21 501-30 Raad voor Concurrentievermogen

Nr. 318 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 14 oktober 2013

Hierbij bied ik u, mede namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het verslag aan van de Raad voor Concurrentievermogen van 26 en 27 september 2013. De Raad bestond uit een deel over interne markt en industrie (26 september), en een deel over onderzoek (27 september).

Tijdens het interne markt- en industriedeel debatteerde de Raad over de ondersteuning van het concurrentievermogen van het mkb in Europa, als bijdrage aan de voorbereiding van de Europese Raad van 24 en 25 oktober 2013. Verder wisselde de Raad van gedachten over industriebeleid, waarbij tevens werd ingegaan op de mededeling «naar een meer competitieve en efficiënte defensie- en veiligheidssector». Tijdens de lunch sprak de Raad over de concurrentieaspecten van energie- en klimaatbeleid.

Tijdens het onderzoeksdeel gaf de Commissie een toelichting op de stand van zaken van de onderhandelingen over de voorstellen voor publiek-publieke partnerschappen onder artikel 185 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) en de voorstellen voor de Joint Technology Initiatives (JTI) onder artikel 187 van het VWEU. Verder vond er een beleidsdebat plaats over de Innovatie Unie en de Europese Onderzoeksruimte (ERA).

Onder het punt diversen informeerde de Commissie de Raad op 26 september over het actieplan staalindustrie en het Commissievoorstel inzake het Europese Aardobservatieprogramma Copernicus, vroeg Tsjechië aandacht voor de herziening van de groepsvrijstellingsverordening (staatssteun) en vroeg Polen aandacht voor de herziening van de tabaksproductenrichtlijn. Op 27 september informeerde de Commissie de Raad over en publiek-private partnerschappen onder Horizon 2020 als belangrijk instrument voor innovatie en groei in Europa.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

INTERNE MARKT EN INDUSTRIE

Ondersteuning van concurrentievermogen van mkb in Europa: bijdrage aan voorbereiding van de Europese Raad van 24–25 oktober 2013

Namens het Litouws voorzitterschap benadrukte Minister Gustas het belang van versterking van het concurrentievermogen van het mkb, onder andere in het kader van de «Small Business Act» en de link met het Europees semester, regeldruk, diensten, en de digitale economie.

De Commissie verwelkomde bij monde van vicepresident Tajani de aandacht van de Raad voor Concurrentievermogen voor de reële economie. Vicepresident Tajani wees op de verloren banen sinds de economische crisis in 2008 en het belang van groei onder het mkb. Tajani memoreerde het vijfjarig bestaan van de Small Business Act als mooie kans om de ambities te verwezenlijken, ook door versterking van de governance-structuur van de Small Business Act en het beter benutten van het werk van de SME-envoys. Daarnaast wees ook Tajani op het potentieel van de digitale- en dienstensector en op het belang van verdere regeldrukvermindering. In dit licht riep hij lidstaten op ook nationaal een mkb-test in te voeren bij het opstellen van nieuwe regels.

Lidstaten onderstreepten aan aantal prioriteiten om het concurrentievermogen te versterken. Zo was er een breed gedragen wens om regeldruk verder te verminderen en om beter rekening te houden met de moeilijke positie van het mkb, waarbij de nadruk werd gelegd op het belang van een mkb-test en het «think small first»-principe. Een enkele lidstaat benadrukte, evenals Nederland, het belang om – breder dan administratieve lasten – te kijken naar de totale kosten van regelgeving voor bedrijven, de zogenaamde nalevingskosten.

Veel lidstaten wezen, net als Nederland, wederom op het belang van goede toegang tot financiering voor het mkb, en in het bijzonder op het belang van alternatieve (niet bancaire) financieringsbronnen om de teruggelopen kredietverlening aan het mkb te kunnen ondervangen. Een aantal lidstaten suggereerde in navolging van de Europese Raad van juni 2013 een Europees risicokapitaalfonds op te zetten. Ook werd gewezen op mogelijkheden om beter gebruik te maken van bestaande Europese instrumenten en middelen (structuurfondsen, COSME, Horizon 2020). Verschillende lidstaten riepen op tot een versimpeling en flexibilisering van de staatssteunregels, met name met het oog op toegang tot financiering voor het mkb. Hierbij werd tevens gerefereerd aan de lopende herziening van de «de minimis»-richtsnoeren.

