21 501-20 Europese Raad

Nr. 1205 MOTIE VAN HET LID OMTZIGT C.S.

Voorgesteld 19 april 2017

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de Turkse regering beweert dat een nipte meerderheid van 51% van de Turkse bevolking zich op 16 april jl. in een referendum heeft uitgesproken voor een grondwetswijziging die een verregaande machtsuitbreiding voor de president inhoudt;

overwegende dat de Venetië-commissie op 10 maart 2017 heeft geoordeeld dat de wijzigingen in de Turkse Grondwet de scheiding der machten verstoren en de onafhankelijke rechtsstaat verzwakken;

overwegende dat volgens verkiezingswaarnemers van de OVSE voorafgaand aan het Turkse referendum sprake is geweest van een ongelijk speelveld, partijdige informatievoorziening, arrestaties van journalisten en obstructie van de nee-campagne, waardoor geen sluitend oordeel kan worden gegeven over de legitimiteit van de referendumuitslag;

overwegende dat de Turkse regering heeft besloten om de noodtoestand te verlengen, waardoor onderdelen van de rechtsstaat nog langer buiten werking blijven;

overwegende dat president Erdogan heeft aangekondigd een referendum over de invoering van de doodstraf te zullen aankondigen als het Turkse parlement daar niet zelf toe besluit, in het volle besef dat invoering hiervan strijdig is met het recht op leven;

spreekt zich ferm uit tegen de invoering van deze grondwetswijzigingen;

verzoekt de regering, er bij de Europese Commissie op aan te dringen op korte termijn het eerder aangekondigde herziene oordeel te presenteren over hoe de te verwachten grondwetswijzigingen en de praktische toepassing ervan zich verhouden tot de status van Turkije als kandidaat-lidstaat van de Europese Unie;

verzoekt de regering tevens, te beoordelen hoe de grondwetswijzigingen en de praktische toepassing ervan zich verhouden tot het lidmaatschap van de Raad van Europa,

en gaat over tot de orde van de dag.

Omtzigt

Ten Broeke

Van den Hul

Van Ojik

Voordewind

Naar boven