Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201221501-30 nr. 272

21 501-30 Raad voor Concurrentievermogen

Nr. 272 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 oktober 2011

Hierbij bied ik u, mede namens de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het verslag aan van de Raad voor Concurrentievermogen van 29 en 30 september jl. In de bijlagen treft u een nadere toelichting op het verslag aan.

Tijdens het interne markt- en industriedeel heeft de Raad van gedachten gewisseld over het Europese normalisatiebeleid en over een uniform systeem voor de beslechting van octrooigeschillen. Daarnaast heeft de Raad conclusies aangenomen over EU-industriebeleid in relatie tot resource efficiency. Ook heeft de Commissie een toelichting gegeven op haar groenboek over de modernisering van beroepskwalificaties.

Tijdens het onderzoeksdeel heeft de Raad een gemeenschappelijke aanpak bereikt over het Euratom 7e Kaderprogramma over de jaren 2012 en 2013. Daarnaast heeft de Raad een politiek akkoord bereikt over wijziging van de verordening voor oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming Brandstofcellen en Waterstof. Daarnaast heeft de Raad conclusies aangenomen over het Gezamenlijk programmeringsinitiatief «Meer Jaren, Betere Levens». Ook wisselde de Raad van gedachten over de Innovatie Unie en de Europese Innovatie Partnerschappen.

Onder het punt «diversen» informeerde Commissie en Voorzitterschap over de informele Raad voor Concurrentievermogen van 21 en 22 juli, de informele ministeriële bijeenkomst Toerisme van 5–7 oktober jl., het Single Market Forum van 3–4 oktober jl., het Interne Markt scoreboard, de voortgangsrapportage over de verlaging van administratieve lasten, het investering en groei-initiatief voor Griekenland, en een analyse van de lage deelname aan het Zevende Kaderprogramma.

De minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

M. J. M. Verhagen

VERSLAG VAN DE RAAD VOOR CONCURRENTIEVERMOGEN VAN 29 EN 30 SEPTEMBER

Europese normalisatie

De Raad wisselde van gedachten over het Europese normalisatiebeleid op basis van de mededeling van de Commissie van 1 juni jl. over «een strategische visie voor Europese normen» en een voorstel voor een verordening. Het voorzitterschap schetste het belang van normen voor handel binnen de EU en internationaal en de noodzaak het normalisatiesysteem van de EU te moderniseren. Het proces moet sneller en flexibeler kunnen inspelen op innovaties. Het voorzitterschap vroeg lidstaten tijdens de gedachtewisseling met name in te gaan op:

  • maatregelen die het normalisatieproces kunnen versnellen

  • het gebruik van ICT-normen die worden ontwikkeld door wereldwijde ICT-fora- en consortia bij overheidsaanbestedingen

  • EU-beleid en maatregelen die kunnen zorgen voor een betere betrokkenheid van het mkb en maatschappelijke belanghebbenden bij het proces.

De Commissie, bij monde van Commissaris Tajani, benadrukte het belang van modernisering van het proces voor de werking van de interne markt en voor het internationale concurrentievermogen. Europese normen worden steeds meer gebruikt in andere regio’s, zoals Latijns Amerika en Rusland. Normalisering is tevens goed voor de internationalisering van het mkb. Als concreet voorbeeld van een belangrijke standaard waar momenteel over gesproken wordt en waar men dicht bij een akkoord is, noemde de Commissie de standaard voor het opladen van elektrische auto’s.

Het belang van het versterken van de rol van Europese standaarden en modernisering van het proces werd breed gedeeld door de lidstaten. Lidstaten spraken zich uit voor een flexibeler model dat zich snel kan aanpassen aan veranderende omstandigheden. Een grote meerderheid van lidstaten, waaronder Nederland, benadrukte het belang om het normalisatieproces te versnellen, op voorwaarde dat dit niet ten koste gaat van de kwaliteit van normen. Maatregelen die werden genoemd om het proces te versnellen betroffen het stellen van duidelijke deadlines, prioritering en het opstellen van een meerjarenprogramma. Het belang van het gebruik van ICT-normen die zijn opgesteld door internationale fora en consortia werd breed gedeeld. Nederland en een aantal andere lidstaten merkte daarbij specifiek op dat deze normen wel aan bepaalde kwaliteitseisen moeten voldoen (marktgedreven, vrijwillig, op basis van consensus met alle belanghebbende partijen). Tot slot waren lidstaten unaniem van mening dat de betrokkenheid van belanghebbenden in het proces dient te worden versterkt. Veel lidstaten wezen hierbij in het bijzonder op versterking deelname van het mkb, onder andere door het gebruik van ICT (online consultaties, videoconferenties). Een aantal lidstaten, waaronder Nederland, wees er specifiek op dat de verantwoordelijkheid voor de deelname van belanghebbende partijen op nationaal niveau bij de nationale normalisatie-instanties en de belanghebbenden zelf ligt. Daarnaast sprak Nederland steun uit voor het voorstel van de Commissie om door middel van een review te bezien of Europese koepelorganisaties stemrecht moeten krijgen. Tot slot pleitte Nederland voor een betere toegang tot normen door de normen waarnaar in wetgeving dwingend wordt verwezen gratis ter beschikking te stellen.

