21 501-30 Raad voor Concurrentievermogen

Nr. 696 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 mei 2026

Op 28 en 29 mei 2026 organiseert het Cypriotisch voorzitterschap een Raad voor Concurrentievermogen over de onderdelen 1) industrie en interne markt en, 2) onderzoek en innovatie en 3) ruimtevaart. Met deze brief stuur ik u de geannoteerde agenda met daarin een beschrijving van de discussiepunten en de Nederlandse inzet. Het onderdeel onderzoek en innovatie stuur ik mede-namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Verder wil ik uw Kamer informeren over het non-paper dat Nederland samen met België, Luxemburg en het secretariaat-generaal van de Benelux heeft opgesteld ter beïnvloeding van het aangekondigde EU Skills Portability Initiative. De dienstensector vertegenwoordigt een aanzienlijk deel van de Europese interne markt, waarop voor bedrijven en beroepsbeoefenaars nog veel winst te behalen valt. In het najaar van 2026 verwacht de Europese Commissie in dat verband langs drie actielijnen te komen met (wets)voorstellen, die gaan over vaardigheden en gereglementeerde beroepen. Dit zijn: 1) verdergaande digitalisering en transparantie van vaardigheden; 2) modernisering van de erkenning van gereglementeerde beroepen; en 3) vereenvoudiging van de erkenning van kwalificaties en vaardigheden voor derdelanders. De uitgangspunten van het non-paper sluiten aan bij de conclusies van de Letta-, Draghi- en Wennink-rapporten, het Benelux-jaarplan en het coalitieakkoord, met oog voor zowel economische belangen als niet-economische, publieke belangen.

Het Skills Portability Initiative draagt ertoe bij dat het vrij verkeer van personen en diensten op de interne markt wordt bevorderd. Het kabinet zal in Brussel benadrukken dat het voor het concurrentievermogen belangrijk is om te zorgen dat: 1) beroepsbeoefenaars verworven vaardigheden ook in andere EU-landen kunnen inzetten; 2) erkenningsprocedures voor gereglementeerde beroepen efficiënter kunnen verlopen; 3) de EU-inzet op beroepskwalificaties van zogeheten derdelanders goed aansluit op behoefte in de lidstaten. In het non-paper wordt opgeroepen om in de Commissievoorstellen rekening te houden met de nationale bevoegdheden rondom arbeidstoelating en de complexiteit van de huidige erkenningssituatie, waarin onderling vertrouwen centraal staat en interoperabiliteit met bestaande initiatieven van belang is.

Via deze weg informeer ik u ook over het European Product Act non-paper. Nederland zal, samen met Finland, Portugal en Zweden, dit paper tijdens de Raad onder de aandacht brengen. De Europese Commissie presenteert in september 2026 een European Product Act (EPA). De EPA ziet op de herziening van horizontale productregelgeving die de veiligheid van producten waarborgen. Het bevat een herziening van i) de markttoezichtverordening, ii) de verordening conformiteitsbeoordeling, accreditatie en CE-markering, en iii) de normalisatieverordening. Nederland zet met het non-paper in op drie overkoepelende thema’s: modernisering van het wetgevend kader, digitalisering en verbetering van Europese samenwerking, en versterking van het gelijk speelveld. Centraal staat het verminderen van de regeldruk.

De Minister van Economische Zaken en Klimaat, H.G. Herbert

Inleiding

De Raad voor Concurrentievermogen (hierna: Raad) op 28 en 29 mei a.s. staat in het teken van twee onderdelen: 1) Interne markt & Industrie, 2) Onderzoek en Innovatie en 3) Ruimtevaart. Deze indeling wordt ook aangehouden in de geannoteerde agenda.

Interne Markt en Industrie (28 mei 2026)

Industrial Accelerator Act: hoe de toegang tot de interne markt het best kan worden benut door middel van Europese preferenties en koolstofarme maatregelen

(Beleidsdebat)

Toelichting agendapunt

Als onderdeel van de Clean Industrial Deal, heeft de Europese Commissie (hierna: de Commissie) afgelopen 4 maart de Industrial Accelerator Act (hierna: IAA) gepubliceerd. Met de IAA wil de Commissie de economische veiligheid, strategische autonomie en concurrentiekracht van de EU versterken door de schone industriële capaciteit te vergroten, in (strategische) sectoren te versnellen en de werking van de interne markt te verbeteren.

