerkloosheid tot de laagste binnen de EU behoren. Verder werd het belang van de hervormingen benadrukt die zijn ingezet met de Wet Werk en Bijstand (WWB) en de Wet Investeren in Jongeren (WIJ) die in Nederland (mede) tot een sterk activerende sociale zekerheid en tot een sterke daling van de werkloosheid hebben geleid. Daarnaast is met het oog op de crisis, in 2009 tot een speciaal Actieplan Jeugdwerkloosheid besloten. Hierdoor is een groot aantal jongeren langer in het onderwijs vastgehouden dan wel via een baan, leer-werk traject of stage, een opstap naar de arbeidsmarkt geboden. Nederland wees erop dat ondanks het relatieve succes, het Nederlandse (jeugd)werkgelegenheidsbeleid ook nog belangrijke uitdagingen kent en wees daarbij op de positie van jonggehandicapten en jongeren met weinig of geen scholing.

In de interventies van de lidstaten klonk een hoge mate van overeenstemming door. Vrijwel alle delegaties gaven aan een voornaam knelpunt te zien in een gebrekkige aansluiting van onderwijs op de arbeidsmarkt. De mismatch tussen de vaardigheden waarmee studenten worden toegerust en de vaardigheden waar bedrijven om vragen, zou mede moeten worden aangepakt door beter studieadvies en een nauwere samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven. Een aantal lidstaten gaven aan hierbij een belangrijke rol weggelegd te zien voor leer-werk banen. Veel lidstaten noemden tevens een (al dan niet tijdelijke) verlaging van de directe en indirecte loonkosten voor werkgevers die jongeren met een «vlekje» aannemen, als een belangrijke beleidsoptie. Ook maakte het debat duidelijk dat lidstaten steeds meer inzetten op het promoten van ondernemerschap, ook onder jongeren. In reactie op het door de Commissie gepropageerde «open arbeidscontract» gaf een aantal delegaties aan het idee op zich te kunnen waarderen maar dat gegeven de grote verschillen in het arbeidsrecht in de lidstaten, het aan de lidstaten gelaten moet worden of en hoe aan dit idee verder opvolging wordt gegeven. Ook het door de Commissie gepropageerde idee van een Jeugdgarantie – waarbij aan jongeren die geen baan vinden of onderwijs volgen binnen vier maanden een werk- en/of leeraanbod gedaan wordt – viel deze reactie te beurt.

Workshop Creëren van banen

De tweede workshop ging in op het thema banencreatie waarbij op aangeven van het voorzitterschap de delegaties nader ingingen op de drie aandachtspunten: hoe ondanks de budgettaire krapte banengroei te stimuleren; hoe de banenkansen van de laaggeschoolden te verbeteren en welke rol de EU-fondsen kunnen spelen bij het scheppen van nieuwe banen.

Commissaris Andor wees erop dat de economie weliswaar herstelt maar dat de geprognosticeerde groei slechts 1,25 procent bedraagt waarbij de bezuinigingen in veel lidstaten dit percentage nog kunnen drukken. Hij gaf aan dat de arbeidsparticipatie van jongeren en laaggeschoolden in de EU op een laag niveau ligt terwijl juist de arbeidskansen van deze twee groepen sterk fluctueren met de stand van de economie. Hij beval de lidstaten aan om werk aantrekkelijker te maken door arbeidskortingen te introduceren en door een vergroening van het belastingsysteem waarbij de belasting op arbeid verlaagd wordt en die op milieubelastende activiteiten wordt verhoogd. Ook brak hij opnieuw een lans voor het door de Commissie voorgestelde «open arbeidscontract» waarbij hij in reactie op de interventies van delegaties in de eerste workshop nog benadrukte dat de Commissie geen enkele intentie heeft om dit uniform aan de lidstaten voor te schrijven. Hij maakte verder bekend dat de Commissie in 2011 een mededeling zal publiceren die geheel aan banencreatie zal zijn gewijd. Tot slot vroeg Commissaris Andor aandacht voor de rol die de Europese fondsen bij banencreatie kunnen spelen waarbij hij naast het Europees Sociaal Fonds ook expliciet de nieuwe EU Microfinancieringsfaciliteit noemde.

De voorzitter van het EU Werkgelegenheidscomité schetste het scenario dat de EU in een situatie van zwakke, baanloze economische groei, de crisis achter zich moet zien te laten. Hij stelde vast dat de economische prestaties van de EU mager afsteken bij die van andere machtsblokken in de wereld. Hij sprak er zijn zorgen over uit dat de banen die momenteel gecreëerd worden veelal laagbetaalde banen betreffen die ook weinig bijdragen aan een verbetering van de belastinginkomsten van de lidstaten. Net als Commissaris Andor pleitte hij voor een herziening van belastingstelsels en het meer activerend maken van de sociale zekerheidsstelsels om zowel de vraag naar, als het aanbod van arbeid daadwerkelijk te stimuleren. Daarnaast benadrukte hij het belang van het doorvoeren van structurele hervormingen ook buiten de arbeidsmarkt, in lijn met de hervormingsagenda die is geformuleerd in het kader van de Europa 2020 strategie.

In hun interventies onderstreepten vrijwel alle lidstaten het belang van het hervormen van belasting- en uitkeringsstelsels om meer mensen aan het werk te krijgen. Lidstaten noemden hierbij als mogelijkheden het verlagen van de werkgeverslasten, het introduceren of verhogen van de arbeidskorting, het meer activerend maken van de sociale zekerheid en het invoeren of verhogen van (al dan niet tijdelijke) loonkostensubsidies voor groepen met een zwakke positie op de arbeidsmarkt. Meerdere delegaties tekenden aan dat budgettaire krapte investeringen in dit type beleid belemmeren en dwingen extra kritisch te kijken naar de portefeuille aan actief arbeidsmarkt beleid. Een verdere hoofdlijn in ook deze workshop was de rol die lidstaten toekennen aan de mogelijkheid van zelfstandig ondernemerschap als een middel voor jongeren en laaggeschoolden om economische zelfstandigheid te verwerven. Ook bepleitte een aantal delegaties een apart beleid voor de markt van persoonlijke dienstverlening als een mogelijkheid om banen te creëren aan juist de onderkant van de arbeidsmarkt. Veel delegaties gaven aan bij hun nationale initiatieven om kwetsbare groepen in te schakelen in het arbeidsproces, gebruik te maken van het Europees Sociaal Fonds.

Nederland benadrukte dat de rol van de overheid bij het scheppen van banen primair ligt in het creëren van de juiste randvoorwaarden waarbinnen de private sector kan floreren en tot het scheppen van banen kan komen. Elementen die bij dit voorwaardenscheppend beleid van belang zijn betreffen onder meer een onderwijsbeleid dat studenten aanspoort hun talenten te ontwikkelen en te kiezen voor sectoren met gunstige baanperspectieven; een mededingingsbeleid dat producenten ertoe aanzet om de concurrentie op de wereldmarkten aan te gaan; een activerende sociale zekerheid die mensen zonder baan snel terug- of doorgeleidt naar de arbeidsmarkt en het creëren van een vruchtbaar ondernemingsklimaat waarbinnen het MKB zijn rol als «banenmotor» kan spelen.