EU-industriebeleid in relatie tot resource efficiency

De Commissie, bij monde van Commissaris Tajani, gaf een korte toelichting op het vlaggenschipinitiatief Resource Efficiency en benadrukte het belang dat over dit onderwerp in de Raad wordt gesproken. Het voorzitterschap wees er vervolgens op dat de mededeling die de Commissie recentelijk heeft uitgebracht over de Roadmap Resource Efficiency niet in de Raadsconclusies is verwerkt.

Alhoewel er geen debat was voorzien nam een aantal lidstaten het woord. Een aantal lidstaten prees de bespreking van dit onderwerp in deze raad en markeerde daarbij dat milieu- en klimaatbeleid niet tot onnodige kostenstijgingen voor het bedrijfsleven moeten leiden. Volgens die lidstaten moet worden voorkomen dat nieuwe wetgeving de EU minder concurrerend maakt ten opzichte van andere delen van de wereld en moet een gelijk speelveld in ogenschouw worden genomen. Een aantal lidstaten verbinden hieraan de noodzaak van goede impact assessments en een zogenaamde «competitiveness test» die de positieve en negatieve effecten van een voorstel moeten aangeven. De raad nam vervolgens de conclusies aan.

Uniforme octrooigeschillenbeslechting

De Raad wisselde van gedachten over de inrichting van een uniform systeem voor de beslechting van octrooigeschillen (octrooirechtspraak) in navolging van een informele discussie tijdens de lunch.

Het voorzitterschap koppelde terug uit de informele lunchbespreking en benadrukte dat het unitaire octrooi één van de belangrijkste prioriteiten is van het Pools voorzitterschap en een cruciaal element in de groeiagenda van de EU. De Raad heeft voor de zomer een akkoord bereikt over de octrooiverordening en de bijbehorende vertaalregeling. Het voorzitterschap gaf aan nauwe contacten te onderhouden met het Europees Parlement, dat medebeslissingsbevoegdheid heeft met betrekking tot de octrooiverordening. Intussen wordt in de Raad verder gewerkt aan de regeling voor een uniform systeem voor octrooigeschillenbeslechting. Op tafel ligt een voorstel voor de inrichting van een uniform octrooigerecht, met de volgende kenmerken: het toekomstig octrooigerecht wordt gesitueerd als een gerecht gemeenschappelijk aan de deelnemende lidstaten, in veel opzichten vergelijkbaar met het Beneluxgerecht; het octrooigerecht krijgt exclusieve rechtsmacht ten aanzien van Europese en unitaire octrooien; de EU en derde landen zijn uitgesloten van deelname. Het voorstel bevat garanties voor de naleving van EU-recht en de aansprakelijkheid van de deelnemende lidstaten voor het octrooigerecht, conform de eisen in het advies van het Hof van Justitie over dit onderwerp. De juridische dienst van de Raad bevestigde in een voorlopig oordeel dat het voorliggende ontwerp voor octrooigeschillenbeslechting verenigbaar is met de Verdragen en (met enkele aanpassingen) het acquis en recht doet aan het advies van het Hof van Justitie. Het voorzitterschap verzocht de Raad op dit punt om politieke sturing over de weg voorwaarts met het oog op een politiek akkoord over het octrooipakket voor het eind van het jaar.

Ook de Commissie, bij monde van Commissaris Barnier, benadrukte de hoge prioriteit die het dossier heeft. Commissievoorzitter Barroso gaf dit ook aan in zijn «State of the Union» voor het Europees Parlement. De Commissie gaf aan snel met voorstellen te zullen komen voor de benodigde aanpassingen/verduidelijking van de Brussel I Verordening.