Nederlandse positie

Op 10 april heeft het kabinet uw kamer in het BNC-fiche geïnformeerd over de Nederlandse positie rond de gehele IAA.1 Tijdens het beleidsdebat bij de Raad zal de focus met name liggen op de maatregelen rond oorsprongscriteria en koolstofarme productnormen. Het kabinet ziet een grote rol voor koolstofarme productnormen om de transitie naar een schone industrie te stimuleren en vraagcreatie te bevorderen. Productnormen zijn non-discriminatoir en bevorderen het gelijke speelveld tussen alle producenten in een sector. Het kabinet denkt dat de huidige percentages voor productnormering niet hoog genoeg zijn om op de lange termijn significant impact te maken. Tijdens de Raad zal het kabinet de Commissie oproepen te kijken hoe per strategische sector transitiepaden naar schone en competitieve productieprocessen eruit kunnen zien en welke (gradueel toenemende) productnormen daar eventueel bij passen. Tot slot zal het kabinet de Commissie oproepen een duidelijke en eenduidige definitie van «koolstofarm» te presenteren, zodat in de gehele EU dezelfde standaard wordt gehanteerd.

Zoals in het BNC-fiche is weergegeven, is het kabinet terughoudend met de inzet van oorsprongscriteria. Hoewel het instrument gebruikt kan worden om de weerbaarheid van de Unie te versterken en strategische markten kan stimuleren, zou het instrument alleen moeten worden ingezet als lichtere instrumenten niet afdoende zijn en inzet proportioneel, tijdelijk en gericht is. Tot slot moet de inzet verenigbaar zijn met internationale juridische verplichtingen van de EU. Het kabinet weegt per geval zorgvuldig af of de kosten opwegen tegen de baten.

Krachtenveld

Het krachtenveld in de EU rond de IAA tekent zich momenteel nog af. Uit de lopende discussies blijkt met name dat nog onduidelijkheid bestaat rondom de reikwijdte en toepassing van sommige bepalingen in de IAA (bijvoorbeeld de definitie van «koolstofarm»). Hier zal het kabinet tijdens de Raad ook aandacht voor vragen, omdat het wil voorkomen dat de IAA tot onnodige regeldruk of moeilijk uitvoerbare maatregelen leidt. Rondom de toepassing van oorsprongscriteria is het krachtenveld duidelijker zichtbaar. Sommige lidstaten willen een ruimere toepassing van het principe, terwijl een andere groep lidstaten pleit voor voorzichtigheid in het gebruik van het principe vanwege de risico’s op regeldruk, innovatiepotentieel, investeringsklimaat en de relatie met gelijkgestemde handelspartners.

28ste regime

(Beleidsdebat)

Toelichting agendapunt

De Raad bespreekt het Commissievoorstel betreffende het vennootschapsrechtelijk kader van de 28ste regeling – «EU Inc.» (het 28ste regime). Dit is een optioneel vennootschapsrechtelijk regime voor ondernemingen binnen de EU, dat een nieuwe Europese rechtsvorm introduceert, de EU Inc., die naast bestaande nationale en internationale rechtsvormen zal bestaan. Met deze overal in de EU gelijke en herkenbare rechtsvorm, beoogt de Commissie het starten, opschalen en stoppen van ondernemingen in de EU beter te faciliteren en zo het concurrentievermogen van Europese bedrijven en de Europese economie te versterken. Het voorstel wordt momenteel behandeld op ambtelijk niveau in de Raadswerkgroep Ondernemingsrecht.

Nederlandse positie

Het kabinet is voorstander van de ontwikkeling van een 28ste regime dat daadwerkelijk tegemoetkomt aan de behoeften van belanghebbenden, zoals bedrijven en werknemers binnen de EU, en dat bijdraagt aan de versterking van de concurrentiepositie van bedrijven in de EU. Dit sluit aan bij de ambitie uit het coalitieakkoord om de interne markt te voltooien.

Een 28ste regime kan belangrijke economische kansen bieden, omdat het een alternatief biedt voor ondernemingen die nog steeds geconfronteerd worden met significante fragmentatie van nationale regelgeving binnen de interne markt. Het kabinet constateert dat ondernemingen in de EU te maken hebben met teveel administratieve lasten bij grensoverschrijdend ondernemen, waardoor het met name ook voor start- en scale-ups moeilijker is op te schalen in de EU en om financiering aan te trekken. Daardoor kunnen Europese bedrijven moeilijker concurreren met bedrijven buiten de EU.

