21 501-19
Volksgezondheidraad

nr. 30
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Rijswijk, 17 januari 1998

Hierbij bied ik u het verslag aan van de Raad van Ministers van Volksgezondheid van de Europese Unie dd. 4 december 1997.

Voor een toelichting op de inhoud van de in de Raad besproken agendapunten verwijs ik u naar mijn brief van 19 november jl. met de geannoteerde agenda van de Raad (21 501-19, nr. 24).

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

E. Borst-Eilers

Verslag van de Raad van Ministers van Volksgezondheid van de Europese Unie dd. 4 december 1997

Voorzitter:

De heer Johny Lahure,

Minister van Volksgezondheid van het Groot Hertogdom Luxemburg

1. Goedkeuring van de voorlopige agenda

De voorlopige agenda werd goedgekeurd.

2. Goedkeuring van de lijst van A-punten

De lijst van A-punten werd goedgekeurd.

3. Ontwerp-richtlijn van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake reclame voor tabaksproducten

Na een langdurige en lastige bespreking is met de kleinst mogelijke gekwalificeerde meerderheid van 62 stemmen een politiek accoord bereikt over een gemeenschappelijk standpunt met betrekking tot de richtlijn inzake tabaksreclamebeperking. De Duitse en Oostenrijkse delegatie stemden tegen, terwijl de Deense en Spaanse delegatie zich van stemming onthielden. De Nederlandse stem was van doorslaggevende aard.

De definitieve tekst van het gemeenschappelijk standpunt zal formeel worden aangenomen tijdens een volgende zitting van de Raad, naar verwachting eind januari 1998. Daarna zal het gemeenschappelijk standpunt in het kader van de medebeslissingsprocedure voor een tweede lezing aan het Europees Parlement worden voorgelegd. Zodra ik beschik over het geformaliseerde gemeenschappelijk standpunt zal ik u dit zo spoedig mogelijk ter kennisneming aanbieden. Ik wijs erop dat het Europees Parlement nog amendementen kan voorstellen, die volgens de procedure van het Verdrag door de Raad zullen moeten worden afgehandeld.

Het bereikte accoord voorziet in een verbod op elke vorm van reclame, rechtstreeks of onrechtstreeks, en sponsoring voor tabaksproducten in de Europese Unie en wel in verschillende fasen, onder bepaalde voorwaarden en met een aantal beperkingen. Het betreft een zogenaamde minimumrichtlijn, zodat de lidstaten ter bescherming van de eigen bevolking desgewenst striktere maatregelen kunnen nemen. Uiterlijk drie jaar na de bekendmaking van de richtlijn moet deze in nationale wetgeving zijn omgezet.

Tijdens de Raad is grotendeels tegemoet gekomen aan het gezamenlijke Zweedse en Nederlandse bezwaar op het vlak van de regulering van de onrechtstreekse reclame in relatie tot het merkenrecht. Daartoe is een alternatieve bepaling opgenomen.

Het reclameverbod is niet van toepassing op mededelingen voor de bedrijfstak, de verkooppunten voor tabaksproducten en publicaties van buiten de Europese Unie. Wat betreft de verkooppunten is mijn inzet, zoals verwoord in de brief van 21 november 1997, derhalve gerealiseerd; aan de wijze waarop op verkooppunten reclame mag worden gemaakt, zullen te zijner tijd eisen worden gesteld.

Ná de implementatietermijn van drie jaar kunnen de lidstaten een overgangstermijn van één jaar voor de gedrukte media en van twee jaar voor sponsoring treffen. Bovendien kan men nationaal in uitzonderingsgevallen en om goed gemotiveerde redenen gedurende een extra overgangsperiode van maximaal drie jaar toestemming blijven verlenen voor de bestaande sponsoring van op mondiaal niveau georganiseerde evenementen, mits de sponsoringbedragen dan afnemen en vrijwillig beperkende maatregelen worden genomen ten einde de zichtbaarheid van de tabaksreclame te verminderen.