Net als Nederland onderschreven vele lidstaten het grote belang van concrete stappen ten aanzien van de digitale interne markt, waarbij nadruk werd gelegd op het vergroten van het consumentenvertrouwen en daarmee e-commerce, alsook het stimuleren van clouddiensten, spoedige voortgang van de onderhandelingen over elektronische facturering, elektronische identificatie en verdere acties op het gebied van online betalingsdiensten. Daarnaast verzochten verschillende lidstaten om modernisering van het regelgevend kader voor auteursrechten.

Veel lidstaten riepen op tot meer ambitie op het terrein van de interne markt voor diensten. Ook wezen zij op de verantwoordelijkheid van lidstaten om de vele resterende belemmeringen weg te nemen. Nederland, samen met een aantal andere lidstaten, verzocht de Commissie richtsnoeren te presenteren die lidstaten helpen hun wet- en regelgeving te toetsen op proportionaliteit.

Ten aanzien van de rol van de Small Business Act in het Europees semester gaven verschillende lidstaten aan te willen waken voor nieuwe monitoringsstructuren binnen Europa 2020. Tevens werd het belang van flexibiliteit en het voorkomen van bureaucratie benadrukt. Veel lidstaten spraken zich uit voor het versterken van de rol van de SME-envoys, bijvoorbeeld door middel van een jaarlijkse rapportage aan de Raad voor Concurrentievermogen.

Het voorzitterschap concludeerde de input van de tafelronde te zullen weergeven in een brief aan de Europese Raad, met specifiek aandacht voor het grote belang en potentieel van diensten – inclusief een oproep aan de Commissie om een proportionaliteitstoets te presenteren, nadere acties om een digitale interne markt te verwezenlijken, nadere voorstellen om regeldruk te verminderen en impact assessments te verbeteren, alsook de noodzaak voor alternatieve financieringsbronnen en versterking van het SME-envoys-netwerk door reguliere rapportage aan de Raad voor Concurrentievermogen.

Industriebeleid

De Raad wisselde van gedachten over manieren om het concurrentievermogen van de industrie, en de defensiegerelateerde industrie in het bijzonder, te versterken. Namens het Litouws voorzitterschap gaf Minister Gustas aan de inbreng van de lidstaten mee te zullen nemen in het opstellen van concept raadsconclusies over industriebeleid voor de Raad voor Concurrentievermogen van december, met het oog op de Europese Raad van februari 2014 over industriebeleid. De specifieke punten ten aanzien van de defensie-industrie zullen worden meegenomen in een brief van het voorzitterschap aan de Europese Raad, met het oog op de Europese Raad in december die onder andere in het teken staat van de Europese defensie-industrie. Onder dit agendapunt werd tevens het diversenpunt actieplan staalindustrie meegenomen.

Vicepresident van de Commissie Tajani schetste mede op basis van het net verschenen Competitiveness Report1 van de Commissie een gemengd beeld over de Europese industrie. Enerzijds is sprake van herstel (o.a. export), anderzijds van verdere erosie van de industriële basis, een weer groeiend productiviteitsverschil met de VS, hoge energiekosten en uitdagingen op het gebied van infrastructuur. Tajani onderstreepte nog eens het ambitieuze doel van een industrieaandeel van 20 procent in het bbp van de EU in 2020 en riep op tot een «industriepact» voor groei en noemde de Commissieplannen rondom staal, defensie, auto's en scheepsbouw als voorbeelden om aan de ambitie invulling te geven. Daarbij gaat het om zaken als toegang tot financiering, markttoegang (inclusief handelspolitiek), innovatie, vaardigheden en het verminderen van regeldruk. Wat de defensie gerelateerde industrie betreft ging Tajani vooral in op de verschillen in standaarden die gehanteerd worden, het gebrek aan coördinatie in technologieontwikkeling en het versterken van synergie in beleid voor dual-use-goederen.