Wel heeft het kabinet kritische vragen en zorgen bij het voorstel. Voor het kabinet is het van belang voor de effectiviteit van het voorstel dat de nieuwe rechtsvorm die wordt geïntroduceerd betrouwbaar is en rechtszekerheid biedt. Momenteel ontbreken de noodzakelijke waarborgen in het voorstel om misbruik, fraude en witwassen met de EU Inc. te voorkomen. Daarnaast heeft het kabinet kritische vragen over de keuze voor de rechtsgrondslag.

In lijn met de conclusies van de Europese Raad van 19 maart 2026 om uiterlijk eind 2026 een politiek akkoord met het Europees Parlement over het voorstel te bereiken, vindt het kabinet het belangrijk dat er snelheid wordt gemaakt in de onderhandelingen over het voorstel. Het kabinet zal de visie zoals uiteengezet in het BNC-fiche uitdragen in de Raad.

Krachtenveld

Onder de lidstaten is er brede steun voor de doelstelling en spoedige afronding van dit dossier. Daarbij worden in lijn met de Nederlandse zorgen in het voorlopige eerste commentaar door een significante groep lidstaten wel kritische vragen gesteld over het hoofdstuk over insolventierecht, de rechtsgrondslag (waaronder voor de fiscale elementen) en mogelijk misbruik door de EU Inc. en het risico op fraude.

Raadsconclusies duurzaam en competitief toerisme voor de toekomst

De raadconclusies «Building a sustainable and competitive tourism sector for the future» geven richting aan een toekomstbestendige en weerbare toerisme sector in Europa. Deze conclusies sluiten aan bij het Nederlandse toerisme beleid. Naar verwachting zullen alle lidstaten akkoord gaan met de conclusies.

Impact van de crisis in het Midden-Oosten op de toerismesector

(Beleidsdebat)

Toelichting agendapunt

Tijdens het debat zal gesproken worden over de effecten van de crisis van het Midden-Oosten op de toerismesector. Belangrijkste effecten zijn teruglopende boekingen, met name door stijgende brandstofprijzen en onzekerheid over beschikbaarheid van vluchten. Vliegtickets en toeslagen worden duurder, waardoor (intra-)Europese bestemmingen populairder worden. Reisondernemers en touroperators zien de winstmarges onder druk komen. Voor Nederland is het effect tot nu toe beperkt. Dit komt omdat Nederland verreweg de meeste toeristen uit eigen land of uit Duitsland ontvangt en die markten zijn voor nu stabiel. Samen met de reissector en het Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen blijft het kabinet de effecten monitoren.

Nederlandse positie

Nederland ziet op EU-niveau toevoegde waarde in informatie-uitwisseling en monitoring van de effecten van de crisis, zoals het delen van data en goede voorbeelden. Daarnaast is coördinatie belangrijk, met name op het gebied van connectiviteit en transportvraagstukken. Mochten er extra EU-maatregelen nodig zijn dan moeten deze proportioneel, gericht en uitvoerbaar zijn en niet zorgen voor onnodige administratieve lasten voor de sector.

Krachtenveld

Op dit moment is de rol van de EU vooral om te zorgen voor goede informatie-uitwisseling en monitoring. Er zijn enkele landen die graag zouden zien dat er extra ruimte voor staatsteun komt voor de toerisme sector of speciale crisismaatregelen voor de toerisme sector. Naar verwachting is hiervoor geen meerderheid in de Raad.

Kernuitdagingen: De Europese Chemische Industrie

(Lunchdebat)

Toelichting agendapunt

De Europese energie-intensieve industrie bevindt zich momenteel in een perfect storm: hoge energieprijzen en (oneerlijke) concurrentie uit derde landen, in combinatie met koolstofbeprijzing verzwakken de internationale concurrentiepositie met risico op sluitingen en verplaatsing van productie tot gevolg. Vooral de chemiesector wordt hier hard door geraakt.

Vorig jaar juli heeft de Commissie, onder de Clean Industrial Deal, haar actieplan voor de chemische industrie gepubliceerd.2 Hieruit is o.a. de Critical Chemicals Alliance ontstaan. Binnen deze alliantie wordt gewerkt aan gerichte adviezen voor oplossingen op Europees niveau. Tijdens het lunchdebat zal worden gesproken over de huidige situatie van de chemie-industrie.

