Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201121501-30 nr. 266

21 501-30 Raad voor Concurrentievermogen

Nr. 266 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 26 augustus 2011

Hierbij bied ik u, mede namens de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het verslag aan van de informele Raad voor Concurrentievermogen van 20 tot en met 22 juli in Sopot, Polen. Vanwege het informele karakter heeft een vrije gedachtenwisseling plaatsgevonden zonder besluitvorming

De bijeenkomst bestond uit een onderzoeksdeel en een deel over industrie. Tijdens het onderzoeksdeel is van gedachten gewisseld over de Europese programma’s voor onderzoek en innovatie. Het industriedeel heeft in het teken gestaan van het EU-industriebeleid.

De minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

M. J. M. Verhagen

Toekomstige programma’s voor onderzoek en innovatie

Het voorzitterschap, bij monde van ninister Barbara Kudrycka, benadrukte in een inleiding het belang van investeren in R&D voor het concurrentievermogen op de lange termijn. Dit mag volgens haar niet in de verdrukking komen door bezuinigingen. Zij benadrukte dat voor de versterking van het concurrentievermogen tegelijkertijd zowel fundamenteel als toegepast onderzoek en innovatie moeten plaatsvinden. Minister Kudrycka benadrukte eveneens het belang van een goede afstemming tussen het nieuwe Europese financieringsprogramma voor onderzoek en innovatie, genaamd Horizon 2020, en de Structuurfondsen. De discussie tijdens deze Raad wilde het Voorzitterschap met name richten op de achterblijvende deelname vanuit de regio’s en de deelname van het MKB.

De Commissie, bij monde van commissaris Máire Geoghegan-Quinn, verwees naar de recente presentatie van het Meerjaren Financieel Kader vanaf 2014 waarin de Commissie haar ideeën heeft uiteengezet over Horizon 2020. Zij legde de nadruk op het belang van vereenvoudiging, meer flexibiliteit en het samenbrengen van de programma’s voor onderzoek en technologische ontwikkeling met de programma’s voor innovatie. De goede elementen uit het huidige Zevende Kaderprogramma voor Onderzoek en Technologische Ontwikkeling (KP7) moeten hierbij behouden blijven. Voorbeelden hiervan zijn de instrumenten gericht op grensoverschrijdende onderzoekssamenwerking, de Europese Onderzoeksraad (ERC), de mobiliteitsbeurzen in het Marie Curie-programma en de ondersteuning voor risicokapitaal (Risk Sharing Finance Facility, RSFF). De Commissie stelt voor Horizon 2020 in te richten met drie hoofdonderdelen: excellent onderzoek, onderzoek/innovatie voor het aanpakken van maatschappelijke uitdagingen en onderzoek/innovatie ten behoeve van de concurrentiekracht van Europa en het Europese bedrijfsleven. Verder stelt de Commissie voor het Europees Instituut voor Innovatie en Technologie EIT uit te breiden. Ook zal er aandacht zijn voor sleuteltechnologieën zoals ICT en nanotechnologie, voor financiële instrumenten en voor ondersteuning van het MKB. De Commissie acht het van belang dat de efficiëntie van de bestedingen verbetert en dat er een bredere kring van deelnemers bereikt wordt. Het budget wordt – als het aan de Commissie ligt – met 46% verhoogd ten opzichte van KP7. Commissaris Geoghegan-Quinn benadrukte dat gebruik gemaakt moest worden van het onderzoeks- en innovatiepotentieel uit de gehele Europese Unie. Hiervoor is het met name van belang dat er meer samenhang komt tussen het onderzoeks- en innovatiebeleid en het cohesiebeleid. Zij benadrukte dat deze programma’s verschillende doelstellingen kennen die behouden moeten blijven. Op verzoek van de Raad voor Concurrentievermogen van mei jongstleden onderzoekt de Commissie de mogelijke redenen voor de achterblijvende deelname van deze regio’s. De Commissie zal dit najaar de resultaten van dit onderzoek presenteren. Eventuele maatregelen zal de Commissie opnemen in haar voorstel voor Horizon 2020, dat naar verwachting eind november wordt gepresenteerd.

Het voorzitterschap had de Hongaarse minister Zoltan Csévalvay en de Duitse minister Anette Schavan eveneens gevraagd een inleiding te geven. Minister Csévalvay onderstreepte het belang van investeringen in kennis en innovatie voor het versterken van het concurrentievermogen. Daarnaast wees hij met name op het belang van het tot stand komen van het unitair octrooi (EU-octrooi) en het versterken van de interne markt. Ook achtte hij een goede afstemming van Horizon 2020 met Eureka, in het bijzonder op het MKB gerichte Eurostars-programma, van belang. Tot slot onderstreepte hij het belang van het excellentiecriterium bij de selectie van projecten binnen Horizon 2020. Minister Schavan sloot zich hierbij aan en benadrukte op haar beurt het belang van een goede afstemming tussen de Structuurfondsen en Horizon 2020. Ze gaf aan dat de EU zich wat haar betreft meer op jonge generaties zal moeten richten, om zo talent tot ontplooiing te laten komen. Zij wees op de noodzaak voor het versterken van het innovatievermogen van het bedrijfsleven en de noodzaak van investeringen door ondernemingen in kennis.

