Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201121501-31 nr. 232

21 501-31 Raad voor de Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken

Nr. 232 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 10 januari 2011

U treft hierbij de geannoteerde agenda aan voor de Informele Raad van 17 en 18 januari a.s. in Gödöllö (Hongarije).

Het Hongaars Voorzitterschap heeft voorgesteld om tijdens de Informele Raad over een tweetal actuele onderwerpen te spreken, namelijk jeugdwerkloosheid en het scheppen van banen.

Tevens is een werklunch voorzien over het verminderen van regionale verschillen op de arbeidsmarkt.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

H. G. J. Kamp

Geannoteerde agenda

Informele Raad voor Werkgelegenheid en Sociaal Beleid d.d. 17 en 18 januari 2011

Op 17 en 18 januari a.s. vindt de informele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid plaats in het Hongaarse Gödöllö. Het Hongaarse voorzitterschap heeft voorgesteld om tijdens deze bijeenkomst te spreken over jeugdwerkloosheid en het creëren van meer en betere banen. Ook zal tijdens een werklunch het thema ter sprake komen van het verminderen van regionale arbeidsmarkt-verschillen.

Onderwerpen van discussie

De nadruk van deze informele Raad ligt op het leren van elkaar. Bij jeugdwerkloosheid draait het dan vooral om de vraag wat de belangrijkste knelpunten zijn voor jongeren op de arbeidsmarkt en welke aanpakken succesvol gebleken zijn om de jeugdwerkloosheid terug te dringen. Ook het voorgestelde raamwerk voor jeugdwerkloosheid en aangekondigde acties in het kerninitiatief «Jeugd in beweging» komen aan de orde.

Het onderwerp «meer en betere banen» is ingegeven door de vraag hoe ervoor te zorgen dat de weg uit de crisis gepaard gaat met het creëren van meer en betere banen. Dit ook nog eens in een periode waarin lidstaten fors moeten bezuinigen. Belangrijk is voorts dat de banengroei niet alleen bestaat uit banen voor hoogopgeleiden, maar ook voor laagopgeleide werknemers. Laagopgeleiden zijn immers juist – net als jongeren – relatief zwaar getroffen door de economische crisis.

De vraag die in het lunchonderwerp aan de orde komt is hoe werkgelegenheidsbeleid de kansen kan vergroten van achterblijvende regio’s. Het Hongaarse voorzitterschap is ook benieuwd of de crisis de regionale verschillen in lidstaten heeft vergroot en of lidstaten toekomstige ontwikkelingen zien waardoor regionale verschillen zullen toenemen.

Jeugdwerkloosheid

De crisis heeft grote nadelige gevolgen gehad voor de jongeren die de arbeidsmarkt op kwamen. Hoewel de arbeidsmarktpositie van Europese jongeren langzaam verbetert, zijn er nog steeds 5 mln jongeren werkloos in Europa (ver boven het niveau van voor de crisis). De transitie van school naar werk hangt voornamelijk af van individuele eigenschappen. Toch zijn er een aantal knelpunten waar alle lidstaten in meer of mindere mate tegen aan lopen.

Allereerst blijft het opleidingsniveau van een groep jongeren achter. Hoewel er het algemene opleidingsniveau stijgt zijn er nog steeds te veel jongeren zonder de juiste kennis en vaardigheden. Deze jongeren lopen het risico op permanente uitsluiting.

Een andere knelpunt is dat veel jongeren op flexibele contractvormen werken. Dit betekent dat jongeren een grotere kans hebben op een kwalitatief mindere baan waarbij ze minder verdienen en minder bescherming genieten. De Commissie pleit voor het introduceren van minimumjeugdlonen en het verlagen van arbeidskosten voor jongeren op een vast contract. In «Jeugd in beweging» wordt aan de lidstaten in gesegmenteerde arbeidsmarkten gevraagd een «enkel contract» voor onbepaalde tijd in te voeren die een geleidelijke toename van bescherming biedt en toegang tot opleiding en loopbaanbegeleiding.

Zelfstandigheid biedt jongeren een goede mogelijkheid hun vaardigheden te benutten en hun eigen baan vorm te geven. Het voorzitterschap geeft aan dat de belangstelling van jongeren voor het zelfstandig ondernemerschap moet worden aangemoedigd en dat jongeren meer mogelijkheden moeten worden geboden om ondernemerservaring op te doen. Daartoe moeten zij ondersteuning en begeleiding bij het starten van een onderneming krijgen.

Zoals Nederland ook heeft aangegeven in het fiche over het kerninitiatief «Jeugd in beweging» onderkent Nederland het belang van het fit maken en houden van jongeren voor een goed functionerende arbeidsmarkt. Voor Nederland is in dit opzicht de in 2009 ingevoerde wet Investeren in Jongeren (WiJ) van belang. Nederland heeft daarmee een extra maatregel in handen om werkloze jongeren garantie te bieden op adequate begeleiding en ondersteuning op weg naar de arbeidsmarkt of terug naar onderwijs. Gemeenten zijn verplicht iedere jongere die zich meldt een aanbod voor ondersteuning te doen. Jongeren blijven daarbij aanspraak maken op financiële ondersteuning van de gemeente. Daartegenover staat dat zij moeten meewerken aan hun reïntegratieproces.