Lidstaten stonden ten algemene positief tegenover de Commissievoorstellen en benadrukten het belang van een integrale aanpak waarin aandacht is voor de gehele waardeketen en waarbij alle niveaus van overheden worden betrokken. Een aantal lidstaten benadrukte net als Nederland dat de EU zich vooral moet richten op horizontale aspecten waar zij toegevoegde waarde heeft, zoals een beter functionerende interne markt – inclusief een interne energiemarkt –, toegang tot internationale markten, vermindering van regeldruk, innovatie, toegang tot financiering, goed werkende energiemarkten, en toegang tot grondstoffen. Een aantal lidstaten omarmde expliciet de doelstelling van 20 procent industrieaandeel in het bbp van de EU, terwijl anderen, waaronder Nederland, aangaven een dergelijke doelstelling niet te steunen omdat deze voorbijgaat aan de eigen verantwoordelijkheid van bedrijven en het belang van de andere sectoren voor de economie. Diverse lidstaten, waaronder Nederland, noemden naast industrie het belang van de dienstensector en de interacties tussen die twee sectoren.

Veel lidstaten onderstreepten het belang om ook in de context van onder andere energie-, klimaatbeleid de impact op het concurrentievermogen centraal te stellen («competitiveness proofing»). Een aspect dat veelvuldig aan de orde kwam, was de impact van hoge energieprijzen op het concurrentievermogen van de industrie. Diverse lidstaten wezen in dit licht op de noodzaak om de links tussen de nationale energiemarkten binnen de EU te versterken. Net als in het debat in de ochtend over het concurrentievermogen van het mkb sprak een aantal lidstaten zorg uit over de herziening van de staatssteunregels, en werd de Commissie verzocht de Raad voor Concurrentievermogen nauw bij het proces te betrekken. Een enkele lidstaat noemde het belang van een actievere inzet van het handelsdefensief instrumentarium. Enkele lidstaten brachten specifieke aandachtspunten naar voren zoals het verminderen van invoerrestricties op het gebied van de biobased economy (o.a. ethanol) en de ontwikkeling van onconventioneel energie aanbod (o.a. schaliegas). Nederland vroeg aandacht voor de effecten van de door de Commissie gehanteerde correctiefactor voor het toewijzen van emissierechten binnen het Emmission Trade System (ETS).

Wat de defensie-industrie betreft ondersteunden de meeste lidstaten de commissievoorstellen, met name die rondom dual-use en standaardisatie. Nederland en een aantal andere lidstaten benadrukten het belang van toegang voor het mkb als toeleveranciers. Enkele lidstaten stonden afwijzend tegenover een zwaardere rol van de EU op defensiegebied, ook op het terrein van Europees defensie gerelateerd onderzoek. Een enkele lidstaat pleitte voor een striktere handhaving van de staatssteunregels voor de defensiegerelateerde industrie.

Vicepresident van de Commissie, Tajani, pleitte in zijn conclusie voor een ambitieuze boodschap vanuit de Raad voor Concurrentievermogen naar de Europese Raad, met aandacht voor de impact van beleid op het terrein van bijvoorbeeld klimaat en energie op het concurrentievermogen («competitiveness proofing»).

Lunchdiscussie Interne Markt en Industrie

De informele lunchdiscussie stond in het teken van concurrentieaspecten van energie en klimaat. Vicepresident van de Commissie Tajani gaf aan medio 2015 met een raamwerk te komen waarin de resultaten van de publieke consultatie worden meegenomen. Veel lidstaten uitten hun bezorgdheid over de implicaties van hoge energiekosten en de kosten van het klimaatbeleid voor het bedrijfsleven. Andere lidstaten gaven aan dat groen en concurrentievermogen goed samen gaan en dat schone industrie het doel moet zijn. Nederland benadrukte het belang van een goed functionerende interne energiemarkt voor het realiseren van concurrerende energieprijzen, energievoorzieningszekerheid en klimaatverandering. Tot slot wees Nederland op het belang van een concurrerende markt voor duurzame energie en innovaties op dit terrein.

