Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201221501-20 nr. 599

21 501-20 Europese Raad

Nr. 599 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR IMMIGRATIE, INTEGRATIE EN ASIEL

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 21 december 2011

In de Europese Raad op 24 juni 2011 hebben de EU-lidstaten afgesproken dat eind 2011 elke lidstaat een Nationale strategie, dan wel een set algemene beleidsmaatregelen moet formuleren ter bevordering van de sociale inclusie van Roma. Daarbij is aangegeven dat deze maatregelen zich bij voorkeur dienen te richten op de thema’s onderwijs, werk, gezondheid en huisvesting.

In de bijlage bij deze brief treft u de Nederlandse bijdrage waarmee gevolg wordt gegeven aan deze afspraak.1 Bij de voorbereiding van deze notitie is er contact geweest met het Nederlands Instituut Sinti en Roma (NISR) en de Roma-gemeenschap. Met deze brief kom ik tegemoet aan de motie-Schouw (Kamerstukken II, 2010–2011, 21 501-20, nr. 538).

De Nederlandse bijdrage richt zich conform de afspraak in de Europese Raad op de vier thema’s onderwijs, werk, gezondheid en huisvesting die van belang zijn voor de integratie van Roma. Daarnaast vestigt Nederland ook de aandacht op criminaliteit, overlast en in het bijzonder op de uitbuiting van kinderen onder Roma, opdat dergelijk normoverschrijdend gedrag wordt aangepakt.

Een andere kwestie is dat er relatief veel multi-probleemgezinnen zijn binnen de Roma-gemeenschap die te kampen hebben met een groot aantal problemen zoals schoolverzuim door kinderen, afwezigheid van ouders vanwege veroordelingen, financiële problemen, schulden, psychische problemen, overbehuizing, illegaliteit etc. Precieze cijfers over de omvang van deze multi-problematiek zijn overigens niet bekend vanwege de afwezigheid van registratiesystemen op basis van etniciteit. Teneinde de kinderen te beschermen en te behoeden voor exploitatie is het programma «Aanpak uitbuiting (Roma) kinderen» opgezet. Deze aanpak is gericht op bestrijding van criminaliteit en handhaving en in het bijzonder op bestrijding van uitbuiting van Roma-kinderen door Roma. Het programma is gestart onder verantwoordelijkheid van de minister van Veiligheid en Justitie. De ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en voor Immigratie en Asiel zijn betrokken. Gemeenten, politie, rijk en andere organisaties die van belang zijn voor een sluitende ketenaanpak werken samen binnen dit programma. Daar waar van criminaliteit sprake is wordt deze aangepakt met een integrale aanpak. Handhaven, ontmoedigen en barrières opwerpen zijn daarbij kernbegrippen. Het programma «Aanpak uitbuiting (Roma) kinderen», kent ook een internationale dimensie. Doelstelling in dit kader is om de samenwerking tussen en met de EU-lidstaten op bovenstaande thema’s te bevorderen.

Met deze informatie over het programma «Aanpak uitbuiting (Roma) kinderen» voldoe ik aan de toezegging die de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid deed in het Algemeen Overleg met de Tweede Kamer over Europa van 15 juni 2011 om de Tweede Kamer te informeren over dit programma.

Ook zijn relevant de maatregelen van het kabinet om arbeidsmigratie uit de EU in goede banen te leiden. De minister van SZW heeft op 18 november uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van deze maatregelen. Een van de relevante maatregelen in dit verband is de terugkeer van EU-burgers die nog geen duurzaam verblijfsrecht hebben in Nederland zijn en niet (langer) voldoen aan de verblijfsvoorwaarden.

De gemeenten signaleren dat er (te) veel kinderen met een Roma-achtergrond school verzuimen. Met name in het primair onderwijs. Een groot deel van deze kinderen volgt ook geen vervolgonderwijs. Vooral meisjes worden door hun ouders van school gehaald, zodra zij 12/13 jaar worden. Tijdens het Algemeen Overleg d.d. 8 oktober 2009 over Roma problematiek hebben de voormalig minister van Wonen Wijken en Integratie en de voormalig staatssecretaris van Onderwijs Cultuur en Wetenschap daarom toegezegd dat zij elk € 0,3 miljoen ter beschikking zullen stellen om de schoolgang van Roma kinderen te bevorderen. Tevens is toen toegezegd dat uw Kamer geïnformeerd zou worden over de inzet van deze middelen.

De € 0,6 miljoen is toegekend aan de gemeenten waar de Roma problematiek het meest manifest is, de zogenaamde Roma-gemeenten. Deze gemeenten hebben zich in juni 2009 verenigd in het VNG-platform Roma-gemeenten om meer samen te werken aan de integratie van Roma in Nederland. Van de 12 platformgemeenten hebben 10 gemeenten een projectvoorstel ingediend. Dit zijn de gemeenten: Nieuwegein, ’s-Hertogenbosch, Enschede, Oldenzaal, Veldhoven, Utrecht, Capelle aan den IJssel, Ede, Sittard-Geleen en Lelystad. Deze projectvoorstellen zijn door de stuurgroep Roma gemeenten bestaand uit de voorzitter van het Platform Roma gemeenten, de Vereniging van Nederlandse gemeenten, het ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap, en het (toenmalige) ministerie van Wonen Wijken en Integratie, beoordeeld. De gemeenten zijn in het voorjaar 2010 van start gegaan met de projecten.

Mede namens de minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap bericht ik u met verwijzing naar het overleg op 8 oktober 2009 (TK 2009–2010, 32 123 XVIII, nr. 27) bij deze over de resultaten van de inzet op het bestrijden van schoolverzuim onder Roma.

De gemeenten hebben allen gewerkt aan het terugdringen van schoolverzuim onder Roma-kinderen. Iedere gemeente heeft op eigen wijze voor een specifieke doelgroep een aanpak opgesteld in het kader van het bevorderen van deelname aan onderwijs en op een afname van het verzuim. Een van de belangrijkste factoren hierbij is het vergroten van de betrokkenheid van de Roma bij onderwijs.

In oktober 2011 hebben de Platform Roma gemeenten een inhoudelijke eindrapportage ingediend. De resultaten die in de afzonderlijke rapportages beschreven worden zijn de resultaten van een jaar. In deze relatief korte periode zijn noemenswaardige tussenresultaten geboekt en zijn de contacten tussen de doelgroep en gemeenten, scholen en welzijnsorganisaties verbeterd. Het aantal Roma-dossiers dat in behandeling is bij de leerplicht ambtenaar is beduidend gestegen. Er wordt meer gemeld, meer gevolgd en consequenter opgetreden, waardoor de kans op schooluitval in de toekomst wordt verkleind. Veel gemeenten geven aan dat ondanks obstakels, twijfels en vragen het zinvol is om door te gaan op de ingeslagen weg en om aandacht te blijven houden voor de Roma-problematiek. De met deze projecten opgedane kennis en ervaring wordt door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten verspreid onder andere gemeenten met vergelijkbare vraagstukken, waardoor een basis is gelegd voor effectieve bestrijding van schoolverzuim onder Roma.

De minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

G. B. M. Leers


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.