Een grote meerderheid van de lidstaten, waaronder Nederland, sprak steun uit voor de juridische structuur van het uniform octrooigerecht, zoals neergelegd in het voorstel van het voorzitterschap. Een aantal lidstaten drong nog wel aan op een schriftelijk advies van de juridische dienst van de Raad. Een octrooigerecht gemeenschappelijk aan de lidstaten is de enige weg vooruit. Nu er overeenstemming bestaat over de juridische structuur van het octrooigerecht, kan verder worden gewerkt aan andere cruciale elementen, zoals de financiering van het octrooigerecht. Een aantal lidstaten wees daarbij op de conclusies van december 2009 over octrooigeschillenbeslechting die als basis dienen voor de verdere onderhandelingen. Veel lidstaten spraken de ambitie uit om snel tot een akkoord te komen.

Groenboek Modernisering richtlijn erkenning van beroepskwalificaties

De Commissie, bij monde van Commissaris Barnier, gaf een toelichting op de plannen om het systeem van erkenning van beroepskwalificaties te verbeteren, in navolging van de uitkomsten van de consultatie in het kader van het Groenboek beroepskwalificaties. De Commissie wil inzetten op meer automatische erkenning van beroepen (uitbreiding van het aantal beroepen die nu onder automatische erkenning vallen), betere uitwisseling van gegevens tussen autoriteiten en waar mogelijk minder regulering. Lidstaten kunnen ook al zelf beginnen met het terugdringen van het aantal gereglementeerde beroepen. De Commissie wees tevens op het belang van een elektronische beroepskaart en de inzet van IMI (Interne Markt Informatiesysteem) in dit kader om de erkenning van diploma’s soepeler te laten verlopen. De Commissie gaf aan nog dit jaar een wetgevend voorstel te zullen presenteren, via een «versnelde procedure» (een versnelde procedure binnen de Commissie met oproep aan de Raad en het Europees Parlement om snel voortgang te boeken).

Alhoewel er geen discussie was voorzien nam een aantal lidstaten, waaronder Nederland, het woord. Lidstaten reageerden positief op de plannen voor vereenvoudiging en modernisering van het systeem. Modernisering draagt bij aan het verbeteren van het vrij verkeer van diensten. Een aantal lidstaten, waaronder Nederland, vroeg aandacht voor de overregulering die er momenteel is, met zo’n 4 600 beroepen die gereguleerd zijn in de EU. Nederland riep daarbij op tot een forse reductie van het aantal gereglementeerde beroepen, wat zal leiden tot minder administratieve lasten, een flexibeler arbeidsmarkt en hogere economische groei. Nederland pleitte samen met een andere lidstaat voor een proportionaliteitstoets: een kritische evaluatie van alle gereglementeerde beroepen om per beroep te bezien of reglementering noodzakelijk en proportioneel is om het beoogde doel te bereiken. Een aantal lidstaten benadrukte dat tegelijkertijd de kwaliteit van beroepen niet mag verslechteren door het afschaffen van regulering. Een enkele lidstaat wees specifiek op het belang van kwaliteit in de zorgsector. Tot slot uitte een aantal lidstaten twijfel over het nut van een beroepskaart.

Euratom 7e Kaderprogramma over de jaren 2012 en 2013

Het voorzitterschap leidde kort de gemeenschappelijke aanpak in over de deelprogramma’s en de regels voor deelname voor de verlenging van het 7e kaderprogramma van Euratom. De programma’s zijn een uitwerking van het kader waarover in de Raad van juni jongstleden overeenstemming werd bereikt. Het voorzitterschap onderstreepte dat de financiering van de voorstellen weliswaar gerelateerd zijn aan de programma’s, maar dat deze geen onderdeel waren van de gemeenschappelijke aanpak.

De Commissie benadrukte het belang van het onderzoeksprogramma voor het kernsplijting- en stralingsbeschermingonderzoek als ook kernfusieonderzoek. De Commissie riep de lidstaten nogmaals op om zo spoedig mogelijk tot een akkoord te komen met het Europees Parlement over de financiering van het programma. Oostenrijk benadrukte dat de deelprogramma’s zoveel mogelijk in het teken diende te staan van stralingsbescherming en reactorveiligheid. Dit om afdoende lessen te kunnen leren van de gebeurtenissen in Fukushima. De voorliggende aanpak kwam hier aan tegemoet. Een paar lidstaten benadrukte het belang om zo spoedig mogelijk met het Europees Parlement tot overeenstemming te komen over de financiering van het programma.