ONDERZOEK

Publiekpublieke partnerschappen («Artikel 185-initiatieven»), Joint Technology Initiatives (JTI’s of «Artikel 187-initiatieven»), de Innovatie Unie en de Europese Onderzoeksruimte (ERA)

Namens het Litouwse voorzitterschap opende Minister Pavalkis de bijeenkomst. Hij sprak de wens uit dat de discussie een overzicht zou opleveren van de standpunten van de lidstaten over de Innovatie Unie en de Europese Onderzoeksruimte (ERA). Op basis daarvan zou hij dan een brief schrijven die als input kan dienen voor het debat over innovatie dat de Europese Raad op 24 en 25 oktober zal gaan houden. Voor de nog in ontwikkeling zijnde partnerschappen was geen discussieruimte voorzien.

Commissaris Geoghegan-Quinn en vicepresident Kroes lichtten de wetgevingsvoorstellen toe voor de vier Artikel 185-initiatieven en de vijf Joint Technology Initiatives (JTI’s), die binnen het nieuwe onderzoeks- en innovatieprogramma Horizon 2020 van start zullen gaan. Geoghegan-Quinn riep de lidstaten op om tijdig tot besluitvorming te komen. Bij de JTI’s benadrukte zij het positieve effect van deze initiatieven op de bereidheid van de industrie om meer te investeren in onderzoek en innovatie en onderstreepte zij het belang van transparantie en openheid binnen de programma’s. Vicepresident Kroes benadrukte de strategische aard van de programma’s, bijvoorbeeld bij het JTI ECSEL dat gewijd is aan nano-electronica en embedded systems. Zij hield ook een warm pleidooi voor het JTI AAL2 (Ambient Assisted Living), dat zich gaat bezighouden met ICT ten dienste van een vergrijzende samenleving. Ten slotte onderstreepte ze het belang van blijvende aandacht voor onderzoek en innovatie in Europa en wees in dit verband op een manifest dat onlangs is uitgebracht door de op haar initiatief opgerichte Startup Europe Leaders Club. Deze club bestaat uit jonge, zeer succesvolle en innovatieve ondernemers op het gebied van ICT.

Vervolgens leidde Commissaris Geoghegan-Quinn het agendapunt in over de Innovatie Unie en de ERA. De Commissie heeft een mededeling uitgebracht met daarin de stand van zaken van de Innovatie Unie in 2012. Daarnaast heeft zij een mededeling uitgebracht met daarin een voorstel voor een nieuwe innovatie-indicator, die moet meten hoe het met de innovatie-output van Europa en de lidstaten gesteld is. Ook is het eerste voortgangsrapport over de ontwikkeling van de ERA uitgekomen. Geoghegan-Quinn gaf aan dat de ontwikkeling van een Innovatie Unie op schema ligt. 80 procent van de in 2010 gedefinieerde doelstellingen zijn behaald. In dit verband waren vooral het bereiken van het unitair octrooi en het opstarten van de Europese Innovatiepartnerschappen (EIP’s) belangrijke resultaten. Het is nu zaak daarmee te voorkomen dat Europa de boot mist ten aanzien van nieuwe technologische mogelijkheden.

Geoghegan-Quinn ging vervolgens in op het voorstel voor de nieuwe Innovatie-indicator. Tijdens de Europese Raad van juni 2010, waarin de EU2020-strategie werd aangenomen, werd de Commissie gevraagd een tweede innovatie-indicator te ontwikkelen. Deze zou de innovatie-output moeten meten, en aanvullend zijn op de al bestaande inputindicator die investeringen in R&D meet als percentage van het bbp. De waarden voor de EU als geheel, de verschillende lidstaten en de belangrijkste concurrenten van de EU laten zien dat de EU als geheel niet slecht scoort, maar ook dat er grote verschillen zijn tussen de lidstaten, aldus Geoghegan-Quinn.