Nederlandse positie

De chemiesector is voor Nederland een sector van groot strategisch en economisch belang. De sector heeft een centrale rol in tal van waardeketens, draagt bij aan verschillende strategische sectoren (van gezondheid tot defensie), is grondig verweven in de energie-infrastructuur en heeft een groot potentieel voor circulariteit en innovatie. Tegelijkertijd kent deze sector grote fossiele afhankelijkheid en is deze verantwoordelijk voor een groot deel van de industriële uitstoot in Nederland en de EU. Het is daarom de inzet van het kabinet om de industrie te verduurzamen als beste weg naar een sterke chemiesector die zorgt voor welvaart, weerbaarheid en open strategische autonomie.

Europees beleid speelt hierin een belangrijke rol. Alleen wanneer maatregelen, bijvoorbeeld vraagcreatie naar groene chemie, op Europees niveau worden genomen kan het interne gelijke speelveld adequaat worden bewaakt. Mede om deze reden is Nederland sterk vertegenwoordigd in de Europese Critical Chemical Alliance, o.a. als voorzitter van de werkgroep voor marktcreatie.

Krachtenveld

Er bestaat brede consensus, zowel bij de Commissie als onder de lidstaten, dat de chemiesector van strategisch belang is voor de EU en daarom adequaat moet worden ondersteund in de transitie. De mate waarin lidstaten het voortouw nemen bij de vormgeving van Europees beleid voor de sector hangt in belangrijke mate samen met de aanwezigheid van chemische industrie in de betreffende lidstaten. Naast Nederland zijn dat bijvoorbeeld Frankrijk, Duitsland en Italië. Tot op heden is er geen sprake van noemenswaardige tegenstand op dit dossier.

Onderzoek en innovatie (29 mei 2026)

Dit deel van de Geannoteerde Agenda is mede namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en gaat enkel over het onderzoeks- en innovatiedeel van de Raad.

Horizon Europe (2028–2034), het tiende kaderprogramma voor onderzoek en innovatie

(Aanname algemene oriëntatie)

Toelichting agendapunt

Het huidige kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (O&I), Horizon Europe, loopt tot en met 2027. Op 16 juli 2025 heeft de Europese Commissie een voorstel gedaan voor het volgende kaderprogramma, Horizon Europe (2028–2034).

Het Cypriotisch voorzitterschap wil in het onderhandelingsproces over dit voorstel de volgende stap zetten: een gedeeltelijke algemene oriëntatie (Partial General Approach). Dit is een politiek besluit, een Raadsakkoord, waarin de Raad een standpunt inneemt over een wetgevingsvoorstel over de gehele breedte van het Commissievoorstel over Horizon Europe (2028–2034). Onder de «Nederlandse positie» wordt verder ingegaan op de inhoud van het voorliggende beoogde Raadsakkoord.

In deze fase van het onderhandelingsproces betreft het echter een gedeeltelijk standpunt, omdat enkele elementen van het voorstel raken aan bredere onderhandelingen. Dit gaat onder andere over de budgetindicaties in de context van onderhandelingen over het meerjarig financieel kader (MFK) en de samenhang van het Horizonprogramma met andere Europese programma’s onder het MFK. Deze bredere onderhandelingen vinden separaat plaats en kunnen daarna verwerkt worden.

Op het moment van schrijven van deze Geannoteerde Agenda is nog niet duidelijk of er daadwerkelijk een gedeeltelijke algemene oriëntatie op de agenda van de Raad van 29 mei zal staan. Dit is afhankelijk van besluitvorming in Coreper op 20 mei. Mocht er in Coreper geen overeenstemming worden bereikt, dan zal het Cypriotisch voorzitterschap een voortgangsrapportage over het verloop van de onderhandelingen in de Raad presenteren.

Nederlandse positie

Uw Kamer is in september 2025 via het BNC-fiche geïnformeerd over de kabinetsappreciatie van het Commissievoorstel3 en in aanloop naar de Raad van 9 december 2025 over de voortgang onder het Deense voorzitterschap met betrekking tot het wetgevende pakket voor Horizon Europe.4 Tijdens de afgelopen Raden is via beleidsdebatten sturing gegeven op belangrijke deelonderwerpen zoals O&I voor dual-use, veiligheid en defensie, strategische prioriteiten en toekomstige Europese O&I-partnerschappen.