De gemeenschappelijke aanpak werd vervolgens door de Raad aangenomen.

Wijziging van de verordening voor de oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming Brandstofcellen en Waterstof

Het voorzitterschap lichtte kort het voorstel toe om technische wijzigingen aan te brengen in de verordening uit 2008 voor de oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming Brandstofcellen en Waterstof.

Namens de Commissie gaf Commissaris Geoghegan-Quinn vervolgens een beknopt overzicht van de binnen de Gemeenschappelijke Onderneming behaalde resultaten. Zij zei hoge verwachtingen te hebben van brandstofcellen en waterstof, en verwacht dat tegen 2025 elektrische voertuigen een goed alternatief zullen zijn in het wegverkeer. Vervolgens meldde de Commissaris wat de aard was van de voorgestelde wijzigingen van de verordening. Het gaat hierbij vooral om wijzigingen die verduidelijken hoe de boekhouding van projecten uitgevoerd zou moeten worden, en om een verhoging van het maximale vergoedingspercentage voor bedrijven en kennisinstellingen die deelnemen in projecten. Voor de industrie lag dit percentage op 33 procent in plaats van 50 procent onder KP7 en voor het mkb en onderzoeksinstellingen op 50 procent in plaats van 75 procent in KP7. In het voorstel worden de percentages nu gelijkgetrokken, in de hoop de deelname op te krikken. Daarnaast krijgen nationale en regionale overheden de mogelijkheid aan de projecten bij te dragen. Dit alles gebeurt zonder extra totaalkosten: de kosten worden binnen dit programma opgevangen. Vervolgens werd politiek akkoord bereikt.

Gezamenlijk programmeringinitiatief «Meer Jaren, Betere Levens»

Het voorzitterschap benadrukte dat gezamenlijk programmeren een proces is, waarbij er meer coördinatie tot stand wordt gebracht rond nationale onderzoeksprogramma’s. Vervolgens schetste het voorzitterschap kort de voorgeschiedenis van het voorliggende initiatief, en benadrukte de goede voorbereiding en de aanwezige brede overeenstemming. Vervolgens gaf zij het woord aan.

De Commissie, bij monde van Commissaris Kroes, ging vooral in op het thema van vergrijzing. Zij wees op de toegenomen gemiddelde leeftijd van Europese werknemers en het groeiend aantal ouderen. Het voorliggende initiatief kon een belangrijke bijdrage leveren aan het oplossen van de uitdagingen die gepaard gaan met vergrijzing. Goede aansluiting met het gestarte Europese Innovatiepartnerschap «actief en gezond ouder worden» is van belang. Tenslotte verwees ze nog naar aanzienlijke investeringen in onderzoek op dit terrein in een van de lidstaten, waaruit volgens haar het belang van dit thema nog maar eens blijkt.

De conclusies werden vervolgens zonder discussie aangenomen.

Innovatie Unie en Europese Innovatie Partnerschappen

De Raad wisselde van gedachten over de verschillende partnerschappen op het terrein van onderzoek en innovatie. Het voorzitterschap haalde de conclusies van november 2011 aan waarin de Raad de Commissie verzocht het Europese Innovatiepartnerschap «actief en gezond ouder worden» (EIP AHA) verder uit te werken. In deze conclusies had de Raad onder andere aangegeven betrokken te willen worden bij de politieke besluitvorming voor de lancering van de partnerschappen en de Commissie verzocht op basis van dit proefinitiatief een evaluatie uit te voeren.

De Commissie, bij monde van Commissaris Geoghegan-Quinn, gaf een nadere toelichting op de recent uitgevoerde evaluatie van het EIP AHA. Zij kondigde verder aan het Strategisch Implementatieplan (SIP) van dit EIP in november van dit jaar te willen afronden, waarna zij begin 2012 het SIP in een mededeling wil presenteren. De Commissie benadrukte daarbij dat het EIP AHA volledig complementair aan bestaande instrumenten is en gaf aan dat het voor de aansturing van de innovatiepartnerschappen van belang is een goede balans te vinden tussen een goede representatieve vertegenwoordiging van alle stakeholders en de besluitvaardigheid. Tevens presenteerde de Commissie de mededeling over partnerschappen in onderzoek en innovatie. Het gaat hierbij zowel om publiek-publieke partnerschappen als publiek-private partnerschappen. Afhankelijk van de vorm van partnerschap maken naast veldpartijen ook de Europese Commissie en/of lidstaten deel uit van deze partnerschappen. De partnerschappen moeten ervoor zorgen dat in onderzoek en innovatie schaalvoordelen worden behaald en de reikwijdte van onderzoek vergroot wordt. Met effectieve partnerschappen wordt fragmentatie van onderzoek verminderd en duplicatie van onderzoek vermeden. Bestaande partnerschappen hebben bewezen dat dergelijke voordelen te behalen zijn op basis van gezamenlijke agenda’s en visies. Op het gebied van het bestuur, de implementatie en randvoorwaarden zijn echter nog flinke stappen te zetten, aldus de Commissaris.