Tijdens de discussie wezen veel lidstaten, waaronder Nederland, op het belang van het versterken van het concurrentievermogen door middel van het stimuleren van onderzoek en innovatie en benadrukten daarbij het relatief lage investeringsniveau binnen Europa in onderzoek en innovatie. Met name de investeringen van private partijen blijven achter. Daarnaast blijft Europa achter bij het omzetten van kennis in producten, diensten en productieprocessen. Daarom is het van belang de randvoorwaarden te verbeteren zoals de versterking van de interne markt, het verlagen van administratieve lasten, het makkelijker maken van toegang tot kapitaal en het bevorderen van de mobiliteit van onderzoekers tussen lidstaten en tussen bedrijfsleven en wetenschap. Nederland benadrukte tevens het belang van een integrale aanpak voor onderzoek en innovatie, en verwees hierbij naar het Nederlandse topsectorenbeleid. Veel lidstaten wezen op het belang van het verder werken aan de Europese Onderzoeksruimte (ERA). Er was consensus over dat excellentie het leidende principe moet blijven van Horizon 2020. Met name de Structuurfondsen moeten worden ingezet om de R&D-capaciteit in de achterblijvende regio’s te versterken. Dit kan bijvoorbeeld door deze te benutten voor het bouwen van onderzoeksinfrastructuur en voor het ondersteunen van regionale specialisatie. Net als Nederland wezen veel lidstaten op het verbeteren van de aansluiting tussen de Europese onderzoeks- en innovatieprogramma’s en de Structuurfondsen. Enkele lidstaten met een achterblijvende deelname aan KP7 vonden dat ook binnen de Europese programma’s voor onderzoek en innovatie gekeken moet worden naar manieren om meer gebruik te maken van de aanwezige excellentie in ondervertegenwoordigde regio’s. Die excellentie wordt volgens hen binnen de huidige programma’s voor onderzoek en innovatie niet altijd goed op waarde geschat. Alle lidstaten waren het erover eens dat het MKB meer betrokken moet worden bij de onderzoeks- en innovatieprogramma’s. Het MKB speelt een belangrijke rol bij het omzetten van kennis in producten, diensten en productieprocessen. Hiervoor is het onder andere van belang de toegang tot financiering te verbeteren, de regels voor deelname te vereenvoudigen, het aantal instrumenten terug te brengen en meer gebruik te maken van innovatief aanbesteden. Ook vonden diverse lidstaten het van belang dat de bestaande deelprogramma’s die zich specifiek richten op het MKB, zoals Eurostars, in het nieuwe onderzoeks- en innovatieprogramma worden voortgezet. Enkele lidstaten wezen expliciet op de noodzaak aandacht te blijven houden voor het gehele onderzoeks- en innovatiesysteem, van fundamenteel wetenschappelijk onderzoek via toegepast onderzoek tot demonstratieprojecten en het creëren van markten voor innovaties. Nederland onderschreef deze punten.

EU-industriebeleid

Het voorzitterschap, bij monde van minister Waldemar Pawlak, leidde de discussie in door het belang te onderstrepen van de versterking van het concurrentievermogen van de Europese industrie. Een effectief industriebeleid moet zich onder andere richten op de bijdrage van de industrie bij het oplossen van maatschappelijke uitdaging op het gebied van milieu en klimaat. Daarnaast achtte hij het van belang dat bij het opstellen van milieu- en klimaatregelgeving de effecten op de concurrentiepositie van de industrie wordt meegewogen. Ook de Poolse minister van Milieu, Andrzej Kraszewski, ging in op de samenhang tussen industrie en milieubeleid. Er moet efficiënter worden geproduceerd en grondstoffen dienen vaker te worden hergebruikt.

De Commissie, bij monde van commissaris Tajani, onderstreepte het belang van het op orde brengen van de overheidsfinanciën in combinatie met het versterken van het Europese concurrentievermogen. Voor het aangaan van de maatschappelijke uitdagingen legde de commissaris de nadruk op maatregelen die milieu- en klimaatuitdagingen combineren met het versterken van het concurrentievermogen van de Europese industrie. Hij verwees daarbij naar het recente voorstel voor het Meerjarig Financieel Kader vanaf 2014, waarin de Commissie heeft voorgesteld € 80 miljard te reserveren voor het versterken van onderzoek en innovatie. Het is met name van belang om ervoor te zorgen dat de kennis die Europa heeft om te zetten in producten en diensten, bijvoorbeeld door een betere toegang voor het MKB tot financiering. Ook is het van belang om de dienstensector te betrekken bij het Europese industriebeleid. Daarnaast verwees de commissaris naar het belang van goed onderwijs en de aansluiting daarvan op de industrie. In oktober van dit jaar zal de Commissie rapporten publiceren over het concurrentievermogen van de afzonderlijke lidstaten. Daarin zal worden ingegaan op dat wat de lidstaten al doen en wat nog te doen is om het concurrentievermogen te versterken. Hierbij zal worden gekeken naar innovatie, duurzame ontwikkeling, arbeidsomgeving en het MKB.

Ook de lidstaten onderstreepten het belang om tegen de achtergrond van de huidige economische crisis het concurrentievermogen te versterken. Vele lidstaten zagen daarbij het omzetten van kennis in producten en diensten als belangrijkste uitdaging. Ook Nederland onderstreepte dat en gaf als voorbeeld de aanpak die het op nationaal niveau gepresenteerd heeft voor de versterking van de topsectoren. Diverse lidstaten, waaronder Nederland, achtten het van belang dat de randvoorwaarden worden verbeterd om meer concurrerend te worden. Dit kan door bijvoorbeeld het versterken van de interne markt, het verlagen van administratieve lasten en het verbeteren van de toegang tot financiering. Vele lidstaten, waaronder Nederland, gaven daarbij aan dat het van belang is het aanpakken van milieu- en klimaatuitdagingen hand in hand te laten gaan met het versterken van het concurrentievermogen. Hiervoor dient onder andere meer gebruik te worden gemaakt van overheidsaanbestedingen voor het stimuleren van innovaties op dit gebied. Ook dient bedrijven zekerheid te worden geboden op lange termijn. Tenslotte wees onder andere Nederland op het belang van open markten voor de versterking van het concurrentievermogen.