Zoals beschreven in het BNC-fiche is het kabinet in grote lijnen positief over het Commissievoorstel. Het Draghi-rapport heeft duidelijk gemaakt dat de versterking van het Europees concurrentievermogen essentieel voor de toekomst van de EU. Draghi geeft het belang aan van Horizon Europe voor het stimuleren van innovatie en concurrentievermogen in Europa. Het kabinet heeft in reactie op dit rapport benadrukt dat O&I de katalysatoren zijn voor productiviteit en welvaart. Ook zijn het Horizon Europe-programma en diens voorgangers van groot belang voor Nederland, gezien de succesvolle deelname van Nederlandse wetenschappers en innovators. Sinds het begin in 2021 hebben Nederlandse deelnemers al ongeveer € 1 miljard per jaar ontvangen uit het Horizon programma, wat neerkomt op een retour van 8,6%.5 Het aandeel dat Nederland ontvangt uit Horizon Europe, is bijna tweemaal zo hoog als het aandeel dat Nederland bijdraagt aan de Europese begroting.6 Daarnaast is zeker in de huidige geopolitieke context Europese samenwerking op O&I cruciaal om als Europa, en daarmee Nederland, te kunnen concurreren en samenwerken op het wereldtoneel.

Het voorstel zet de succesvolle instrumenten uit het huidige kaderprogramma voort, via een vergelijkbare pijlerstructuur, bestaande uit de vier pijlers; I) Excellente Wetenschap, II) Concurrentievermogen en Maatschappij, III) Innovatie en IV) Europese onderzoeksruimte. Toekenning van middelen zal wederom plaatsvinden op basis van de criteria «excellentie» en «impact». Het Europese kaderprogramma ondersteunt op een samenhangende en integrale wijze het hele spectrum van O&I: van fundamenteel onderzoek tot innovatie, commercialisatie en maatschappelijke impact en van nieuwsgierigheid-gedreven tot thematisch gestuurde O&I. Daarnaast steunt het kabinet de vereenvoudiging van het programma en verwelkomt het kabinet de verbinding met het nieuw voorgestelde Europese Concurrentievermogenfonds (ECF), zodat het gehele ontwikkeltraject zo goed mogelijk wordt ondersteund en resultaten niet onbenut blijven.

Het kabinet heeft in het BNC-fiche indertijd ook een aantal aandachtspunten benoemd welke verheldering of aanpassing vragen in het Commissievoorstel. Dit betreft onder meer de vormgeving van de voorgestelde samenhang met het ECF.

In het Raadsakkoord, voor zover deze op het moment van schrijven bekend is, zijn veel zorgen van Nederland weggenomen conform de inzet uit het BNC-fiche. Zo zijn de kennisveiligheidsvoorwaarden beter ingebed en staat niet meer opgenomen dat er uitsluitend met gestandaardiseerde salarisvergoedingen gewerkt gaat worden. Een aantal punten verdient echter nadere aandacht. De belangrijkste openstaande punten op dit moment betreffen de mechanismen voor strategische prioriteitsbepaling en de daarmee samenhangende aansturing tussen Horizon Europe en het ECF, de benodigde inzet om de O&I-prestaties en de deelname van alle lidstaten aan het programma te verbeteren («widening participation») en in hoeverre defensie-opschaling via het budget van Horizon Europe zou moeten worden gefinancierd.

De voortgang, in Coreper en de raadswerkgroep onderzoek, over de openstaande punten is bepalend of een deelakkoord tijdens de Raad van 29 mei haalbaar is. Nadat de belangrijkste politieke knelpunten zijn weggenomen, moet er ook op technisch niveau voldoende ruimte zijn om zaken goed te organiseren, zodat het programma goed uitvoerbaar blijft. Hoewel Nederland het voornemen van het voorzitterschap steunt om een gedeeltelijke algemene oriëntatie te bereiken, benadrukt Nederland tegelijkertijd dat kwaliteit voor snelheid dient te gaan.