Tijdens de discussie onderstreepten de meeste lidstaten, waaronder Nederland, dat zij de gedachte achter de Europese innovatiepartnerschappen ondersteunen. Veel lidstaten, waaronder Nederland, waren van mening dat er meer bewijs nodig is dat de EIP’s ook daadwerkelijk leiden tot een goed resultaat. De nu voorliggende evaluatie biedt op dat punt nog onvoldoende basis. Daarbij benadrukten de lidstaten dat de EIP’s een bijdrage moeten leveren aan de vermindering van fragmentatie en de bestrijding van duplicatie. Nederland heeft in het bijzonder onderstreept dat de EIP’s daadwerkelijk moeten leiden tot stroomlijning en een reductie van instrumenten. Het verband met andere initiatieven op dezelfde thema’s en met Horizon 2020 moet daarvoor verder worden verduidelijkt. Diverse lidstaten gaven aan het belangrijk te achten om de ervaringen van het huidige proefinitiatief mee te kunnen nemen voordat eventuele nieuwe EIP’s worden gelanceerd. Verder vroegen verschillende lidstaten aandacht voor een goede, flexibele, transparante wijze van bestuur van de EIP’s. Een goede en representatieve vertegenwoordiging van alle betrokken stakeholders is belangrijk. Tegelijkertijd moet de slagvaardigheid van het besluitvormingsproces niet uit het oog worden verloren. Tenslotte wezen diverse lidstaten, waaronder Nederland, op het belang van de betrokkenheid van private partijen, en in het bijzonder het mkb. Nederland heeft daarbij specifiek aandacht gevraagd voor publiekprivate partnerschappen (zoals de Joint Technology Initiatives Eniac en Artemis) waaraan naast de Commissie en bedrijven/kennisinstellingen ook lidstaten een bijdrage leveren. In deze constructie blijkt het in de praktijk complex om nationale procedures en beleid van lidstaten en de Commissie goed af te stemmen. Nederland vindt publiekprivate samenwerking zeer belangrijk, maar zou het toejuichen om bij nieuwe publiekprivate partnerschappen eerst te kijken naar de optie van publiekprivate samenwerking waaraan enkel de Commissie en bedrijven en kennisinstellingen een bijdrage leveren, zoals nu bijvoorbeeld het geval is bij het Joint Technology Initiative Clean Sky. Dit zorgt er tevens voor dat ook bedrijven en kennisinstellingen uit landen die dit soort onderzoek vooral via fiscale instrumenten willen bevorderen ook kunnen deelnemen.

Commissaris Geoghegan-Quinn gaf in reactie aan dat de EIP’s zouden moeten werken volgens een licht, doelgericht en praktisch model. EIP’s moeten fora worden die zich richten op concrete acties. Het is niet de bedoeling dat EIP’s een nieuw instrument worden. Het voorzitterschap concludeerde dat de Raad heeft kennisgenomen van de beoordeling van het pilot-EIP en dat diverse lidstaten nog terughoudend ten aanzien van het lanceren van nieuwe EIP’s staan.

Diversen

Scoreboard interne markt

De Commissie presenteerde het scoreboard interne markt. Met het scoreboard rapporteert de Commissie regulier over de omzetting, handhaving en toepassing van interne markt regelgeving. De Commissie gaf aan de opzet van het scoreboard te hebben verbreed door ook informatie uit SOLVIT en het Interne markt Informatiesysteem (IMI) te betrekken. De Commissie gaf aan dat veel zaken goed gaan in de lidstaten. Zo is het aantal richtlijnen, waarvan de implementatie met meer dan twee jaar is overschreden, gedaald. Ook is de extra tijd die nodig is om richtlijnen te implementeren en het aantal inbreukprocedures gerelateerd aan de interne markt gedaald. Er gaan echter ook zaken minder goed. Voor het eerst sinds 2007 haalt een groot deel van de lidstaten het streven van een omzettingstekort van maximaal 1% niet. Momenteel voldoen slechts 11 lidstaten hieraan. De prestatie van Nederland is iets verslechterd van een implementatietekort van 0,9% naar een implementatietekort van 1,3% in het eerste semester 2011. Uw Kamer wordt via het reguliere kwartaaloverzicht nader geïnformeerd over de stand van zaken in Nederland en de oorzaken van de implementatieachterstand.