Deze laatste overgangstermijn loopt in ieder geval uiterlijk op 1 oktober 2006 af. Vanaf die datum zullen alle bepalingen van de richtlijn dus van toepassing zijn.

Uiterlijk drie jaar na de bekendmaking van de richtlijn en vervolgens om de twee jaar zal de Commissie bij het Europees Parlement, de Raad en het Economisch en Sociaal Comité een verslag indienen over de toepassing van de richtlijn door de lidstaten. Daarbij zal in het bijzonder aandacht worden besteed aan de uitvoering en de gevolgen van de bepalingen betreffende de onrechtstreekse reclame en de sponsoring.

In voorkomende gevallen zal de Commissie dan voorstellen doen voor de aanpassing van de richtlijn aan de in die verslagen geconstateerde ontwikkelingen.

4. Voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautair actieprogramma 1999–2003 inzake zeldzame ziekten binnen het actiekader op het gebied van de volksgezondheid

Het Verenigd Koninkrijk en Denemarken trokken hun parlementaire voorbehouden in. Commissaris Flynn sprak zich weliswaar positief uit over de tekst, maar hield het standpunt van de Commissie nog in beraad in afwachting van de eerste lezing van het Europees Parlement. Het specifieke voorbehoud van de Commissie ten aanzien van de comitologie (voorkeur voor een raadgevende structuur) bleef eveneens gehandhaafd.

De Voorzitter concludeerde, dat de Raad in grote mate politieke overeenstemming heeft bereikt over de tekst, maar dat pas na de eerste lezing van het Europees Parlement een gemeenschappelijk standpunt kan worden vastgesteld.

5. Voorstellen voor besluiten van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van:

a) een communautair actieprogramma 1999–2003 inzake met milieuverontreiniging samenhangende ziekten binnen het actiekader op het gebied van de volksgezondheid

b) een communautair actieprogramma 1999–2003 inzake de voorkoming van letsel binnen het actiekader op het gebied van de volksgezondheid

De bespreking van deze actieprogramma's bevindt zich nog in een voorbereidende fase. De Raad heeft derhalve nota genomen van de informatie over de stand van de besprekingen zoals weergegeven in het betreffende document. Hierin wordt vermeld dat een ruime meerderheid van de delegaties het belang erkent van een communautaire actie op het door het voorstel bestreken terrein. Verder wordt aandacht besteed aan de horizontale problemen die door verscheidene delegaties zijn gesignaleerd (financiering, procedure kwesties en inpassing van het betrokken terrein in het toekomstige communautaire actiekader op het gebied van de volksgezondheid).

6. Ontwerp-resolutie van de Raad betreffende het verslag van de Commissie over de gezondheidstoestand van vrouwen in de Europese Gemeenschap

Het Verenigd Koninkrijk en Denemarken trokken hun parlementaire voorbehouden in, waarna de Raad de ontwerp-resolutie kon aanvaarden. Daarbij legde de Commissie een verklaring af ten behoeve van de notulen waarin staat, dat zij het belang van de resolutie erkent en volledige aandacht hieraan zal besteden rekening houdend met de beschikbare financiële middelen en de mogelijkheden van het EG-Verdrag.

7. Groenboek Levensmiddelenrecht van de Commissie

De Commissie was verheugd over het Voorzitterschaps-initiatief om het Groenboek te agenderen voor de Gezondheidsraad. Commissaris Flynn merkte op, dat het Groenboek ten doel heeft om de Commissie in staat te stellen om na een openbare discussie over levensmiddelenrecht en een onderzoek over de behoeften en verwachtingen in de EU ter zake de geëigende maatregelen voor te stellen. Overigens was reeds een groot aantal reacties op het Groenboek binnengekomen, aldus de Commissaris.