Krachtenveld

Tijdens voorgaande Raden werd het nieuwe voorstel voor Horizon Europe (2028–2034) breed verwelkomd. Veel lidstaten hebben – net als Nederland – vanaf het begin aangegeven dat de samenhang tussen het ECF en Horizon Europe nog niet duidelijk is en nadere uitwerking verdient, onder andere ten aanzien van het maken van strategische thematische keuzes voor de O&I-inzet. Hier heeft de afgelopen weken pas voortgang op plaatsgevonden. Vanwege de, op het moment van schrijven, nog andere openstaande punten hebben de meeste lidstaten nog niet duidelijk aangegeven of ze akkoord kunnen gaan met een gedeeltelijke algemene oriëntatie op het wetgevende kader voor Horizon Europe.

Raadsaanbeveling voor een EU-raamwerk voor wetenschapsdiplomatie

(aanname Raadsaanbeveling)

Toelichting agendapunt

De Raad zal naar verwachting een raadsaanbeveling7 over een EU-raamwerk voor wetenschapsdiplomatie aannemen. Onder de term wetenschapsdiplomatie vallen de directe of indirecte inzet van wetenschap, wetenschappelijke resultaten en wetenschappelijke samenwerking als voeding voor en ondersteuning van het buitenlandbeleid («science in and for diplomacy») alsook de inzet van diplomatie ter ondersteuning en bevordering van internationale samenwerking en wetenschappelijke vooruitgang («diplomacy for science»).

Met deze aanbeveling beoogt de Commissie de lidstaten een basis te geven waarbij wordt samengewerkt om wetenschapsdiplomatie als instrument te benutten voor open en tegelijk veilige internationale samenwerking op het terrein van onderzoek, wetenschap en innovatie. De aanbeveling is mede ingegeven door de huidige geopolitieke ontwikkelingen, het feit dat buitenland- en veiligheidsbeleid en onderzoeks- wetenschaps- en innovatiebeleid een toenemende impact op elkaar hebben en het streven om internationaal open en veilig samen te werken op deze terreinen.

Nederlandse Positie

Nederland staat positief tegenover deze aanbeveling omdat het de lidstaten een basis biedt voor verdere samenwerking op dit onderwerp. Internationale samenwerking is essentieel voor onderzoek, wetenschap en innovatie en wetenschapsdiplomatie kan, zeker in het licht van de huidige geopolitieke ontwikkelingen, instrumenteel zijn aan een open en veilige internationale samenwerking. Nederland zet reeds in op wetenschapsdiplomatie, onder meer via de netwerken van attachés op het gebied van wetenschap, onderzoek en innovatie op een aantal ambassades wereldwijd, een kennisgezant bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de wetenschapsdiplomatie instrumenten van NWO.

Krachtenveld

Binnen de EU is er een brede consensus over de relevantie van Europese samenwerking op wetenschapsdiplomatie als instrument in open en veilige internationale samenwerking op het gebied van onderzoek, wetenschap en innovatie. In dat licht is er breed draagvlak voor deze Raadsaanbeveling.

Diversenpunt

Op de agenda staat een diversenpunt over het aanstaande Ierse EU-voorzitterschap. Ierland zal een toelichting geven op de prioriteiten van hun EU-voorzitterschap.

Ruimtevaart (29 mei 2026)

EU-wet op de ruimtevaart

(Voortgangsrapportage)

Toelichting agendapunt

De Raad bespreekt het voortgangsrapport over het voorstel voor de verordening over de veiligheid, weerbaarheid en duurzaamheid van ruimtevaartactiviteiten in de Unie (EU Space Act). Tijdens het beleidsdebat wordt de Raad gevraagd kennis te nemen van de voortgang van de onderhandelingen en richting te geven aan de verdere uitwerking van de verordening.

Nederlandse positie

Het kabinet steunt de doelstelling van de EU Space Act om veiligheid, weerbaarheid en duurzaamheid in de Europese ruimtevaartsector te versterken. Tegelijkertijd acht het kabinet het van belang dat het uiteindelijke kader juridisch uitvoerbaar en proportioneel blijft en goed aansluit op bestaande nationale, Europese en internationale kaders.

Het kabinet vraagt in het bijzonder aandacht voor governance en autorisatie. Onder de VN-ruimteverdragen blijven internationale verantwoordelijkheid, aansprakelijkheid, vergunningverlening en doorlopend toezicht primair bij lidstaten liggen. Het kabinet vindt het daarom essentieel dat nationale bevoegde autoriteiten hun verantwoordelijkheden effectief moeten kunnen blijven uitvoeren, zonder onnodige overlappende EU-procedures of dubbele verplichtingen.