Single Market Forum

Het voorzitterschap keek vooruit op het Single Market Forum dat heeft plaatsgevonden op 3 en 4 oktober jl. waar verschillende stakeholders bij aanwezig waren. Dit is een gezamenlijk initiatief van het voorzitterschap, de Commissie en het Europees Parlement.

Voortgangsrapportage administratieve lastenreductie

Het voorzitterschap en Commissie, bij monde van Commissaris Barnier, rapporteerden over de voortgang van het EU-programma administratieve lasten. Alhoewel er geen debat was voorzien nam een aantal lidstaten, waaronder Nederland, het woord. Deze lidstaten gaven aan dat vooral in deze tijden van crisis we het groei- en verdienvermogen moeten stimuleren. Efficiënte wet- en regelgeving zonder onnodige regeldruk is een belangrijke randvoorwaarde voor het Europese concurrentievermogen en de kwaliteit van het ondernemersklimaat in Europa. De lidstaten riepen de Commissie daarom op te komen met een ambitieus plan na 2012 en uit te zien naar conclusies in december over de werking van impact assessments.

Resultaten informele Raad voor Concurrentievermogen van 21–22 juli

Het voorzitterschap gaf een terugkoppeling over de informele Raad voor Concurrentievermogen van 21–22 juli jl. in Sopot, Polen. Uw Kamer is hierover separaat geïnformeerd.

Resultaten informele milieuraad van 11–12 juli

Het voorzitterschap gaf een terugkoppeling van de informele Milieuraad van 11–12 juli in Sopot, Polen. Uw Kamer is hierover separaat geïnformeerd.

Informele ministeriële bijeenkomst Toerisme

Het voorzitterschap maakte melding van de informele ministeriele bijeenkomst Toerisme die heeft plaatsgevonden op 6 oktober in Krakow. De bijeenkomst stond in het teken van het versterken van het concurrentievermogen van de Europese toerismesector. Uw Kamer zal hierover separaat worden geïnformeerd.

Investerings- en groei-initiatief Griekenland

Duitsland gaf een toelichting op het Duits-Griekse investerings- en groei-initiatief die de twee landen hebben uitgewerkt om investeringen in Griekenland aan te trekken en de economische groei te stimuleren (het zogenaamde 16-punten plan). Duitsland vroeg aandacht voor de lastige Griekse situatie en de zware maatregelen die moeten worden genomen. Duitsland biedt ondersteuning in de vorm van o.a. financiering aan Griekse ondernemers, verbetering van de administratie, technische assistentie via de Taskforce Griekenland van de Commissie bij het maken van wetgeving, privatisering van overheidsbedrijven. Daarnaast organiseert Duitsland een handelsmissie naar Griekenland en een conferentie over investeringsmogelijkheden in Griekenland. Duitsland riep andere lidstaten op hetzelfde te doen om zo gezamenlijk het groeivermogen van Griekenland te versterken.

Griekenland dankte Duitsland voor het initiatief en vroeg andere lidstaten om technische bestand om het concurrentievermogen te versterken. De Commissie, bij monde van Commissaris Barnier, wees op de Taskforce Griekenland die technische assistentie biedt aan Griekenland o.a. bij de opname en inzet van structuurfondsen en bij het doorvoeren van hervormingen. De Commissie riep lidstaten op hieraan deel te nemen.

Analyse over achterblijvende deelname in KP7

De Commissie gaf een presentatie over het onderzoek naar de achterblijvende deelname uit regio's aan het 7de Kaderprogramma voor Onderzoek en Technologische Ontwikkeling waartoe de Raad eerder had opgeroepen. Op 9 september jl. heeft de Commissie hierover een High Level bijeenkomst gehouden met deelnemers uit de lidstaten. De Commissie zal de resultaten uit die bijeenkomst meenemen in het voorstel voor Horizon 2020 (opvolger van het Zevende Kaderprogramma).