De Raad reageerde ten algemene positief over het Groenboek. Vrijwel alle delegaties, waaronder Nederland, hadden het standpunt dat de bescherming van de gezondheid van de consument in het levensmiddelenrecht de hoogste prioriteit heeft. Met name Italië, Portugal en Finland vonden dat op EU-niveau de Gezondheidsraad en de gezondheidsvraagstukken meer gewicht in de schaal zouden moeten hebben op het terrein van de levensmiddelen.

Zweden merkte op dat de BSE-crisis in de EU het belang van het onderwerp «levensmiddelen» heeft aangegeven en dat dit een hoge prioriteit op EU-niveau heeft tezamen met nationale beschermingsmaatregelen. Nederland wees op het belang van eenvoudige, horizontale levensmiddelenwetgeving en verwees voor het Nederlandse standpunt ten algemene naar de brief die de Nederlandse regering op 17 okt. jl. naar de Commissie heeft gestuurd.

Een aantal delegaties (Frankrijk, Griekenland, Oostenrijk en Denemarken) benadrukte het belang van wetenschappelijke studies, waarbij Denemarken stelde dat deze zouden moeten worden verricht door instanties die onafhankelijk van de industrie zijn. Ierland stelde voor dat de resultaten van en de reacties op het Groenboek gepubliceerd zouden moeten worden.

De Voorzitter concludeerde, dat een samenvatting van de besprekingen in de verschillende Raden over dit onderwerp op de agenda van de Europese Raad zal staan. Voorts merkte de Voorzitter op, dat het Britse Voorzitterschap hier verder aan zal werken.

8. Besmettelijke spongiforme Encefalopathie (TSE)

De Voorzitter begon zijn inleiding met de vermelding van het eerste BSE-geval in Luxemburg en verzocht vervolgens de Commissie een situatieschets terzake van TSE te geven.

Commissaris Flynn wees, mede met het oog op de BSE-enquête van het Europees Parlement, op de vele maatregelen die de Commissie en Lidstaten al hebben genomen. Hij noemde daarbij ook de instelling van de wetenschappelijke comités. Ook vond hij de monitoring, toezicht, bevordering van onderzoek en de samenwerking binnen de EU belangrijke aspecten in de strijd tegen TSE. De bescherming van de volksgezondheid is van het allergrootste belang, aldus Flynn.

Wat betreft de nieuwe variant van de Creutzfeldt-Jakob-Ziekte maakte hij voorts melding van 22 gevallen in het Verenigd Koninkrijk en 1 geval in Frankrijk.

Het Verenigd Koninkrijk, dat bij TSE het voorzichtigheidsbeginsel hanteert, gaf een korte uiteenzetting over de media-aandacht die in het Verenigd Koninkrijk was ontstaan naar aanleiding van wetenschappelijk advies over mogelijke risico's met betrekking tot beenderen rondom het ruggemerg en het ruggemerg op zich. Dit advies zou via het Raadssecretariaat aan alle delegaties beschikbaar worden gesteld. Ierland merkte op zich zorgen te maken over de Britse maatregelen en is bezig de resultaten van het Brits wetenschappelijk advies te bestuderen. Ook Frankrijk volgde met belangstelling de Britse ontwikkelingen.

België bepleitte wederom, dat niet de Landbouwraad en niet de Interne Marktraad, maar de Gezondheidsraad de BSE/TSE- problematiek moet bespreken. Gelatine in geneesmiddelen en voedingsmiddelen is volgens de Belgische minister primair een zaak voor gezondheidsministers. Voorts wees België op de vleesfraude-problematiek, waarbij Brits vlees toch naar andere Lidstaten worden vervoerd en stempels van Brits vlees in slachthuizen worden verwijderd.

Zweden, Portugal, België en Nederland vroegen de Commissie om meer inzicht wat betreft de stand van zaken rondom het dreigende tekort van medicijnen ten gevolge van de Commissie-beschikking 97/534/EG tot het uitbannen van de «Specified Risk Materials» (SRM) in alle producten. België wees daarbij expliciet op de brief die ondergetekende aan de Commissie heeft gestuurd. Commissaris Flynn antwoordde dat de wijziging van Commissie-beschikking 97/534/EG op blokkades stuit binnen het Permanent Veterinair Comité. Niettemin stelde, hij dat de 80% van het totaal aantal geneesmiddelen dat getroffen zou worden door de beschikking per 1 januari 1998 niet illegaal zou zijn.