Ten slotte ging Commissaris Geoghegan-Quinn in op de voortgang van de ERA. Het voortgangsrapport laat volgens haar een gemengd beeld zien. Op het gebied van open access tot wetenschappelijke informatie en een aantal andere actielijnen zijn nog grote stappen te zetten. Om te kunnen zien in hoeverre er voldoende transnationale samenwerking is tussen onderzoeksfinanciers en er behoefte bestaat aan transnationale mobiliteit, zouden eigenlijk alle barrières verwijderd moeten worden die onderzoekers belemmeren voor hun werk naar een andere lidstaat te gaan. Als de lidstaten willen volhouden de ERA te willen realiseren zonder Europese wetgeving, is goede en transparante monitoring een absolute vereiste. Hiervoor is volledige medewerking van de lidstaten noodzakelijk. Wetgeving is nog steeds een optie, zo waarschuwde zij.

In het daarop volgende beleidsdebat gingen enkele lidstaten, waaronder Nederland, in op de in ontwikkeling zijnde Artikel 185-initiatieven en JTI’s. Het belang van deze initiatieven werd door alle lidstaten onderkend. Nederland benadrukte daarbij het belang van een meer gebalanceerde budgetverdeling tussen de JTI’s en de andere activiteiten binnen Horizon 2020 en een gebalanceerde verdeling van het budget voor verschillende thema’s binnen de JTI’s. Enkele andere lidstaten sloten zich hierbij aan.

De meeste lidstaten onderkenden de waarde van een nieuwe indicator voor het meten van innovatie. Nederland bracht in dat de nu ontwikkelde indicator complex is en vroeg aandacht voor het feit dat deze onvoldoende rekening houdt met onder andere de nationale verschillen in innovatie-output van verschillende sectoren. Deze mening werd door een belangrijk aantal lidstaten gedeeld. Zij vroegen de Commissie verder met de lidstaten in overleg te treden over het bijstellen van de indicator.

Unaniem waren de lidstaten het eens met het belang de doelen die zijn afgesproken in de Innovatie Unie te behalen en de ERA verder te ontwikkelen. De meeste lidstaten, waaronder Nederland, herhaalden dat de ERA in eerste instantie ontwikkeld moet worden door lidstaten zelf, en niet opgelegd moet worden via Europese wetgeving. Ook onderkenden alle lidstaten het belang van het op peil houden van de investeringen in onderzoek en ontwikkeling. Het belang van het streven naar onderzoek van de hoogste kwaliteit, onder andere door bij de toekenning van onderzoeksgelden vooral excellentie als criterium te gebruiken, werd breed gedeeld. De ERA moet vooral kaders en randvoorwaarden scheppen, waarin autonome instellingen en ondernemers datgene kunnen doen waarin ze goed zijn. Zo kan Europa de concurrentie met de rest van de wereld aan.

Commissaris Geoghegan-Quinn begon haar reactie na afloop van het debat met het uitspreken van de wens dat de besluitvorming over het nieuwe onderzoeks- en innovatieprogramma Horizon 2020 snel afgerond kan worden. Dan kunnen al in december dit jaar de eerste calls for proposal worden geopend. Zij meldde dat haar in het bijzonder de brede roep om openheid en transparantie voor de Artikel 185-initiatieven en de JTI’s was opgevallen. Zij hamerde ook nog eens op de noodzaak van medewerking van de lidstaten voor de monitoring van de ontwikkeling van de ERA. Zij sloot haar reactie af met het uitspreken van de hoop op een goede discussie over onderzoek en innovatie op de Europese Raad van oktober 2013

Namens het Voorzitterschap sloot Minister Pavalkis de discussie af. Hij gaf aan dat hij op basis van de discussie een brief op zal stellen die als input dient voor de Europese Raad. Belangrijkste punten daarin zijn: brede steun voor ERA, de noodzaak tot transparantie en openheid bij de toekenning van onderzoeksfinanciering en de kritische noten ten aanzien van de indicator voor het meten van innovatie-output.