Met betrekking tot het knelpunt dat jongeren veelal op flexibele arbeidscontracten werken kan Nederland erop wijzen dat het opeenvolgend gebruik van tijdelijke contracten in Nederland reeds is beperkt als gevolg van Richtlijn 1999/70/EG en de daarbij behorende raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Ook voor jongeren geldt daardoor een maximaal aantal en een maximale totale duur van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Het gevaar van een gesegmenteerde arbeidsmarkt, waar de Commissie op wijst, is daardoor beperkt. Voorts geldt in Nederland dat de werkgever geen onderscheid mag maken tussen werknemers in de arbeidsvoorwaarden op grond van het al dan niet tijdelijke karakter van de arbeidsovereenkomst, tenzij een dergelijk onderscheid objectief gerechtvaardigd is.

Nederland is ook van mening dat ondernemerschap ook voor de doelgroep jongeren uitkomst kan bieden. Daarom staat ook voor hen het instrumentarium dat ingezet wordt bij het stimuleren van ondernemerschap en microfinanciering ter beschikking. Nederland steunt de ambitie dat jongeren die een onderneming willen starten, ondersteund worden bij het opstellen van een ondernemingsplan en toegang krijgen tot startkapitaal/microkrediet en coaching. Een element waar Nederland op zou willen wijzen, is het belang van een adequate toetsing van ondernemingsplannen. Niet alle jongeren zijn namelijk geschikt voor het zelfstandig ondernemerschap.

Meer en betere banen

Nederland vindt het goed dat er aandacht gevraagd wordt voor werkgelegenheid. Als gevolg van de economische crisis is in veel EU-lidstaten de werkloosheid sterk opgelopen en is er dringend behoefte aan meer werkgelegenheid. Hierbij staat voor het kabinet voorop dat nieuwe werkgelegenheid primair een resultante is van economische groei.

Overigens heeft de Nederlandse arbeidsmarkt, mede door maatregelen als de deeltijd-WW, de crisis relatief goed doorstaan. Het aantal banen neemt weer toe, al is het nog niet weer op het niveau van voor de inzet van de krimp van werkgelegenheid. In Nederland is de groei van de werkgelegenheid vooral te verklaren door de groei van de werkgelegenheid in de niet-commerciële dienstverlening (met name de zorg). Maar ook de uitzendsector draagt op dit moment sterk bij aan de banengroei.

Een belangrijke factor in het creëren van betere banen is gelegen in een goede afstemming van vraag en aanbod waarvoor betrouwbare voorspellingen van de vraag naar arbeid belangrijk zijn: sector, beroepsniveau en vaardigheden. In het verlengde is een goede aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt noodzakelijk. Het kabinet onderkent dit en tracht waar mogelijk de oriëntatie in het onderwijs op ondernemerschap en arbeidsmarkt te versterken door samenwerking met het bedrijfsleven.

De notie van het Voorzitterschap dat de groei van de werkgelegenheid ook ten goede moet komen aan laagopgeleide werknemers sluit aan bij het standpunt van het kabinet dat iedereen – naar vermogen – participeert op de arbeidsmarkt. Een van de maatregelen die Nederland daartoe invoert is de hervorming aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Er zal één regeling komen die de WWB, Wajong en WSW hervormt. Hierdoor zal de prikkel om mensen aan het werk te helpen vergroot worden.

Regionale verschillen

Het door het Voorzitterschap gekozen onderwerp voor het lunchdebat betreft de regionale verschillen op de arbeidsmarkt. Nederland kent regionale verschillen op de arbeidsmarkt, al zijn deze kleiner dan in vele andere EU-lidstaten. Over het algemeen kan gezegd worden dat de arbeidsmarkt in Noord- en Zuid-Nederland het minder goed doet dan in de overige delen.

Met betrekking tot dit vraagstuk spelen een aantal zaken. Zo zijn regio’s verschillend geraakt door de crisis. De oorzaak daarvoor is dat sommige sectoren een sterke dynamiek kennen. Elke sector kent een individueel recessiepatroon. Hiermee moet rekening worden gehouden als we kijken naar regionale verschillen in arbeidsmarktreactie. Zo bleken bepaalde sectoren resistent tegen de crisis, zoals de zorg, overheid en niet-commerciële diensten. Bouw en industrie zijn door de crisis relatief hard geraakt. Regio’s die relatief veel werkgelegenheid in de sectoren industrie en bouw hebben, zijn daardoor relatief hard geraakt door de crisis.

Daarbij komt dat de structuur van de economie de komende jaren – onder invloed van internationale concurrentie – gaat veranderen. De komende jaren komen er naar verwachting vooral banen bij in het uitzendwezen, zakelijke dienstverlening, zorg, ICT en welzijn. Daarentegen zullen er naar verwachting banen verdwijnen in de financiële dienstverlening, industrie en bouw. Een regionaal arbeidsmarktbeleid is volgens Nederland daarom noodzakelijk vanwege de (grote) regionale verschillen met betrekking tot de arbeidsmarkt.

De vergrijzing zal naar verwachting de verschillen op de regionale arbeidsmarkten vergroten. Regio’s verschillen namelijk sterk in de mate van vergrijzing, bevolkingsgroei of krimp, aandeel zorg in de regionale werkgelegenheid en het animo voor zorgonderwijs. Hierdoor hebben regio’s verschillende behoeften op de arbeidsmarkt. In eerste instantie ligt daarom de verantwoordelijkheid voor de vormgeving van het regionale arbeidsmarkt beleid op regionaal niveau. In het kader van vergrijzing en de daarmee gepaard gaande stijgende vraag naar zorg, steunt het kabinet initiatieven die zich richten op het voeren van een samenhangend arbeidsmarktbeleid.