9. Actiegroep EU-Verenigde Staten belast met het ontwikkelen en ten uitvoer leggen van een doeltreffend wereldwijd netwerk voor vroegtijdige waarschuwing met betrekking tot besmettelijke ziekten.

De Raad aanvaardde de voorliggende conclusies. Daarbij maakte de Commissie een voorbehoud ten aanzien van punt 8 waarin wordt gesteld, dat op de eerstvolgende zitting concrete beleidsvoornemens worden voorgelegd. De Commissie betwijfelde of dit dan al mogelijk zou zijn.

10. Ontwerp-aanbevelingen inzake de veiligheid van bloed

Commissaris Flynn gaf een presentatie van het voorstel voor een aanbeveling. Het was de eerste keer, dat gebruik werd gemaakt in het kader van art. 129 EGV van het instrument «aanbeveling». Commissaris Flynn benadrukte twee aspecten van het voorstel: de screening van donoren en donorbloed alsmede het herstel van het vertrouwen van de burgers in de bloedtransfusie. Hij hoopte, dat de Lidstaten met de Commissie samenwerken om tot een spoedig resultaat te komen.

Nederland sprak zijn waardering uit, dat er nu eindelijk iets van de Commissie op het terrein van bloedveiligheid lag, hetgeen eigenlijk al prioritair was tijdens het afgelopen Nederlandse Voorzitterschap. Ofschoon het voorstel nog uitvoerig wordt bestudeerd, wees Nederland erop dat dubbele standaarden voorkomen moeten worden en dat er afstemming dient te zijn met de WHO en de Raad van Europa.

Ierland was erg blij met het voorstel en wees op de mogelijkheden die het Verdrag van Amsterdam op het terrein van bloedveiligheid biedt. Oostenrijk, België en Duitsland spraken hun dank uit aan de Commissie en noemden het onderwerp een belangrijk thema, dat grondig in de volgende Raadszitting bekeken moet worden.

De Voorzitter concludeerde, dat het voorstel ter bespreking in de Raadswerkgroep Gezondheid en Coreper wordt voorgelegd.

Diversen

Het stimuleren van het fietsgebruik binnen de EU

(verzoek van de Belgische delegatie)

België gaf een korte toelichting op de Belgische notitie inzake stimulering van het fietsgebruik. Duitsland en Nederland wezen hierbij op de fietsen die tijdens de Europese Raad van Amsterdam van juni 1997 werden uitgereikt.

Conferentie over de resistentie tegen antibiotica

Denemarken vroeg kort om aandacht voor de toenemende resistentie van antibiotica tegen allerlei ziektes. Denemarken had hierover een brief naar het Voorzitterschap gestuurd. De Deense delegatie heeft de Raad ingelicht dat de Deense regering in de herfst van 1998 in Denemarken een conferentie zal organiseren over de resistentie tegen antibiotica en de gevolgen daarvan voor de volksgezondheid.

Epidemiologie

Italië vond dat de volgende Gezondheidsraad het nieuwe art. 129 (ten gevolge van het Verdrag van Amsterdam: art. 152 EGV) zou moeten bespreken. De Italiaanse delegatie herhaalde haar verzoek dat in de Raad een specifiek onderzoek moet worden gewijd aan de gezondheidsaspecten tijdens de bespreking van voorstellen op het gebied van wetenschappelijke experimenten in de Gemeenschap inzake polyfarmaceutisch onderzoek, biotechnologie, nieuwe voedingsmiddelen, transgene dieren en klonering.

De Voorzitter nam nota van de punten onder «diversen» van België, Denemarken en Italië.

Naar boven