Daarnaast pleit het kabinet voor een risico-gebaseerde en flexibele autorisatieprocedure, waarbij administratieve lasten voor overheden, bedrijven, mkb en kennisinstellingen beperkt blijven. Ook zet het kabinet zich in voor een adequate defensie-uitzondering die nationale competenties op het gebied van veiligheid waarborgt.

Krachtenveld

Een groot aantal lidstaten is kritisch op onderdelen van het voorstel en heeft zorgen over de reikwijdte, governance, administratieve lasten, proportionaliteit en uitvoerbaarheid van de verordening.

Ruimte voor economische veiligheid

(Gedachtewisseling)

Toelichting agendapunt

De Raad spreekt over de rol van ruimtevaart voor economische veiligheid en het versterken van het Europees concurrentievermogen. Naar verwachting zal de discussie ingaan op het belang van een sterke Europese ruimtevaartsector voor strategische autonomie, leveringszekerheid, innovatie en het verminderen van risicovolle strategische afhankelijkheden. Daarbij kan onder meer aandacht uitgaan naar kritieke technologieën, weerbare waardeketens, toegang tot de ruimte, dual-use toepassingen en het versterken van de Europese ruimtevaartindustrie.

Nederlandse positie

Het kabinet onderschrijft het belang van economische veiligheid en het gericht afbouwen van risicovolle strategische afhankelijkheden, met behoud van een open economie en een goed functionerende interne markt. Het kabinet ziet ruimtevaart als een strategisch domein en vitale infrastructuur, met grote maatschappelijke, economische en veiligheidsrelevantie.

Het kabinet steunt versterking van de Europese ruimtevaartsector, onder meer via innovatie, versterking van kritieke waardeketens, toegang tot de ruimte en een beter functionerende interne markt voor ruimtevaartdiensten. Daarbij acht het kabinet het van belang dat maatregelen proportioneel, risicogebaseerd en uitvoerbaar blijven, en goed aansluiten op bestaande nationale, Europese en internationale kaders. Ook benadrukt het kabinet het belang van een duidelijke rolverdeling tussen de Europese Commissie, ESA en lidstaten, het beschermen van sensitieve technologie en kennis, en het actief betrekken van bedrijfsleven en kennisinstellingen bij de verdere uitwerking.

Krachtenveld

Er bestaat brede steun onder lidstaten voor versterking van de Europese economische veiligheid en het verminderen van risicovolle strategische afhankelijkheden in kritieke waardeketens, waaronder in de ruimtevaartsector. Tegelijkertijd vragen verschillende lidstaten aandacht voor proportionaliteit, uitvoerbaarheid, governance en het behoud van een open economie en goed functionerende interne markt.

Diversenpunten

Het voorzitterschap zal een toelichting geven op het voorstel voor de verordening betreffende het EU Space Services Agency (EUSPA). Daarnaast zal de Ierse delegatie een toelichting geven over de prioriteiten van het aankomend voorzitterschap. Tot slot presenteert de Directeur-Generaal van de European Space Agency (ESA) de vooruitgang met het programma European Resilience from Space (ERS), over ruimtevaart voor weerbaarheid, veiligheid en crisismanagement.


X Noot
1

Kamerstuk II (2026D17202)

X Noot
2

BNC Fiche: Chemie Actieplan (Kamerstuk 22 112-4160), 12 september 2025.

X Noot
3

Kamerstuk 22 112, nr. 4154, BNC fiche Voorstel verordening Horizon Europe 2028–2034

X Noot
5

Nederland neemt hiermee de vierde plaats in van EU-lidstaten die de meeste middelen uit Horizon Europe ontvangen.

X Noot
7

Een raadsaanbeveling is niet juridisch bindend. Lidstaten kunnen er vanuit de eigen nationale kaders invulling aan geven.


X Noot
1

Kamerstuk II (2026D17202)

X Noot
2

BNC Fiche: Chemie Actieplan (Kamerstuk 22 112-4160), 12 september 2025.

X Noot
3

Kamerstuk 22 112, nr. 4154, BNC fiche Voorstel verordening Horizon Europe 2028–2034

X Noot
5

Nederland neemt hiermee de vierde plaats in van EU-lidstaten die de meeste middelen uit Horizon Europe ontvangen.

X Noot
7

Een raadsaanbeveling is niet juridisch bindend. Lidstaten kunnen er vanuit de eigen nationale kaders invulling aan geven.

Naar boven