Lunchdiscussie Onderzoek

Ter inleiding van de lunchdiscussie presenteerde Ann Mettler, die werkzaam is bij de Lisbon Council, een Brusselse denktank op het gebied van innovatie, de resultaten van een nieuwe studie. Zij vertelde dat innovatie goed is voor ongeveer 85 procent van de productiviteitsgroei, maar te smal gedefinieerd is. Ook wordt er te lineair gedacht over innovatie. Niet uit al het onderzoek komt innovatie voort. Er is veel onderzoek nodig, waarvan maar een deel vervolgens tot innovatie leidt. Goede randvoorwaarden voor ondernemerschap spelen een belangrijke rol. Tenslotte legde zij veel nadruk op de in haar ogen te grote aandacht voor grote bedrijven in het beleid. Innovatie komt immers vooral van kleine jonge bedrijven. De lidstaten waren het eens met de noodzaak kleine bedrijven en publieke instellingen met elkaar te verbinden om zo een optimaal ecosysteem voor innovatie te bereiken. Wat Mettler betreft zou Horizon 2020 in de toekomst ook bijgestuurd moeten worden als blijkt dat de gefinancierde activiteiten nog onvoldoende positieve impact hebben op innovatie bij kleine bedrijven. Innovatie moet integraal onderdeel zijn van economische plannen. Het realiseren van de interne markt is essentieel.

DIVERSEN

Actieplan staalindustrie

Dit diversenpunt is meegenomen in de brede discussie over het Europees industriebeleid.

Tabaksproducten

Polen vroeg aandacht voor de impact van de voorstellen voor tabaksproducten op het concurrentievermogen van bedrijven en kreeg bijval van enkele lidstaten. Veel andere lidstaten, waaronder Nederland, schaarden zich achter de algemene oriëntatie die is bereikt in de EPSCO-Raad op 21 juni jl., en benadrukten de gezondheidsaspecten in de positie van de Raad en het primaat van de EPSCO-Raad op dit dossier. Ook Commissaris Borg benadrukte het belang van de gezondheidsaspecten en wees op de kostenbesparingen die dit oplevert voor de maatschappij.

Staatssteun

Tsjechië vroeg aandacht voor de herziening van de algemene groepsvrijstellingsverordening, waarvoor de Commissie bevoegd is. Volgens Tsjechië bevatten de voorstellen elementen die indruisen tegen het doel van modernisering, vereenvoudiging en vermindering van regeldruk. Verschillende lidstaten spraken steun uit voor het zorgpunt van Tsjechië. Aan de orde kwamen mogelijke complicaties bij het gebruik van structuurfondsen en nationale steun en de invoering van een budgettaire drempel voor notificatie van steunmaatregelen boven de € 100 miljoen. Ook werden er zorgen geuit ten aanzien van de herziening van de verordening inzake de «de minimis steun», met name de uitbreiding van de definitie «onderneming in moeilijkheden», waardoor 30 tot 40 procent van het mkb zou kunnen worden uitgesloten van «de minimis steunverlening» alsook de verplichting tot registratie en rapportage van verleende de minimus steun.

Daarnaast werd aandacht gevraagd voor de door de Commissie voorgestelde publicatieverplichtingen van individuele steun begunstigden hetgeen niet in lijn is met de vertrouwelijkheid van belastinggegevens.

Copernicus

De Commissie riep bij monde van vicepresident Tajani de Raad op om voortgang te maken met besluitvorming over het Europese Aardobservatieprogramma Copernicus. Het voorzitterschap bevestigde haar plannen voor een tijdige besluitvorming op dit punt.

ITER

Dit punt is komen te vervallen door afwezigheid van Commissaris Oettinger.

Publiek-private partnerschappen onder Horizon 2020

Dit punt werd meegenomen in het beleidsdebat over de Artikel 185-initiatieven en JTI’s.

Naar boven